Geschiedenis van het lezen [1999] ~ Alberto Manguel

Dit boek las ik in drie sessies, van elk zo’n veertig minuten ’s avonds laat. Met de benen languit op de bank gezeten, temidden van mijn boekenkasten en de vele stapels boeken op de grond. Ik hield er die eerste twee keer in op, omdat het lezen me dan te vermoeiend was geworden.

Het boek is namelijk op inwit glanspapier gedrukt, wat de vele illustraties erin goed laat uitkomen. Maar helaas kaatsen de bladzijden daardoor ook te veel licht terug. Zo kreeg het broodlettertje van de tekst nogal iele pootjes. Dus moest ik de hele tijd te zeer turen naar wat ik las.

Merkwaardig, dat deze editie van Een geschiedenis van het lezen uitvoeringstechnisch gesproken het lezen bemoeilijkt. Jammer ook, gezien de inhoud.

In de tekst droomt Alberto Manguel er overigens van hoe dit boek eruit zou moeten zien. Daarbij rept hij volgens vertaalster Tinke Davids van cremekleurige bladzijden [353]. Niet van witte.

Vergeef me mijn gemopper, maar dit boek gaat nu net telkens over hoe de omstandigheden het leesgenot bepalen.

Naast nog zoveel meer, natuurlijk. Het is een persoonlijke leesgeschiedenis van de Argentijn Manguel die Canadees werd, en netzogoed een cultuurgeschiedenis van het boek en de voorlopers daarvan.

Manguel schrijft overigens dat zijn tekst niet af kan zijn. Daarom zegt hij toe blanco pagina’s over te laten aan het eind, zodat de lezer zelf aantekeningen kan toevoegen. Maar Nederlandse boekvormgevers doen dat nooit, van die blanco pagina’s. Dus ontbreken die in deze versie.

En ja, ik zie ook wel wat echte gebreken. Zo had dat ene hoofdstukje over verboden lezen van mij heel wat langer gemogen. Omdat juist verboden zoveel vertellen over de kracht die aan lezen wordt toegedacht. Mensen gaan daar maar van denken, en dat moet natuurlijk niet.

Net zo had ik Manguel graag gehoord over het merkwaardige fenomeen dat mensen wel hoogaangeschreven boeken kopen, maar die vervolgens nooit lezen. Alleen maar om slimmer te lijken. En nee beste toevallige bezoeker, voor u mij honende e-mails stuurt, als ik boeklog zou willen inzetten om u met mijn belezenheid te overdonderen, zou ik wel andere titels hier bespreken.

Maar wat is dit verder een rijk boek, alleen al omdat Manguel leesbare verhalen schreef én dit tot een naslagwerk heeft weten te maken.

Alberto Manguel, Een geschiedenis van het lezen
416 pagina’s
Uitgeverij Ambo, 1999
Vertaling van: A History of Reading, 1996

Aphorismen ~ Georg Christoph Lichtenberg

Elke bloemlezing uit de kladboeken van Georg Christoph Lichtenberg [1742 – 1799] brengt uitspraken naar voren die me in een andere uitgave waren ontgaan. Zo rijk is diens werk. Zo veel ook kan me ontgaan bij het lezen. Aforismen eisen alle aandacht en concentratie op, en dat is altijd minder lang vol te houden dan ik denk. Zelfs al schreef Lichtenberg zelden one-liners; die helemaal een voortdurend herbeginnen van de lezer eisen.

En goed, dan heb ik Lichtenberg elders regelmatig aangehaald, en dan begroet ik sommige ideeën wel degelijk als oude vrienden. Dan nog.

Het gaat niet eens altijd om de ideeën, maar om de formulering.

Ein guter Ausdruck ist soviel wert als einer guter Gedanke.

En, dan is dit niet de allerfraaiste uitgave denkbaar. Een gebonden boekje, weliswaar, maar met een wat kleine broodletter. En de samensteller vond het ook niet nodig de vindplaats van de uitspraken te geven.

Maar voor € 2,95 in de reguliere handel moet ik niet klagen.

undefined

Lesen heisst borgen, daraus erfinden abtragen.

undefined

Was dem Ruhm und der Unsterblichkeit manches Schriftstellers ein größeres Hindernis in den Weg legt, als der Neid und die Bosheit aller kritischen Journale und Zeitungen zusammengenommen, ist der fatale Umstand, daß sie ihre Werke auf einen Stoff müssen drucken lassen, der zugleich auch zu Gewürzduten gebraucht werden kann.

undefined

Eine seltsamere Ware, als Bücher, gibt es wohl schwerlich in der Welt. Von Leuten gedruckt, die sie nicht verstehen; von Leuten verkauft, die sie nicht verstehen; gebunden, rezensiert und gelesen von Leuten, die sie nicht verstehen; und nun gar geschrieben von Leuten, die sie nicht verstehen.

undefined

Ich habe mir die Zeitungen vom vorigen Jahre binden lassen, es ist unbeschreiblich, was für eine Lektüre dieses ist: 50 Teile falsche Hoffnung, 47 Teile falsche Prophezeiung und 3 Teile Wahrheit. Diese Lektüre hat bei mir die Zeitungen von diesem Jahre sehr herabgesetzt, denn ich denke: was diese sind, das waren jene auch.

Georg Christoph Lichtenberg, Aphorismen
Ausgewählt und mit einem Nachwort
versehen van Rainer Baasner
96 pagina’s
Anaconda, 2005

Reader on Reading ~ Alberto Manguel

Lang heb ik er over gedaan om deze verzameling uit te lezen. En waar het bij een verhalenbundel doorgaans een gunstig teken is dat ik er maanden over doe — dan kunnen alle bijdragen zo goed op zichzelf staan — is dat met beschouwingen als in dit boek toch niet zo.

Een goede essaybundel zorgt voor zo veel hoogspanning dat die wel in een paar dagen uitgelezen worden moet.

Maar een mens kan dus ook te veel Manguel gelezen hebben, waardoor elk nieuw essay over lezen, of over een boek, van hem slechts nieuw wordt in naam. En soms is dat vertrouwde wel prettig, maar vaker toch niet. Alleen omdat er dan na het lezen zo weinig hangen blijft; doordat er niets werd toegevoegd aan het beeld dat er al was.

A Reader on Reading bevat veel gelegenheidswerk. Een rede van hier, een artikel van daar, plus een inleiding bij nog weer iets anders.

Voor dit boek is getracht eenheid in de mengelmoes aan te brengen door het werk in acht thema’s onder te verdelen, en door elk stuk vooraf te laten gaan door een treffend citaat uit Alice in Wonderland. Alleen belooft deze indeling meer onderscheid dan voor mij werd waargemaakt.

Het ging dus met de hinkstapsprong, dit boek. Een plezierig leesbaar stuk werd vaak gevolgd door éen waarvan mijn gedachten slechts gingen afdwalen. En dan legde ik het weer een tijd weg.

Interessantst waren vaak terloopse opmerkingen van Manguel; die natuurlijk zeer belezen blijft, en gauw eens een passend citaat gereed heeft, of een intrigerende gedachte van een ander kan aanhalen. Zoals dat Robert Graves ooit had opgemerkt dat de Ieren en Welshmen een zorgvuldig onderscheid bewaren tussen de dichters, die scheppen, en de satirici, die afbreken.

Punt is, nogal wat stukken lijken zo van terzijdes aan elkaar te hangen dat dan onduidelijk blijft wat Manguel nu eigenlijk wilde zeggen.

Hoogtepunt in dit boek voor mij, waren de ‘Notes Towards a Definition of the Ideal Reader’. Omdat ik daarbij eindelijk ging nadenken over wat Maguel schreef waar was, en ook van toepassing op mij. Dat gebeurde verder te weinig.

The ideal reader is the writer just before the words come together on the page.

The ideal reader exists in the moment that precedes the moment of creation.

The ideal reader does not reconstruct a story: he recreates it.

The ideal reader does not follow a story: he partakes of it.

A famous children’s book programme on the BBC always started with the host asking: “Are you sitting comfortably? Then we shall begin.” The ideal reader is also the ideal sitter.

Depictions of St Jerome show him poised over his translation of the Bible, listening to the word of God. The ideal reader must learn how to listen.

The ideal reader is the translator. He is able to dissect the text, peel back the skin, slice down to the marrow, follow each artery and each vein and then set on its feet a whole new sentient being. The ideal reader is not a taxidermist.

For the ideal reader all devices are familiar.

For the ideal reader all jokes are new.

[…] [151]

Alberto Manguel, A Reader on Reading
308 pagina’s
Yale University Press, 2010

Boekenbusiness ~ André Schiffrin

Vroeger was het beter. Althans, vroeger was het beter voor degene die deze uitspraak doet, en daarbij terugblikt op wat er in zijn of haar leven veranderde. Punt is alleen dat er over veertig vijftig jaar ook weer mensen zullen zijn die nostalgische gevoelens zullen koesteren over het jaar 2012. Terwijl dat helemaal niet kan, volgens de eerste criticaster.

In het boekenvak schijnt de nostalgiegrens op zo’n vijfendertig jaar te liggen — ofwel op iets minder dan de duur van een loopbaan is. Da capo. Dat geldt voor elke generatie. Er zijn vast nog wel ergens uitspraken te vinden van iemand die de uitvinding van Gutenberg’s drukpers de dood van het boekenvak vond.

Socrates fulmineerde al tegen het schrijven überhaupt.

Uitgever André Schiffrin kijkt in de The Business of Books terug op hoe de boekenmarkt in de VS verzakelijkte in de loop van de jaren zeventig, tachtig, en negentig.

Dat levert een aardig kijkje op in de keuken van een grote uitgeverij als Random House. En ook als autobiografie van een arbeidzaam leven biedt het boek wel wat. Schiffrin kan er onder meer op bogen met succes boeken uit het publieke domein goedkoop in paperback te hebben uitgegeven. Zijn vader bedacht dan weer de Pléiade-reeks; en die wist iets beter te beklijven.

Maar veel meer is het niet wat De boekenbusiness te bieden heeft. Voor een deel kan de eenzijdigheid van het boek komen doordat de tekst uit 2000 of 2001 stamt. Dat is een jaar toen de e-reader bijvoorbeeld al wel bestond, maar nog geen publiek had. Laat staan dat de traditionele uitgeverijen er toen al aan dachten om boeken elektronisch te publiceren.

Dat er maar éen manier was om boeken uit te geven, en onder de aandacht te brengen, lag daarmee nog muur- en muurvast.

De verontwaardiging in Schiffrin’s essay lijkt ook vooral te zijn gebaseerd op het idee dat goede uitgeverijen moeten sturen wat het publiek hoort te lezen. En zo bezien wordt het pijnlijk dat de beroemdheidjes van het moment miljoenen aan voorschot krijgen voor hun memoires, terwijl hoogwaardige literatuur van elders het land niet eens binnenkomt, alleen al omdat daar een vertaling nodig is; en het grote publiek geen vertalingen leest.

De schrijver negeert alleen de vraag wat het publiek wel tot lezen aanzetten kan. Naast een aanbod van goede titels.

Ik ben toch geneigd om bijvoorbeeld om de mensen die opgroeiden tijdens de depressie van de jaren dertig als de laatste echt geletterde generatie te zien. Auteurs als Saul Bellow, die uit deze periode stamt, gaan naar mijn idee anders met taal om dan de schrijvers uit latere leeftijdscategorieën. Zijn universum was aanmerkelijk taliger. Dat van zijn opvolgers is bijvoorbeeld al veel meer gekleurd door de beeldenrijkdom van de televisie; zij kunnen werken vanuit de zekerheid dat het publiek verteltechnieken zou begrijpen die de TV hen al geleerd had.

Een goed verhaal over het boekenvak, of de handel in bedrukt papier, zou dus het persoonlijke moeten overstijgen. En iets aan cultuurstudie horen in te brengen, om aannemelijk te worden.

Schriffrin kan bijvoorbeeld wel verontwaardigd zijn dat de boeken zo veel duurder werden dan ze in zijn begintijd als uitgever waren. Toen hadden paperbacks nog de prijs van een pakje sigaretten. Maar zo’n statement is leeg zonder de kennis over hoe het besteedbaar inkomen van de gemiddelde boekenkoper veranderde in de tijd. En welk deel van dat inkomen zij besteedden aan vermaak, zoals lezen. En hoeveel tijd zij gemiddeld hebben per dag voor hun vermaak, zoals lezen.

Bovendien, roken is ook al niet zo populair meer.

André Schiffrin, De boekenbusiness
Hoe het grote geld het boekenvak en het lezen heeft veranderd

Met een nawoord van Laurens van Krevelen
191 pagina’s
Wereldbibiotheek, 2011
vertaling van: The Business of Books, 2001

In een adem uit… ~ Daniel Pennac

Moeilijk is het niet om lezen als een soort verslaving te zien. Tegelijk zullen er weinig andere verslavingen zijn waarover mensen zich schuldig voelen die niet te hebben.

Tenminste… Er bestaan nu nog altijd mensen die menen te weinig te lezen. Zij die boeken op vakantie meeslepen, in de waan dat ze er dan wel aan toe zullen komen.

De grootste bedreiging voor het boekenvak lijkt me dan ook dat deze groepen mensen zo langzamerhand kleiner worden. Omdat de urgentie verdwijnt in het gevoel dat boeken nut hebben — waardoor er een schuldgevoel kon ontstaan als zulke boeken ongelezen blijven.

Want echte lezers, die immer bezig zijn in iets, en ook al plannen hebben met de volgende titel, zullen altijd wel blijven bestaan. En als boeklog me iets geleerd heeft, dan wel dat lezen zijn eigen tijd maakt. Ik houd in 2012 niet ineens uren over, ook al is mijn vrijwillige boekenconsumptie nooit lager geweest dan dit jaar, tot nu toe.

Bovendien ben ik dommer dan normaal, vanwege het weinige lezen. En alleen daarom al zal ik de komende maanden weer stilletjes meer boeken openslaan.

Tegelijk geloof ik niet dat mijn gewoonte om me te informeren voor iedereen werkt.

Doen leert het best. En de meeste mensen hebben meer aan praten, en discussiëren, dan aan boeken om zich te informeren of amuseren. En zelfs een medium als televisie kan heel aardig in iemands informatiebehoefte voorzien, voor wie wil, bijvoorbeeld vanwege alle documentaires.

Anderen blijven liever dom, meestal zonder dat te beseffen. Bijvoorbeeld omdat zij éen boek heilig verklaren.

Het is daarom dat ik een wat dubbel gevoel had na het lezen van Comme un roman van Daniel Pennac. Dit was in 1993 een doorbraakboek voor deze Franse schrijver; een onverwachte bestseller voor een man die tot dan vooral leraar was.

In de eerste drie delen poogt In een adem uit.. namelijk vooral om uit te leggen waarom lezen zo geweldig is. Zonder het voorbehoud dat dit niet voor iedereen zo hoeft te zijn. Pennac put daarbij vaak uit zijn lerarenbestaan, omdat een constante daarin is dat pubers er zo moeilijk van te overtuigen zijn dat lezen hoort. Waarom zou de school anders boeken verplichten?

Maar hebben diezelfde pubers als kleine kinderen niet ademloos geluisterd als ze werden voorgelezen door hun ouders?

Pennac stamde nota bene uit een generatie die van het lezen werd weggehouden. Dat bedierf de ogen maar. En was lang zo gezond niet als buitenspelen.

De schrijver is me weleens wat te lyrisch wollig in deze vele korte hoofdstukjes. Bovendien lijkt de beschreven onderwijssituatie en de kritiek daarop me te Frans om onverkort geldig te blijven in vertaling. En twintig jaar later is de situatie natuurlijk nog weer anders — alleen al omdat er nogal wat nieuwe soorten lesmateriaal zijn bijgekomen.

Mij sprak daarom het korte vierde deel van het boek het meest aan. Omdat Pennac daarin wel dat lezen durfde te relativeren. Wat gebeurde door de rechten uit te werken die elke lezer heeft ten opzichte van alle boeken die ooit verschenen zijn.

Het recht om niet te lezen.
Het recht om bladzijden over te slaan.
Het recht om een boek niet uit te lezen.
Het recht om te herlezen.
Het recht om wat-dan-ook te lezen.
Het recht op bovarysme [een tekstueel overdraagbare ziekte].
Het recht om waar-dan-ook te lezen.
Het recht om te grasduinen.
Het recht om hardop te lezen.
Het recht om te zwijgen [over het gelezene].

Want lezen is mooi. Maar het is goed om soms eens afstand te nemen, en de vraag te stellen waarom ook weer. Wat mijn plan voor 2012 was.

Daniel Pennac, In een adem uit… Het geheim van het lezen
176 pagina’s
De Brink, 1993
vertaling door Piet Meeuse van Comme un roman

Terwijl je leest ~ Gerard Unger

Wie dit leest, let daarbij slechts op de betekenis van wat hier staat. En ziet daardoor niet hoe elk woord gevormd is, of hoe de letters op het scherm meehelpen om de herkenning van de woorden te vergemakkelijken.

Maar wat niet wordt opgemerkt is nog niet onzichtbaar, schreef Gerard Unger.

In zijn boek Terwijl je leest onderzoekt hij of er wetmatigheden zijn die een tekst goed herkenbaar maken. Unger is een letterontwerper, éen van de bekendste die Nederland heeft, en hij verdiept zich vanuit die achtergrond al decennia in dit onderwerp.

Een uitgangspunt voor het boek is daarbij dat de meeste lezers onbewust al een grote typografische kennis hebben opgedaan door hun lezen — alleen hebben ze meestal geen directe toegang tot deze kennis. Dus vult Unger die leemte nu eens voor hen in met aanwijzingen.

Daarbij geeft hij onder meer weer hoe in de geschiedenis over typografie is gedacht, en welke vuistregels daarbij dan golden.

Terwijl je leest is in de meeste hoofdstukken een leesboek, waarin Unger de ruimte neemt om dingen uit te leggen. Van mij had hij daarbij veel nerdiger mogen zijn.

Interessant is wel dat Unger zich heeft afgevraagd hoe dat precies werkt, met die herkenning van tekst. Helaas wreekt zich daarbij wat dat dit boek een licht bewerkte heruitgave is van een titel uit de jaren negentig. Sindsdien zijn bijvoorbeeld de methoden verbeterd om te meten wat er in de hersenen gebeurt bij het lezen. Wat weer tot nieuwe theorievorming heeft geleid. Waardoor ik bijvoorbeeld een uitspraak miste over de huidige ideeën van Stanislas Dehaene.

Ook had ik Unger graag gehoord over een nog actueler kwestie. Er bestaat online groot dédain over de lelijkheid van het lettertype ComicSans, dat standaard op alle Windows-computers geïnstalleerd werd. Tegelijk tonen testen aan dat ComicSans opvallend goed leesbaar is voor mensen die juist bij het lezen van andere letters problemen hebben.

Wat weegt dan zwaarder? Voor een letterontwerper. Nieuws was voor mij in elk geval dat typografen niet meer warm lopen voor een discussie over de vraag of een tekst meer opvalt in een geschreefd of een ongeschreefd lettertype.

En zo zijn me vooral de weetjes bijgebleven uit dit boek — waarvan ik sommige overigens al kende. Zo wordt de tekst in kranten tegenwoordig groter afgedrukt dan enkele decennia terug; toen er rustig 8-punts letters werden gebruikt voor de broodtekst. Maar dat is iedereen duidelijk die weleens het archief in moest om oude kranten door te nemen.

Wel stelt Unger terecht de vraag hoe het kan dat kranten hun tekst nu groter afdrukken. We hebben immers helderder licht gekregen thuis, de druktechnieken zijn beter dan toen, en ook de hulpmiddelen om scherp te blijven zien zijn nu overal verbreid.

Gerard Unger heeft dan weer een krantenletter ontworpen — de Swift — die door zijn afnemers niet altijd in dezelfde grootte wordt gebruikt. Waardoor de artikelen in verschillende dagbladen er met gebruik van dezelfde letter toch opvallend anders uitzien; beiden zelfs tot een andere klasse aan media lijken te horen.

Dat is heel vreemd om te zien. En tegelijk ook fraai.

Gerard Unger, Terwijl je leest
223 pagina’s
De Buitenkant, 2006

ABC van de literaire uitgeverij ~ Joost Nijsen

Er was eerlijk gezegd voor mij maar éen reden om ABC van de literaire uitgeverij te willen lezen. Benieuwd was ik wat uitgever Joost Nijsen te melden zou hebben over de grote onzekerheden in zijn vak op het moment.

Want de boekhandels verdwijnen uit de winkelstraten. En het grote publiek leest een almaar kleiner assortiment aan titels. Bovendien moet het boek de laatste decennia concurreren met allerlei nieuwe vormen van ontspanning en vermaak, en is informatie tegenwoordig ook op andere manieren te verkrijgen dan door een boek te lezen.

Verder verdwijnt zo langzamerhand het taboe dat boeken die in eigen beheer worden uitgegeven niets voorstellen. Waardoor een vraag wordt of een uitgever nog nodig blijft. Het aanmaken van een e-boek en de distributie daarvan, en dus de uitgave, kosten immers niets?

En daarbij viel op dat Nijsen al deze kwesties vrij evenwichtig behandelt, zonder er nu heel diep op te gaan. Omdat hij wat komen gaat al evenmin kan voorspellen dan wie ook. Het lemma ‘toekomst’ in het boek is weliswaar lang vergeleken met dat van andere trefwoorden. Maar dit komt vooral doordat Nijsen behoorlijk enerzijds-anderzijdst.

Uitgevers en schrijvers zullen elkaar nodig blijven houden, is daarbij zijn stelling wel. Want alle zaken rond het boek die niet met het eigenlijke schrijven te maken hebben, doet de uitgever nu eenmaal beter.

Tegelijk wordt in Nijsen’s boek ook duidelijk hoeveel uitgevers bijvoorbeeld aan betaalde promotie kunnen uitgeven.

Een vuistregel is dat binnen de begroting van een boek circa 5% van de netto-omzet voor promotie beschikbaar is. Bij een boek van € 20 in een oplage van 2000 exemplaren is dat 5% van 2000 x circa € 10 (de netto-ontvangst na aftrek van de boekhandelsmarge en de distributiekosten) = € 1000. Daarvan kun je twee kleine advertenties in het boekenkatern van de Volkskrant of NRC Handelsblad plaatsen. [160-161]

En ineens begrijp ik beter waarom mijn boeklog in de eerste jaren zo vaak door uitgevers gezien werd als podium om goedkoop reclame te maken. Of waarom ze dan verbaasd waren over mijn weigering zulks toe te staan.

Want uiteindelijk had ABC van de literaire uitgeverij vooral dat effect. Te veel was me misschien ook al duidelijk geworden in de loop der jaren, over het schrijven van boeken en het uitbrengen van boeken. Alleen werden daarbij nu eens ook alle vage details ingevuld.

Daardoor ontdekte ik ook onbewust met vragen te hebben gezeten. Waarom hebben Nederlandse boekuitgaven bijvoorbeeld het formaat dat ze hebben?

De redenen daarvoor zijn waarschijnlijk veel toevalliger dan gedacht.

Toen ik bij Nijgh & Van Ditmar werkte, wilden de hoofdredacteur en ik de nieuwe Nederlandse romans (zoals de debuten van Ronald Giphart en Arnon Grunberg) liefst in ‘12,5 x 20 cm’. Een gevoel, meer dan een wetenschap. Vertaalde literatuur wilden we dan weer in ’14 x 21,5′. Bij Podium voeren we vrijwel alle Nederlandse romans nu uir in ‘13,5 x 20 cm’. We zeggen dan dingen als ‘qua breedte toch net wat lekkerder in z’n vel, en draagt ook bij tot een soepeler gevoel’. Dat doen we net zolang tot het ons, en misschien ook de lezer, gaat vervelen en we overstappen op wat anders. [90]

Dus was dit een onverwacht informatieve gids, waarbij de keuze om alles via trefwoorden te behandelen niet eens vervelend was.

Goed, Nijsen negeert de kwestie of er op het moment niet wel erg hard beknibbeld wordt op mogelijke uitgaven. En of er voorheen niet te veel en te makkelijk is uitgegeven. Waardoor sommige schrijvers misschien zijn gaan geloven meer talent te hebben dan aanwezig. Hij geeft ook geen cijfers, meen ik, over hoe veel romans en dichtbundels er in Nederland uitkomen elk jaar; terwijl dat mij er nog altijd schrikbarend veel lijken.

Niet dat ik denk dat er een ideaal aantal is aan romans of gedichtenbundels dat uitgegeven worden moet. Wel meen ik dat er heel wat meer uitgeefmodellen mogelijk zijn dan nu bestaan — ik zie ook een toekomst voor me waarin veel meer met tests online gepeild wordt of een uitgave op papier zin heeft. Wat overigens nog niets nieuws is ook. In de negentiende eeuw werden veel boeken pas uitgebracht als er genoeg belangstellenden op hadden ingetekend.

Dus heb ik het idee dat de grootste waarde van het ABC van de literaire uitgeverij weleens kon zijn dat het een plaatsbepaling in de tijd is.

Kijk, zo zagen uitgevers in Nederland aan het begin van de eenentwintigste eeuw hun beroep.

Nijsen haalt ook enkele malen voorbeelden uit boeken van voorgangers aan om te laten zien dat zakenmodellen en mores in de boekenbranche veranderen.

Alleen gaan sommige ontwikkelingen momenteel sneller dan voorheen.

Joost Nijsen, ABC van de literaire uitgeverij
269 pagina’s
Podium, 2012

Vergeten te bestaan ~ Ger Groot

Wie fictie leest, weet wat daarin verteld wordt ‘niet echt’ is. Toch kan een roman of een kort verhaal enorme indruk maken. En de emoties die dan in de tekst worden geïnvesteerd, zijn wel degelijk levensecht.

Voor een lezer volstaat het dan om te weten dat een boek even heel veel kan betekenen. Of op zijn minst: hopelijk een kans tot ontsnapping biedt; juist doordat het zelf zich even kan verliezen.

Voor een filosoof geldt dat niet. Die wil het waarom begrijpen van het raadsel dat iets bedachts toch als volkomen echt kan worden beleefd. Dat stelde Ger Groot tenminste, in zijn intreerede bij de aanvaarding van het buitengewoon hoogleraarschap ‘Filosofie en literatuur’, in Nijmegen.

Vergeten te bestaan biedt een uitgebreide versie van deze rede. Die bevat een beginselverklaring over wat hij onderzoeken wil, waarin hij nog sterk leunde op observaties van wijlen Patricia de Martelaere.

Zij stelde onder meer dat onze identificaties met anderen nooit sterker zijn dan bij het lezen van fictie. Juist omdat we in het normale leven nimmer zo’n totaal geloof in alles hebben kunnen; omdat die onvoorwaardelijke overgave dan enorme risico’s oplevert.

Dus moest ik het tijdens het lezen van dit boek niet met éen maar zelfs met twee filosofen in innerlijk debat.

En vanzelfsprekend ging ik daardoor enorm tegensputteren, omdat ik nu eenmaal bijna altijd vind dat filosofen met een te beperkte blik naar de wereld kijken.

Zo is vrij simpel te falsificeren dat mijn identificatie met anderen nooit sterker zou zijn dan tijdens het lezen van fictie.

Neem bijvoorbeeld mijn beleving bij het kijken naar een rechtstreekse sportwedstrijd — goed, cynici zullen wielrennen of voetbal ook fictie noemen; vanwege de doping en andere wedstrijdvervalsing; daar gaat het nu niet om.

Als ik tijd investeer in het passief beleven van een sportwedstrijd, is dat niet eens omdat die sport me interesseert — al helpt dat wel, helemaal als ik favorieten kies — maar veel meer nog omdat ik de afloop wil weten.

Hoe gaat het verder? Elementairder vraag om onze eeuwige nieuwsgierigheid op te roepen, bestaat er haast niet, en toch zegt Ger Groot daar niets over.

Tijdens de laatste fase van een wielerklassieker, mits de uitkomst dan nog onzeker is, stijgt mijn hartslag fors en mijn bloeddruk vast ook. Bij het lezen heb ik zulke sterk fysieke reacties nu nooit — vast omdat het gedrukte woord eerst nog een vertaalslag door moet. Terwijl het televisiebeeld veel directer verwerkt wordt.

Een behoorlijk gebrek aan hoe wij mensen denken, is dat dit vrijwel altijd in verhaalvorm gebeurt. En in die verhaalvormen bestaan maar een beperkt aantal lijnen die direct aanvaard worden. Zo moet er innerlijke logica bestaan binnen een verhaal.

En een verhaal moet dus een uitkomst hebben — is er die niet, dan blijft dat een tergend gemis; een mechanisme dat de massamedia maar al te handig uitmelken.

Zo zeer hangen wij zelfs aan een innerlijke logica, dat die telkens als verhaal kan worden geprojecteerd op de werkelijkheid. Daardoor denken we te makkelijk in reeksen van oorzaak en gevolg. En daardoor is ons benul van risico’s bijvoorbeeld zo slecht — risico’s gaan zo gauw tegen de intuïtie in.

Bovendien, fictie wordt niet alleen gecreëerd door schrijvers, in romans. Ook religies zijn verhalen, en daarmee fictie. En de grootste schijnwerkelijkheid nog komt van politici, en de media die alleen op hun woorden ingaan, zonder daarbij de daden te wegen.

Is over zulke mechanismen te leren en dus te filosoferen door enkel romans te bestuderen? Ik denk van niet; en dat bewijst boeklog ook. Maar ik heb het hier dan ook makkelijker dan een academicus die zich tot een vakgebiedje moet beperken.

Ger Groot, Vergeten te bestaan
Echte fictie en het fictieve ik
32 pagina’s
Vantilt, 2010

Man Who Loved Books Too Much ~ Allison Hoover Bartlett

Lezen is een onbarmhartige daad. Omdat lezen meteen ook oordelen is. Goede teksten worden direct onderscheiden van slechte. Mooie van lelijke. Nuttige van onnutte. Heldere van vage.

Dus vernietigt deze website boeken. Voor mij dan. De waarde van het bezit kan door het lezen nogal sterk worden gerelativeerd. Zoals ik al vlot na de start van boeklog ontdekte. De zelfopgelegde plicht om hier te verwoorden wat mijn ervaringen waren met een boek dwingt me om nog kritischer te kijken dan al gebeurde tijdens het lezen. Want het volstaat hier niet om enkel mijn gevoelens te verwoorden. Een oordeel eist argumenten.

Mede daarom ben ik gaan schiften in mijn boekcollectie. Al het matige kan inmiddels weg. Daarentegen is de bewondering voor al het goede en geslaagde groter geworden dan ooit.

Tegelijk geldt voor elk van de overgebleven boeken allereerst dat ik die houd om de belofte dat de schrijver me nog eens iets goeds te geven heeft.

Het bezit is secundair geworden. Wat heb ik aan boeken die ik nooit meer in zal kijken?

En daarom is de kloof tussen mij als boekenliefhebber groter dan ooit met die andere boekenliefhebbers, die het allereerst te doen is om unieke oude uitgaven, of eerste drukken, en boeken met een bijzondere opdracht van de auteur.

Die mensen acht ik postzegelverzamelaars. Omdat het hen zo gauw om een heel andere waarde gaat dan de inhoud van een uitgave.

Postzegelverzamelaars zijn per definitie niet geïnteresseerd in de inhoud van een gefrankeerde envelop.

The Man Who Loved Books Too Much gaat over een Amerikaanse boekendief. John Gilkey. De voornaamste andere hoofdpersoon is de antiquair Ken Sanders, die online een kruistocht tegen boekendieven begon; omdat hun misdaden grote schade berokkenen en nauwelijks worden bestraft. Een derde persoon in het boek is nadrukkelijk de auteur. Allison Hoover Bartlett. Die iets van een beginnende hebberigheid vertoont voor het bezit van kostbare boeken.

Deze uitgave kan daarmee ook dienen als een introductie in waar een verzamelaar zoal op te letten heeft.

Meest ware uitspraak lijkt me dan de constatering van een handelaar dat vrijwel alle heel oude boeken wel een keer gestolen zijn.

Uniek aan The Man Who Loved Books Too Much is dat de auteur de boekendief te spreken krijgt — zodat er een portret van deze man mogelijk wordt. Waaruit dan weer blijkt dat deze oprecht meent geen enkel kwaad te doen. Gilkey heeft het zich in zijn hoofd gehaald een gentleman te worden, met een grote bibliotheek, zoals Britse landheren die hadden. En hij vindt het niet meer dan logisch dat antiquairs hem daarbij helpen vanuit hun overvloed.

Gilkey’s grote droom is het vervolgens om eerste drukken te bezitten van alle honderd titels van die Modern Library-lijst met het beste van de twintigste eeuw.

Zijn tegenpool in het boek, de boekhandelaar, is al even obsessief in het kweken van bewustwording onder medehandelaren dat ze worden bestolen; en dat de overheid daar te weinig tegen doet.

En tot halverwege deze uitgave leverde dit contrast een meeslepend verhaal op. Tot de voortgang wat merkwaardig stokte. En inderdaad leerde de verantwoording mij dat Bartlett eerder een veel kortere versie van deze geschiedenis heeft gepubliceerd; waarmee dit boek dus een aangelengde geschiedenis biedt.

Daarop begon het mij toch te vervelen dat The Man Who Loved Books Too Much enkel op dat ene aspect van boeken inging. Er komen nu eenmaal geen oude boeken bij. Wat er is wordt almaar kostbaarder en daarmee gewilder bij de postzegelverzamelaars.

En wonderlijk wordt dan slechts het gegeven dat internet ons allen bedient. Google Books maakt het mij mogelijk om vanuit huis oude titels in te kijken die voorheen zelfs geen enkele bibliotheek in Nederland beschikbaar had. eBay en andere marktplaatsen online bieden aan boekendieven een ideale afzetmarkt, net als de talloze piraten en oplichters die hebben ontdekt dat het kostbare boek als object grote heblust opwekt bij sommigen.

Allison Hoover Bartlett, The Man Who Loved Books Too Much
The True Story of a Thief, a Detective
and a World of Literary Obsession

275 pagina’s
Riverhead Books 2010, oorspronkelijk 2009

 


Lezen als noodzaak ~ les 4 uit 10 jaar boeklog

Nieuwsgierigheid heeft zijn eigen redenen om te blijven bestaan. Het beste is het om nooit te stoppen met het stellen van vragen. Dit citaat komt bij Einstein weg; al vertaal ik zijn woorden hier nu wat vrij. En het aardige van het quoten of parafraseren van Einstein als autoriteit, is dat niemand het zo maar oneens met hem durft te zijn. [1]

Toch. Wat een kwelling is het om altijd vragen te blijven stellen. Bij alles. En om dan nooit tevreden te zijn met het eerste antwoord — omdat zelfs zo’n antwoord dan weer de vraag oproept of het wel volledig is.

Ik ben helaas nieuwsgierig geboren, en heb me allang tevreden moeten stellen met de constatering dat ik daarom met vele vragen zitten blijf. Heel weinig is zeker, en waarheden zijn wel bijzonder zeldzaam gebleken.

Vandaar misschien dat ik die enkele algemene wet zo koester die onze cultuur ons wel gebracht heeft, zoals de Universele verklaring van de rechten van de mens. Vandaar wellicht dat ik de politici en machthebbers haat die zich in hun blinde kippendrift niets van zulke fundamentele bepalingen aantrekken.

Vandaar dat ik me blijf verbazen over wat mensen in hun onnozelheid durven uit te kramen.

En bij al mijn nieuwsgierigheid moet ik ook constateren slecht bediend te worden, door de professionals die samen ‘de media’ vormen. Die lijken zich vooral bezig te houden met al wat er niet toe doet. Die hebben een eigen wereldbeeld gecreëerd, waarvan vooral opvalt dat het opvallend simpel in stand te houden is. Die maken zo vaak de opinies en levens van mensen belangrijk die op zijn best nietszeggend zijn — terwijl deze mensen doorgaans bij een groot publiek bekend zijn om heel andere redenen dan hun denkkracht.

De neiging om vragen te willen blijven stellen, is dan ook een asociale bezigheid. ‘Not done’. En voor u mij nu verdenkt mij hierover op de borst te kloppen, of me hierom uitverkoren te voelen: ik wil helemaal zo asociaal niet zijn.

Ik zou gewoon passief televisie kunnen willen kijken als ieder ander, of lange series van DVD, zonder me daarbij te ergeren of te vervelen. Om er dan achteraf gewoon met anderen luchtig over te kunnen praten.

In plaats daarvan is gebleken dat mijn nieuwsgierigheid slechts te stillen valt met boeken. Honderden boeken. Duizenden boeken. En boeklog heeft even, tien jaar lang, getoond, wat vervolgens daarbij mijn ideeën waren.

Bracht boeklog hiermee dan niet ook een ode aan het lezen?

Soms, maar lang niet altijd. Vrees ik. Want hoe meer leeservaring ik krijg, des te minder waarde de meeste boeken overhouden. Schrijven is moeilijk. Om nog te zwijgen over hoe moeilijk denken is.

Het lijkt me zelfs vrij onzinnig het lezen heilig te willen verklaren, zoals zo veel auteurs altijd willen doen. Waarbij ze zelfs snobistisch worden over het al dan niet bezitten van een TV. Toch kan geen enkel medium alles.

Boeken blijven de meest ideale informatiedragers ooit bedacht. Voor mij. Ook voor mij. Het zou onzinnig zijn dit te ontkennen. Ideaal zijn daarnaast de infrastructuren die bestaan om mij altijd weer het volgende boek aan te reiken — ongeacht de taal, ongeacht het moment waarop dat verscheen soms zelfs.

Maar zo ik me intellectueel ontwikkeld heb, dan is die ontwikkeling onder meer gepaard gegaan met een steeds grotere wens tot controle.

Het gaat me bij het lezen dus wel om de inhoud van boeken, maar nooit om inhoud alleen. Zelfs mijn lievelingsboek interesseert me slechts matig als het wordt voorgelezen van CD. Audioboeken beluisteren, kost alleen al te veel tijd. Ik lees tien tot twintig keer sneller. Bovendien biedt een papieren boek me de mogelijkheid om zo nodig terug te bladeren, of een hinkstapsprong vooruit te maken als ik even te goed kan voorspellen wat of er komen gaat.

Ik lees boeken, omdat ik de dagelijkse kick nodig heb van nieuwe verhalen. Of van mij onbekende informatie. Of van taal.

Kon televisie me in dezelfde roes brengen, was ik nu een couch potato. Had ik vrienden en bekenden die me telkens zo wisten te verrassen, dan was ik uit hun gezelschap niet weg te slaan. De aanleg tot overmaat en verslaving bestaat. Maar het grote bezwaar tegen bijvoorbeeld TV is dat programmamakers de kijkers dwingen om zich over te geven aan hun verteltempo. Dat tempo ligt mij veel te laag. Bovendien mis ik daarbij de zo gewenste controle.

Die toegenomen drang tot controle gaat dus gepaard met ongeduld bij mij, en ook met de wens dat mijn inspanningen iets opleveren. Het leven is wat te kort voor gebeuzel gebleken. Waarom zou ik bijvoorbeeld dan mijn tijd verdoen met vage Franse filosofie, als die vooral vorm is waarin nauwelijks nog inhoud in onderscheiden kan worden?

Ook romans zonder enig verband met de werkelijkheid, tonen zo bezien een nogal leeg kunstje.

Schrijvers moeten verder niets van mij. Al mogen ze me nooit vervelen.

  1. Voor wie deze woorden bekend voorkomen. Ik heb voor dit tekstje weinig meer gedaan dan twee oude tekstjes licht te wijzigen en aan elkaar te plakken. Zelfplagiaat heet dat tegenwoordig, in academische kringen. Maar dit is geen wetenschappelijke publicatie, noch zijn mijn woorden bedoeld om mij ergens op een citeringsindex te krijgen. []

Geschiedenis van het lezen [2006] ~ Alberto Manguel

Over dit boek ging het eerder hier, al beschreef ik toen een aanmerkelijk bescheidener vormgegeven uitgave. En de klacht was indertijd dat er helaas spierwit glanspapier werd gebruikt voor de Nederlandse versie van Manguel’s A History of Reading; waar hij zelf toch echt van crêmekleurig papier was uitgegaan.

De minste eis die gesteld mag worden aan een boek over lezen lijkt me toch dat het prettig leesbaar is. Glimmend papier helpt dan domweg niet mee.

Deze versie uit 2006 is zelfs nog onhandiger in gebruik. Alleen al omdat de uitgave bijna twee kilo weegt. Is er weer glanspapier gebruikt, wat onhandig leest bij lamplicht. En toch wilde ik dit boek per se hebben indertijd. Niet eens alleen omdat het enorm goedkoop verramsjt werd.

Een geschiedenis van het lezen bevat namelijk zeker zo veel illustraties als tekst. Afbeeldingen in kleur daarbij — anders dan in de versie uit 1999. En een boek met honderden plaatjes van lezende mensen ontbrak nog in mijn bibliotheek.

Ik kan lang naar zulke afbeeldingen kijken — helemaal als het daarbij om schilderijen gaat.

Want, van wie kwam het initiatief om de geportretteerde met een boek af te beelden? Van de schilder? Of was het toch het model.

Zijdelings komen in Een geschiedenis van het lezen overigens ook de histories langs van het boek, en van de bril. Want lezen bederft de ogen, zo weet ieder kind. Of, althans, elke moeder. In mijn jeugd tenminste. En de eerste brillendragers in Europa waren lezers; en daarmee hoogst wijze mensen; in een tijd waarin de bevolking verder grotendeels analfabeet was en boeken nog uit onbetaalbaar handwerk bestonden.

Dus kregen ook de lieden die intelligent wilden overkomen op schilderijen al gauw eens een bril opgezet.

Aan de afbeeldingen van lezers viel me op dat deze zo vaak geconcentreerd leken op het lezen zelve. Wat ze daarmee al gauw een bedachtzame blik geeft. Er wordt nogal weinig gelachen.

Maar misschien horen die twee zaken in de beeldende kunst dus wel bij elkaar. Simpelweg. Met boek komt ernst. Iconologie hoeft niet zo heel moeilijk te zijn.

Gelukkig heb ik overigens geen idee hoe ik zelf bij het lezen kijk. Evenmin is daar nu nieuwsgierigheid naar gegroeid.

Enkel van activiteiten als tekenen is me bekend dat de handeling gauw eens de blik beïnvloedt — tekenaars die in hun werk een bepaalde gelaatsuitdrukking willen treffen, doen deze onbewust na met hun eigen mimiek. Dat is altijd leuk om te observeren.

Alberto Manguel bleek ook bij tweede lezing goed te verteren. Ditmaal vertelde hij me alleen bijna geen nieuws. En ik blijf bij mijn eerste oordeel dat er meer aandacht had moeten worden gegeven aan verboden boeken. Maar het lukte hem toch fraai om zijn persoonlijke leesgeschiedenis te mengen met die van het schrift in het algemeen, en die van het boek in het bijzonder.

Bleek Manguel ook nog een van mensen te zijn die Jorge Luis Borges heeft voorgelezen — net als bijvoorbeeld Paul Theroux. Wat eventueel nog een interessante opgave oplevert voor een boekencollectioneur. Wie verzamelt alle werken waarin een schrijver vertelt over het voorlezen aan de blinde Borges — en wat zij daarvan opstaken? Dat zou een bundel teksten opleveren die ik wel lezen wil.

Ik leerde snel dat lezen een cumulatieve bezigheid is en als een meetkundige reeks in zijn werk gaat: elk boek dat je leest, bouwt voort op wat de lezer eerder heeft gelezen. In het begin had ik een vooropgezette mening over de verhalen die Borges voor me had gekozen — dat het proza van Kipling bombastisch zou zijn, dat van Stevenson kinderlijk, dat van Joyce onbegrijpelijk — maar al heel gauw moest mijn vooroordeel wijken voor de ervaring, en de ontdekking van het ene verhaal maakte dat ik uitkeek naar een ander, en dat werd op zijn beurt weer verrijkt door de herinnering aan de reacties van zowel Borges als mezelf. [58]

Bij gebrek aan een terugpratende Borges thuis heb ik mijzelf daarom maar boeklog geschapen, besef ik nu; na bijna tien jaar.

[ is vervolgd ]

Alberto Manguel, Een geschiedenis van het lezen
621 pagina’s
Ambo, 2006
vertaling door Tinke Davids van A History of Reading, 1996

History of Reading ~ Steven Roger Fischer

Lees kort op elkaar twee boeken over precies hetzelfde onderwerp, en over beide valt beter te oordelen.

Blijkt de historie van het boek, of het lezen, ook nog allereerst een ‘en toen en toen’ geschiedenis op te leveren. Met ontwikkelingen die telkens schijnbaar logisch elkaar op lijken te volgen.

Want wie geen eigen onderzoek gaat doen, baseert zich al snel op precies dezelfde bronnen of secundaire literatuur. En dan hangt het vervolgens van het temperament af van de auteur wat die daar als voornaamste feiten uit overneemt, heel eigen interpretaties van de gebeurtenissen zijn al haast niet te geven.

Is dat tweede boek dus aanzienlijk sneller uit; vanwege de talrijke overlappingen met het eerste.

Fischer lijkt voor zijn History of Reading overigens goed gekeken te hebben naar Alberto Manguel’s History of Reading. Manguel wordt weleens geciteerd. En ook is een lang citaat over lezen van een derde auteur in beide boeken weleens precies hetzelfde. Toch liet Steven Roger Fischer ook zien dat het boek van de ander soms opvallende eigen keuzes heeft; die als lacunes kunnen overkomen.

Zo gaat Fischer’s geschiedenis dieper terug, en biedt hij ook een overzicht van hoe het lezen zich elders ontwikkelde — zoals daar waar men voor het lezen en schrijven een tekentaal benut, en niet ons zo veel handiger alfabet.

Bovendien betrekt hij ook andere ontwikkelingen in zijn verhaal. Voor Fischer is het bijvoorbeeld geen toeval dat de rijkste landen in de zeventiende en achttiende eeuw de regio’s zijn met het hoogste percentage geletterden. Elders hield de kerk de bevolking het liefst dom en gehoorzaam, als de landheren er die functie al niet hadden.

En ik weet dan nooit zo stellig zeker wat er eerst was, de rijkdom of die geletterdheid — andersom kan het namelijk ook zijn dat meer mensen lezen leerden in de landen waar er het geld was om onderwijs voor velen te betalen.

Dat sommige verschijnselen opvallend gelijk opgaan, lijkt me een minder omstreden constatering.

Belangrijkste verbazing bij het lezen over lezen blijft overigens toch altijd weer dat niet iedereen doet als ik.

Ik staar uren zwijgend naar reeksen donkere kriebeltjes op een lichte achtergrond, en zit dan al deze tijd blij te hallucineren. Levert deze trip me doorgaans nog wat op ook.

Maar in de geschiedenis van het schrift is zulk stillezen een rare en betrekkelijk recente gewoonte. Klassieke Griekse en Romeinse teksten werden geschreven op het oor, om voorgedragen te worden — en niet zelden gebeurde dit voorlezen door een slaaf. De gesproken boeken van nu lijken dus niets nieuws. Toch verklaart dit gegeven wel waarom audioboeken voor mij niet werken, weinig boekteksten zullen nu nog geschreven zijn om zo irritant langzaam hardop te worden voorgelezen.

Bovendien neem ik veel meer gegevens waar met het oog dan door het oor.

Omgekeerd valt het me trouwens ook bijna meteen op als het een lezing is die ik lees. Aan zulke teksten klopt voor het oog dan weer iets niet.

Fischer durfde zich niet echt aan toekomstvoorspellingen te wagen, aan het eind gekomen van zijn History of Reading. Al nam hij wel met enige zorg waar dat mensen tegenwoordig hele dagen naar schermen staarden, en niet in een boek. In plaats daarvan gaat hij nog vrij diep in op de problemen die bij het lezen kunnen optreden.

Engels is door de vreemde spelling veel moeilijker aan te leren dan de meeste andere talen in Europa. Staat zelfs het Nederlands en Duits nog weer op achterstand ten opzichte van de veel eenvoudiger te begrijpen spelling van het Italiaans of Spaans. De medeklinkers clusteren nogal hinderlijk in onze taal, voor beginnende lezertjes.

En dat uitstapje naar die leesproblemen maakte A History of Reading ook net dat tikje rijker dan het doorsnee geschiedenisboek. Want juist dat gesignaleerd wordt dat mensen ergens problemen mee kunnen hebben, en er vervolgens zelfs namen voor de moeilijkheden bestaan — als dyslexie — illustreert op net weer een andere manier het maatschappelijk belang dat gehecht wordt aan iets.

Steven Roger Fischer, A History of Reading
384 pagina’s
Reakton Books 2005, oorspronkelijk 2003

One for the Books ~ Joe Queenan

Is lezen een drug?

En mocht dat zo zijn, wat maakt dit mijn boeklog dan?

De stelling dat lezen een roesmiddel is, wordt vrijwel meteen geponeerd in One for the Books, van Joe Queenan. En misschien moest hij dit ook wel doen. Queenan leest ruim honderd boeken per jaar. Dat is niet direct een aantal waar ik van schrik. Alleen leest de doorsnee Amerikaan slechts vier boeken in datzelfde jaar. Dus wordt het zo bezien ineens de auteur die opvallend afwijkend gedrag vertoont.

En dat moest dan blijkbaar verdedigd worden.

Leest Joe Queenan ook nog vrijwel alleen romans.

Hij meldt daarover ooit zo obsessief met lezen te zijn begonnen om aan de werkelijkheid te kunnen ontsnappen. En Queenan is zelfs overtuigd dat dit de belangrijkste reden van mensen überhaupt is om te lezen. De wereld die in boeken wordt opgeroepen, is een betere dan die waarin wij op dit moment verkeren.

En daarmee deed de schrijver direct allemaal uitspraken die ingaan tegen mijn ideeën over het onderwerp.

Want gaan romans niet veelal over levens waarvan de lezer blij is die niet te hoeven doorstaan?

Verder ben ik boeklog ooit mede begonnen om te onderzoeken of ik nog wel romans slikken kon. Mijn lezen leek toch vooral nog te bestaan uit een poging de werkelijkheid beter te leren begrijpen, door te onderzoeken wat anderen daar zoal over geschreven hadden; in hun non-fictie.

Toegegeven, dit komt inderdaad voort uit onvrede met veel van wat er plaatsvindt.

Geef ik onmiddellijk ook toe dat het wellicht vreemd is om heel veel te lezen — de maatschappij waarin ik leef, lijkt daar in elk geval weinig mee te kunnen.

Maar ik zie boeken misschien toch allereerst als ontmoetingen met gesprekspartners, die daarin dan bovendien op hun intelligentst zijn; omdat de makers eindeloos aan het betoog hebben kunnen schaven. Wat vervolgens dus maakt dat een slecht boek als een persoonlijke belediging kan voelen. Heb ik de auteur alle ruimte en tijd geboden om het woord tot mij te richten, komt er vervolgens niets dat de moeite van het lezen waard was.

One for the Books loonde overigens wel de moeite. Queenan schreef met dit boek allereerst een amusante biografie van een lezer. Die er vervolgens niet op toegespitst was om zijn leefgeschiedenis — of leesgeschiedenis — alleen te geven. Hij probeert in het boek toch vooral ook uitspraken te doen van een algemenere aard over dat lezen.

Alleen ben ik het daar vervolgens dus niet altijd mee eens. Achteraf. Als ik me uit de betovering van Queenan’s betoog heb losgewrikt.

Tegelijk staan er tientallen uitspraken over lezen in dit boek die wel degelijk ook voor mij gelden. Over hoe vreselijk het bijvoorbeeld is als anderen, zoals de media, ons ineens éen boek door de strot proberen te drukken.

I still cannot understand how one human being could ask another human being to read Look Homeward, Angel and then expect to remain on speaking terms. […][17]

Lezen blijft nu eenmaal een hoogst persoonlijk avontuur.

Of over hoe het mogelijk is om zeker een dozijn aan verschillende boeken tegelijk te lezen. Mede omdat zo weinig uitgaven de moeite waard zijn om in éen zitting door te nemen.

[…] books usually begin like a house on fire but then cool off around page seventy. Some cool off even earlier. [61]

Boeklog werd ooit mede begonnen om me eindelijk eens te dwingen boeken uit te lezen. En nu ik niet meer de dagelijkse plicht voel om op te schrijven wat ik las, is meteen ook die slechte gewoonte terug. De meeste boeken die tegenwoordig mijn huis binnen komen, blijven half gelezen. Als het al zo ver komt.

One for the Books was wel zo uit. En Queenan maakte me met deze uitgave bovendien licht jaloers. Al mijn ervaringen met dat lezen zullen nooit meer tot een eigen boek hoeven te leiden. Want een amusantere versie van dat boek bestaat dus al.

Joe Queenan, One for the Books
245 pagina’s
Viking, 2012

Vluchtigheid van literatuur ~ H. Verdaasdonk

Ook in de jaren tachtig werd er al ernstig gesomberd over de toekomst van de literatuur. Terwijl ze toen nét kabeltelevisie hadden — al het andere vermaak dat tegenwoordig thuis zo makkelijk de lege uren vullen kan, moest nog worden uitgevonden.

Ik ben mede daarom geneigd om zulk een cultuurpessimisme te zien als een sociaal mechanisme dat heel goed kan bestaan zonder dat daar per se grond voor hoeft te zijn.

Want, steek iets flink de hoogte in, benoem het daarbij als onmisbaar, en elke klager over de teloorgang van dat hoge krijgt ook iets aan status mee. Zij het dan dat dit enkel status zal zijn onder de bevolkingsgroepen met vergelijkbare waarden.

Bewijzen van de achteruitgang worden namelijk bijna nooit gevraagd. Het is allereerst de emotie die telt.

In het essay De vluchtigheid van literatuur verwerkte H. Verdaasdonk ogenschijnlijk nogal wat cijfermateriaal over de boekenmarkt in Nederland dertig jaar terug. Daaruit bleek onder meer dat in 1987 ‘de hoogste welstandsklasse’ per huishouden ongeveer 12 boeken aanschafte per jaar, tegen gemiddeld ƒ 21,20 per stuk [1]. Bij andere welstandklassen lag dat getal duidelijk lager.

Zijn tekst is duidelijk een plaatsbepaling in de tijd, want meer dan een momentopname van de boekenmarkt dan biedt de schrijver met dit cijfermateriaal niet. Cijfers uit eerdere perioden ontbreken — ook omdat die er blijkbaar niet waren. Structurele belangstelling voor het leesgedrag van de Nederlander schijnt er ook pas in de jaren tachtig te zijn gekomen — wellicht omdat men meende dat er iets te veranderen stond.

Ook Verdaasdonk begint zijn tekst met het signalement dat er nogal gesomberd wordt over de toekomst van de literatuur.

Het interessantst aan deze tekst is dat de auteur vervolgens in kaart probeerde te brengen wat boekenliefhebbers onderscheid van andere mensen. Zo is éen van zijn stellingen dat het behoorlijk wat tijd kost om vertrouwd te raken met literatuur — er moet eerst heel wat gelezen zijn, voor het iemand mogelijk wordt om op eigen kracht verstandige keuzes te maken uit het beschikbare boekenaanbod.

Verdaasdonk stelt ook dat boekrecensies in die zin een heel beperkte gidswaarde hebben. Recensenten kiezen er al gauw voor om nieuw werk te bespreken van auteurs die zich al bewezen hebben.

Waarmee heel het betoog van de schrijver inderdaad al staat samengevat in de titel. Een literair boek is doorgaans slechts even in de handel, moet dan ook net worden opgemerkt door lezers, en wordt daarop al gauw vergeten.

Op de schaarse uitzondering na dan die bestseller wordt, of door een bestseller-auteur is geschreven.

Ik las dit inmiddels op vele punten door de tijd achterhaalde essay om mijn eigen gedachten aan te scherpen over literatuur. Omdat mij toch ook de robuustheid opvalt die kleeft aan dit type boeken.

Want talloze malen ben ik teleurgesteld door een dichtbundel of roman. Vooral debutanten lijken op het moment met wel erg onvoldragen werkjes op de markt te verschijnen. De uitgevers brengen dus veel te veel uit, meer dan ooit welhaast, voor een krimpende markt — alles in de hoop dat er éen twee boeken aanslaan bij een groot publiek, die dan de rest van de bedrijfsvoering kunnen bekostigen. Een ander zakenmodel lijkt er nog altijd niet te zijn.

Is er bovendien het probleem bij romans dat ik bijna nooit meer blij verrast word. Auteurs lijken veelal vormen en verhalen te kiezen die al talloze malen eerder werden gedaan.

En toch is er dan een ‘en toch’.

Nog altijd sla ik elk literair boek volkomen onbevooroordeeld open. Klaar om verrast te worden.

En dat die onbevangenheid blijft, ondanks alle gemelde teleurstellingen, toont mij het meest aan over de potentiële kracht van woorden.

H. Verdaasdonk, De vluchtigheid van literatuur
Het verwerven van boeken als vorm van cultureel gedrag

60 pagina’s
Uitgeverij Bert Bakker, 1989
  1. een kleine tien euro in hedendaags geld, ongecorrigeerd voor inflatie []

Zij zijn niet van Jeremia ~ Marc Kregting

Hier ruim elf jaar lang schrijven over wat ik net las, maakte van mij een andere lezer. Eentje die wat beter begrijpt waarop zijn oordelen gebaseerd zijn — ook al wijken die soms behoorlijk af van de algemene smaak.

In 2005 bijvoorbeeld had ik nog de bevestiging nodig van een uittredend criticus dat mevrouw Connie Palmen toch echt niet schrijven kan. Omdat haar hoge status in het wereldje me altijd zo had bevreemd. In 2016 kijk ik er evenwel niet meer van op dat ze genomineerd werd voor éen van die gesponsorde literaire prijzen. Weliswaar kan Palmen nog altijd niet schrijven. Wat ze maakt heeft poeha en verkoopt enorm. En dat zijn twee eigenschappen die haar vrijwel direct immuun maken voor een objectievere weging door de kritiek.

Ook heb ik hier meer dan eens moeten constateren dat er te veel boeken verschijnen in Nederland. En dat me onbegrijpelijk is waarom. Het schaarse wel gelukte boek verdwijnt zo makkelijk uit zicht in de overvloed aan misbaksels en hoogstens halfgeslaagde publicaties.

Ondertussen heeft het schotschrift Zij zijn niet van Jeremia mij uitputtend geïnformeerd over de markt voor bellettrie in Nederland en België. In dit boek kijkt Marc Kregting [1965] met afschuw terug op de korte tijd dat hij redacteur was bij uitgeverij Meulenhoff. Als romanticus stapte deze schrijver even de andere kant van het boekenvak in, om dit als cynicus weer te verlaten. Het was hem te slecht bevallen wat hij zoal had gezien.

Kregting was er vooraf vanuit gegaan schrijvers te zullen begeleiden. Om samen boeken te gaan maken, wikkend over elk woord, werkend aan iets moois. En toen bleek hij in de praktijk helemaal geen tijd te hebben om zo langzaam te mogen lezen. Het echte leeswerk van de manuscripten werd bovendien gedaan door goedkope freelancers van buiten de uitgeverij.

Had hij bovendien totaal verkeerd gezien dat auteurs wel dankbaar zouden reageren op de op- en aanmerkingen over hun werk.

Het is een ongeschreven wet dat de mate van ambachtelijkheid bij de auteur evenredig is aan zijn vermogen kritiek te incasseren. [48]

Nee, veel belangrijker aan het redacteursvak dan het begeleiden van schrijvers is volgens Kregting het netwerken. Waarbij het er om gaat goede auteurs en boeken voor de uitgeverij te verwerven, terwijl er anderzijds van alles aan moet worden gedaan om de reputatie van het fonds te vergroten. Publiciteit is daarbij het doel. Als daartoe toonaangevende critici gepaaid moeten worden, dan zij dit zo. Geef een bundeltje van hun recensies uit, zet daar ronkend ‘essays’ op, en zulke lieden zijn daarmee heel goedkoop tevreden te stellen.

Besprekingen zijn als sigaretten: niet-verslaafden voelen de drang niet. Voor de uitgevers is de nicotine in een kritiek Het Oordeel, waaruit ten bewijze van het ‘veelgeprezen’ geciteerd moet. En inderdaad schijnen critici eens in het kwartaal ‘het beste boek sinds jaren’ te lezen. Toch bestaat er altijd kans op ruis in de overdracht van het uitgeversalfabet. Te allen tijde moet de Eerste Recensent met handschoentjes aan behandeld worden, temeer daar hij doorgaans in een jury zit of zal zitten. […] [54]

Zij zijn niet van Jeremia dateert uit 2004, toen tal van boekenuitgeverijen nog deel uitmaakten van grote krantenconcerns; en daarbij nogal te lijden hadden onder alle problemen bij de dagbladen. Inmiddels bestaan concerns als PCM ook al niet meer. Dit lijkt me het enige punt waarop dit pamflet door de tijd achterhaald is geraakt. Want de uitgeefpraktijk op zich lijkt me ondertussen niet wezenlijk veranderd.

Kregting geeft achterin in dit boek een reeks aanbevelingen; zoals om het tal uit te geven titels te halveren, vooral aan romans; opdat de boeken die wel uitgegeven worden tenminste zorgvuldige publicaties zijn. Daartoe zijn dan ook twee keer zo veel redacteuren en correctoren nodig, om typ- en stijlfouten beter te kunnen weren — iets aan romanticus is deze auteur dus wel gebleven; want wie betaalt dat dan?

Hij zou graag zien dat uitgevers zich weer over het land verspreiden, en niet allemaal in de grachtengordel clusteren; zodat ze tenminste een eigen toon krijgen.

En hij stelt verder onder meer dat recensenten dit beroep niet langer dan vijf jaar zouden mogen uitoefenen. Om de doorstroming. Zodat niet telkens de mening van dezelfden de algemene opinie blijft kleuren.

En dan ben ik blij dit boek te hebben gelezen — vooral omdat me nu veel meer duidelijk is over waarom er zo veel verschijnt zonder waarde — alleen blijft er dan toch éen constatering pijnlijk staan: Een lezer heeft alles over de boekenwereld zelf maar uit te vinden. En wie komt ooit zo ver?

Marc Kregting, Zij zijn niet van Jeremia
Non-ficties

112 pagina’s
Vantilt, 2004

Boek en het badwater ~ Lisa Kuitert

De kwaliteit van een tekst kan merkwaardig genoeg nogal afhangen van de timing van de openbaarmaking. En het minste dat ik aan te merken heb op Het boek en het badwater is dat de publicatie me rijkelijk vroeg lijkt te komen. Zo is deze lofzang op het papieren boek me veel te eenzijdig benauwd.

Want hoelang leest de goegemeente nu helemaal van een scherm? Sinds de uitvinding van de iPad, en de daarop volgende hausse van tablet-computers? Dat is dan sinds 2010… Zes jaar op zijn best. Dus lijken me dat de ontwikkelingen die spelen nog amper begonnen zijn, laat staan al te zijn uitgekristalliseerd.

Ja, vanzelfsprekend waren er eerder ook losse schermen om van te lezen. eReaders genaamd. Een heel groot marktaandeel wisten deze apparaten hier alleen nooit te veroveren. Want waarom zou iemand ook een apparaat aanschaffen om daar enkel boeken van te lezen, terwijl er nog amper een infrastructuur was die deze titels verspreidde?

Ik geef toe, ik heb de wat bizarre neiging om ontwikkelingen altijd in een perspectief te willen zien. En Lisa Kuitert’s boek leest zo vreemd omdat zij het nu juist nalaat om de echt grote lijnen te schetsen — enkel komt er herhaald iets terug over de geschiedenis van het papieren boek. Alleen las ik daar al veel van dezelfde auteurs over als zij.

En Popper en andere wetenschapsfilosofen hebben vergeefs geleefd, voor Kuitert. Al wat zij doet in haar stukken is bewijsjes bijeengaren die haar het beste dienen. Terwijl ál dat bewijs voor niets zegt, als niet eens onderzocht is of er soms bewijs bestaat tegen haar bangste vermoedens.

De schrijver focust ook te zeer op het papieren boek alleen. En te veel in deze publicatie zit te zeer vast in het nu, en onderzoek van het moment. Ofwel, Het boek en het badwater mist relativering. En daarmee de echt nuttige inzichten.

Cultuurpessimisme heeft daarnaast als groot probleem dat de pessimist van dienst zo makkelijk een verleden kan beschrijven en verheerlijken dat nooit zo bestaan heeft. En Kuitert deed ook al niets om dit principe te ontkrachten.

Uitgeven kost tegenwoordig bijvoorbeeld minder dan ooit, om een heleboel verschillende redenen. Kuitert negeert al dit. Uitgevers gooien mede daarom veel meer op de markt dan hoeft, of zou moeten, ook al vanwege een merkwaardig gebrek, nog altijd, aan goede zakenmodellen.

Verder geldt, de geschiedenis van het papieren boek in Nederland lijkt me al niet te schrijven, vanwege een schrijnend gebrek aan inzichtelijk onderzoek. Belangstelling voor het onderwerp ontstond pas in de jaren tachtig van de twintigste eeuw. En hoogstens kan achteraf met heel veel moeite nog worden bepaald hoeveel originele titels er uitgekomen zijn in een jaar. En wat daarin dan het percentage literatuur was.

Maar alle uitgevers die ik sprak waren het erover eens dat heel veel boeken die verkocht werden de afgelopen decennia, waarschijnlijk nooit gelezen zijn. Het papieren boek was namelijk altijd zo’n leuk cadeau-artikel. Niet te duur. Intelligent zelfs, als dat je wens was. En je kun er zo leuk mee tonen de ontvanger voor vol aan te zien.

Verkoopcijfers zeggen daarmee lang niet alles. En de cijfers van de boekenverkoop moeten daarom zeker gewogen worden in een groter geheel der dingen: van wat gaven mensen in een zeker jaar aan luxegoederen uit, zoals geschenken? Toevallig valt de terugloop in het tal verkochte boeken nu dan ineens opvallend samen met een economische crisis.

Alle getob over de ontlezing van het moment valt of staat met de kennis over hoe we decennia geleden lazen. En daarover bestaat volgens mij enkel anekdotisch bewijs — zoals dat ik meen dat voor Saul Bellow en diens generatie taal en daarmee boeken een andere waarde hadden dan voor ons; alleen leefden zij in een hevige economische crisis waarin er voor hen ook werkelijk niets anders was.

Ik ben doorgaans niet van de voorspellingen, en al helemaal niet op het gebied van ICT, toch zou het me niet verbazen dat ook de boekenwereld de komende tien jaar een vergelijkbare zuivering doormaakt als er al is geweest in andere media- en entertainmentkanalen. Want ooit was ook daar slechts éen product leverbaar, waarover de leverancier alles bepaalde, en de klant slechts had te accepteren. En vervolgens bracht nieuwe technologie ineens wel een keuzevrijheid in.

Dat wrikte dan. Ontwrichtte zelfs.

Toen bleek ineens dat vrijwel alleen bejaarden nog naar de publieke omroep keken op het moment van uitzending, zoals naar Sesamstraat. Of dat jongeren het niet meer vanzelfsprekend achten om een krantenabonnementen te nemen. Of dat diensten die muziek naar keuze per stroom aanbieden al snel meer omzet maakten dan de verkopers van CD’s of DVD’s.

Van nogal wat soorten boeken lijkt me kortom dat die ooit toevallig even het best gedrukt op papier konden worden uitgegeven — voor een eeuw of wat. En ondertussen is van de encyclopedie absoluut duidelijk dat die online veel makkelijker actueel gehouden kan worden dan die op papier, en van vele andere genres en typen teksten zal een vergelijkbaar gebrek aan houdbaarheid nog wel blijken.

De Saskia Noorts van deze wereld hebben daarom nog even heel aardig aan hun boeken mogen verdienen. Haar teksten werden tot nu toe alleen wel op een traditionele en dure manier op de markt gebracht. Het e-boek, en de illegale kopieën daarvan in omloop, maakt nu tenminste duidelijk wat het publiek echt over heeft voor zulk hap-slik-weg-materiaal. Dat lijkt me geen ramp voor de cultuur als geheel, hoogstens voor Noort persoonlijk.

Ik heb toch ook het idee dat veel van de crisisstemming over het papieren boek wegkomt bij de uitgevers. Die nooit beter wisten dan om kookboeken uit te geven, of Saskia Noort en haar soort, voor de omzet. En die nu ineens moeten innoveren. Maar dit niet kunnen.

Lisa Kuitert heeft het in Het boek en het badwater dan wel telkens over boeken; volgens mij bedoelt ze daar toch echt allereerst literatuur mee. Haar boek werd samengesteld uit ergernis, omdat het papieren boek haar nu al te makkelijk werd afgeschreven. En vervolgens ontbrak me de grote greep op de materie, en een heldere betooglijn; ook al omdat de inhoud bestaat uit losstaand materiaal dat ze al eens eerder gebruikte elders.

Bleef het leesgenot dus helaas beperkt tot een aardige constatering van Kuitert hier en daar:

Volgens Parks hebben we simpelweg minder behoefte aan fictie en daardoor lezen we meer non-fictie. Fictie heeft lange tijd gefungeerd als uitlaatklep, om taboes mee te slechten. Wat in het werkelijke leven niet kan of mag, vindt via de verbeelding zijn uitweg. Maar in het werkelijk leven zijn er amper taboes meer–een levensdagboek zoals dat van Karl Ove Knausgård zou tweehonderd jaar geleden levensgevaarlijk zijn geweest om te publiceren. [130]

Lisa Kuitert, Het boek en het badwater
De betekenis van papieren boeken

186 pagina’s
Amsterdam University Press, 2015

Kus me, straf me ~ Marja Pruis

Na een paar weken lang vooral oude mannen gelezen te hebben, waarvan de meeste nogal een ego bezaten bovendien, dwong zich toch de vraag op of ik deze schrijvers bewust had uitgekozen.

Nu hoef ik hier, op boeklog, niets of niemand anders te representeren dan het lezende deel van mijzelf. Dat dan ook nog eens het liefst herleest. En onder al die duizenden titels eerder in mijn leven zijn het blijkbaar de boeken van goedbeschouwd nogal enge mannen die me het meest blijven intrigeren.

Ik herlees dan ook telkens lievelingsboeken; met het gevaar flirtend ze al doende te vernietigen.

En daar kleeft dus ook aan dat ik al die door mij tot autoriteit benoemde schrijvers opnieuw wil kunnen beoordelen.

Kan het me toch plagen zo veel minder vrouwelijke auteurs lijk te lezen dan mannen. Al is dat niet eens het enige probleem. Ik zou ook best meer Duits willen lezen — welke Duitstalige vrouwen zijn daarom interessant? — en meer Vlamingen v/m. En tegelijk is me al even duidelijk dat mijn vrije lezen slechts gedeeltelijk te sturen is. Een bedacht leesproject van een maandje lukt nog wel. Langer wil domweg niet. Langer wordt werk.

Niettemin, ik lees nu grof geschat éen boek van een vrouw uit voor elke vier à vijf boeken van mannen. En terwijl dit waarschijnlijk niet door een vooroordeel komt, heb ik geen andere goede verklaring paraat voor dit verschijnsel. Waarmee het dus wel iets is dat ik eindelijk eens zou horen te onderzoeken.

Tot het rijtje auteurs dat ik zonder meer hoog heb, hoort Marja Pruis. Zij het dat die bewondering dan allereerst geldt voor haar stukken in de Groene Amsterdammer. Er is geen professioneel lezer — man of vrouw, dood of levend — die ik momenteel net zo blind durf te vertrouwen op haar oordelen over boeken. Wat dan onder meer komt omdat ze niet alleen over Nederlandse titels schrijft van Nederlandse auteurs.

Haar bundel Kus me, straf me bevat alleen dan wel elementen waar ik als lezer niets mee kon. Pruis schrijft naast de kritieken ook romans. En in deze bundel zijn naast de beschouwende teksten over literatuur eveneens enkele korte verhalen opgenomen van haar. Omdat de fictie de beschouwing zou aanvullen, en omgekeerd. Maar laat ik zulke hybride boeken nu net niet goed lusten. Wat een principieel probleem is overigens. In dikke boeken over kunst kijk ik de plaatjes, en worden de essays overgeslagen. Dick Hillenius voegde in zijn boeken gedichten toe tussen zijn essays, en op die plaats kon ik daar niets mee. Daartoe moesten ze eerst in éen band verzameld worden. Al is zelfs dat nog geen garantie. Het lukte me bijvoorbeeld nooit om éen verhalenbundel uit te lezen van Joseph Epstein, terwijl diens essays me zelden teleurgesteld hebben.

Dus heb ik de vrijheid genomen om de verhalen in Kus me, straf me over te slaan, voor nu.

Bleef er nog genoeg te lezen over, en daarmee om over na te denken. Al was het alleen al over wat Marja Pruis te melden heeft over vrouwelijke auteurs en hun positie in het literaire pantheon.

Wij lezers zijn volgens mij geneigd een tekst anders te waarderen al naar gelang een man of een vrouw de pen voert. Niet voor niets hebben vrouwelijke auteurs door de eeuwen heen de vluchtroute gezocht via een sekseneutraal of een mannelijk pseudoniem. De keren dat het andersom gebeurde, dus dat een mannelijk auteur zich met een vrouwelijk pseudoniem tooide, was dat uit parodiërende of commerciële motieven. Nooit omdat hij nu eindelijk eens gelezen wilde worden om wat hij waard was.

Was, als lezer, zoals altijd ook interessant om te zien wat Marja Pruis over haar persoonlijke leesgeschiedenis opmerkt.

Inmiddels ben ik een ongeduldige lezer. […]

En haar conclusie kan niet vaak genoeg herhaald worden dat er geen enkele consensus bestaat onder professionele lezers wat nu een geslaagde roman mag heten. Waardoor de jubelzang in recensies over het zoveelste meesterwerk van dit jaar nogal kan bevreemden.

Misschien heeft het te maken met mijn ‘innerlijke bibliotheek’, een term afkomstig uit Hoe te praten over boeken die je niet hebt gelezen van de Franse literatuurprofessor Pierre Bayard. Als we het over een boek hebben, aldus Bayard, dan gaat het nooit alleen over dat ene boek, maar altijd meteen via dat ene boek over alles wat we gelezen hebben, al die boeken die ooit een diepe indruk maakten en die we sindsdien met ons meedragen, koesterend en wel. Die boeken maken ons tot wat we zijn, en kunnen niet worden aangevallen zonder dat wij ons gekwetst voelen in het diepst van ons wezen.

Zulke passages als die hierboven tekende ik onder meer aan, omdat ze mij ook weer iets nieuws leerden over dit boeklog — zoals dat de website mij nu juist dwingt om alle boeken van een schrijver op te zoeken als hij of zij een paar geslaagde heeft gemaakt; alleen al om het hier niet telkens over dezelfde titel te hoeven hebben die weer eens werd herlezen.

Is dat bewust herlezen van oude favorieten door mij dus ook een vorm van permanent zelfonderzoek — al gaat het mij er daarbij eerder om dat oordelen zo toevallig kunnen uitpakken; vaak te maken kunnen hebben met omstandigheden van buiten een boek.

Maar zulke ontdekkingen zijn alleen te doen als een schrijver het zware werk al gedaan heeft; als zij in detail heeft geschreven over hoe zij leest. Waardoor plots ook ineens opvalt hoe zeldzaam het is door iemand dit proces, dat al met de keuze begint welk boek dan te lezen, geconcretiseerd te zien worden; om er zo meer greep op te krijgen; en het begrijpelijk te maken voor anderen.

Marja Pruis, Kus me, straf me
Over lezen en schrijven, liefde en verraad

283 pagina’s
Nijgh & Van Ditmar, 2011

Tolstoy and the Purple Chair ~ Nina Sankovitch

Zoals elk boek een spiegel is, die allereerst weerkaatst wie of wat er in kijkt, zo ook leest ieder mens om eigen drijfveren.

Dit geldt zelfs voor degenen die vervolgens iets met het gelezene doen, en hun impressies daarover vastleggen, nee, soms zelfs online publiceren.

Boeklog bestaat nog altijd, en zal dat voorlopig blijven doen, om een tal heel verschillende redenen. Dat lezen van mij is een verslaving. Ik heb domweg boeken nodig. Iedere dag weer. En ook dat schrijven achteraf is na 12½ jaar een te vaste gewoonte geworden. Ik ben veel te benieuwd naar wat er hier precies over het gelezene gezegd gaat worden. Want voor het boeklogje er staat, is dat aspect namelijk diffuus.

En goed, dan lukt het me niet altijd om mijzelf met mijn eigen zinnen te verrassen.

Eigenlijk nooit.

Alleen kan het gebeuren dat ik jaren later wel ineens blij verwonderd ben over wat op boeklog werd vastgelegd. En dat is daarmee het mooie van zo’n eeuwig in beweging blijvende verzameling tekstjes in een database. Voor mij althans.

Zij ook nog opgemerkt dat ik vaak boeken lees om de wereld binnen te laten — de nieuwsmedia zijn me te hijgerig en vrijblijvend; die brengen ook te veel opinie en te weinig harde feiten. En daar heb ik niets aan. Dus volg ik het dagelijkse nieuws op de alleroppervlakkigste manier mogelijk. Om te merken dat me daarbij nog altijd meer opvalt dan de meesten; de vloek van de oud-journalist.

Nina Sankovitch leest juist om de wereld buiten te sluiten. Boeken, de woorden van anderen, moeten haar dan helpen te ontsnappen aan de waan van alledag. En lezen kan daarbij werken als therapie.

Haar Tolstoy and the Purple Chair gaat over haar zevenenveertigste levensjaar — een jaar dat begon in de herfst van 2008, toen ze zich bewust uit de wereld probeerde terug te trekken, door elke dag een boek te gaan lezen. Vond ze bovendien dat ze zo’n boek meteen na lezing moest recenseren.

Deze uitgave is dan ook het boek bij een website.

En goed, dan heeft ze ook nog een gezin, met vier zoons, en zelfs een stiefdochter uit een eerder huwelijk van haar man, die weer thuis kwam wonen na een mislukte avontuur in Londen. Praktisch gezien bleven er daarmee gemiddeld zes uur op een dag over om te lezen en te recenseren — waarbij ze aanvankelijk zeker twee uur uittrok voor dat schrijven. [1]

Tolstoy and the Purple Chair is alleen veeleer een wijdlopige autobiografie en familiegeschiedenis dan een boek om gericht leestips aan te ontlenen. De schrijfster gebruikt wat ze las allereerst om iets te verwoorden over wat er in haar eigen leven plaatsvond.

En dat kan ook goed trouwens, om het bestaan van haar site met besprekingen.

De oudste zus van Nina Sankovitch overleed jong aan kanker, en die dood had de auteur nog altijd niet verwerkt als ze haar leesproject begint. Ook al omdat ze zichzelf voorbij gehold was in de drie jaar nadien; in een drang om het verlies te compenseren, van de zus die haar zo zeer mee heeft gevormd.

Dat jaar van het magische lezen werd daarmee als een rustige sanatoriumkuur voor haar, zoals haar vader ooit volgde tegen TB, waarin andermans woorden vaak balsemend werkten.

En toen de kuur voorbij was, pakte de patiënte haar normale leven weer op. Gekalmeerd. En gelouterd.

Als dit boek dus iets wil, dan toch wel tonen dat het lonen kan om pauze te nemen uit het bestaan, en bijvoorbeeld lezen voor even het belangrijkste te laten zijn dat er bestaat. Hoeft dat waarschijnlijk echt niet met een boek per dag. Of met enkel op de zondagen een spannend boek, als toetje van de week, zoals Nina Sankovitch het deed. En al evenmin hoeft dat lezen publiek te gebeuren.

Al verrijkt het menig boek wel als daar nog eens met een ander over gepraat kan worden.

Nina Sankovitch, Tolstoy and the Purple Chair: My Year of Magical Reading
256 pagina’s
Harper Perennial 2012, oorspronkelijk 2011
  1. Overigens was dit het enige gegeven waarbij ik mijn boeklog direct vergeleek met het hare; om de stille blijdschap vooral dat de meeste boeklogjes er gewoon in grofweg 20 minuten kunnen staan. []

What We See When We Read ~ Peter Mendelsund

Moet een boek enkel worden afgerekend op wat er in staat, of dient in het oordeel vooral door te wegen wat er allemaal in ontbreekt?

Dat dilemma is hier vaker gesignaleerd. Vandaar dat ik ook niet pretenderen wil op boeklog meer te bieden dan persoonlijke impressies. Als een boek mij tegenvalt, zegt dat niet direct iets; ieder ander kan zo’n zelfde uitgave best verrijkend vinden. Want niet iedereen houdt er een leesdagboek op na.

Toevallig heb ik dan op dit weblog alleen nog al eens hardop nagedacht over wat er zoal speelt bij het lezen. Helemaal onbevangen zal ik nooit meer zijn als een ander probeert om me langs zo’n onderwerp te leiden.

En What We See When We Read was dan weliswaar een grafisch zeer fraai uitgevoerd boek, met meer illustraties nog dan tekst haast — Peter Mendelsund ontwerpt normaliter onder meer boekcovers — alleen ontbrak mij er te veel aan. Mendelsund bleef me te zeer hangen in een vrij oppervlakkige verkenning van wat lezen is. Waarbij hij zijn kennis nogal eens leende ook van mij al bekende autoriteiten.

Zijn uitgangspunt was de vraag wie of wat wij zien als we over Anna Karenina lezen; terwijl Tolstoj deze vrouw toch amper beschreven heeft.

Waarbij een conclusie dan luidt dat elke lezer zich waarschijnlijk iets anders verbeeldt. Alleen wist de oude Lichtenberg dit in de achttiende eeuw al. Elk leest in een boek wat hij of zij daarin lezen wil. Wegen bovendien bij alles strikt persoonlijke ervaringen en ieders wel heel particuliere kennis mee.

Is het ook nog zo dat er geen schrijver is die personages of handelingen volledig beschrijft; een boek wordt zelfs onleesbaar saai als de lezer zelf niets in te vullen heeft.

En hoewel Mendelsund’s openingsvraag geheel niet verkeerd is, begint voor mij daar het eigenlijke onderzoek pas. Maar doordat hij zich niet zo heel veel verder waagt — het boek eindigt met de blijde ontdekking dat auteurs metaforen gebruiken — zat ik me haast te ergeren dat hij de hele tijd zo dralen bleef op het opstapje naar de voor mij interessantere hoogten.

Want, wat zien we dan als we over abstracties lezen die een naam hebben gekregen, zoals atomen, of elektronen? Is talent hebben voor wiskunde niet allereerst een vorm van kunnen kijken, zoals weleens op boeklog betoogd?

En ook, wat horen we als we lezen? Er bestaat een merkwaardige connectie, bijvoorbeeld bij het leren van een taal, tussen klank en beeld. Lezen van een boek in zo’n vreemde taal wordt aanzienlijk makkelijker als het inmiddels lukt om de klanken daarvan te verstaan. Maar omgekeerd helpt het lezen juist ook mee bij het beter horen en begrijpen.

Zwijg ik nog over boeken die slecht lezen omdat de zinnen ieder ritme ontberen.

Mendelsund komt weliswaar zijdelings even terug op andere zintuigen dan het zicht, in een hoofdstukje over synesthesie. Alleen blijft ook die verkenning te zeer aan de oppervlakte.

Dus nee. Mendelsund zette me hoogstens aan om Onzichtbare steden van Italo Calvino weer eens te willen lezen; door zijn verwijzingen naar dat boek. Omdat Calvino in die roman tientallen verschillende steden lijkt te beschrijven, terwijl hij het daarbij in werkelijkheid best over slechts éen stad kan hebben gehad. En leg dan toch eens uit hoe of dat kan.

What We See When We Read is door de zeer aanwezige vormgeving dus eerder een bewonderenswaardig object dan een fijn leesboek over lezen.

Voor mij.

Peter Mendelsund, What We See When We Read
448 pagina’s
Vintage, 2014

Literatuur ~ Gillis Dorleijn, Dirk de Geest, Pieter Verstraeten

Lees een paar boeken van Saskia Noort, en mensen gaan oprecht bezorgd informeren of het wel goed met je gaat. Of je niet ziek bent geweest. Dat vind ik dan grappig. En toch ook: tekenend.

Want had ik niet alles gelezen wat er te lezen was, pulp net zo goed als de canon, dan ware het onmogelijk geweest om de lezer te worden die ik nu ben. En dat is er éen die plezier voorop stelt. Als ik een boek weg leg, om nooit meer in te kijken, zal dat allereerst zijn omdat er geen aardigheid aan te beleven was.

Alleen zit dat plezier hem soms in het getoonde intellect van een schrijver, dan weer in de vertelkracht, en weer een volgende keer in het briljante plot.

Als dat recente boek van Saskia Noort niet zulke merkwaardige gaten had gehad in het verhaal, die me tijdens het lezen al op waren gevallen, had ik er misschien wel een schrijver bij ontdekt om meer van te gaan lezen. Nu waren haar romans me te zwak, ook als ik ze enkel afzet tegen wat er verder beschikbaar is aan spannende boeken.

Kan er nog zo groot op elk kaft staan dat het literaire thrillers zijn.

Belezenheid, zo heet de eigenschap die me in staat stelt om elk boek opnieuw vrijwel direct op waarde te beoordelen. Ik las nu eenmaal al vele duizenden titels meer [1].

Maar belezenheid is geen kwaliteit waar ik per se trots op ben. Vrijwel al dat lezen ging nu eenmaal vanzelf. En vlug ook. Bovendien kon ik er rustig bij blijven zitten.

Alleen leef ik een samenleving waar door sommigen iets anders over dat lezen wordt gedacht. Waar mensen trots zijn inmiddels zo veel leesbagage te hebben dat ze zonder te lezen al zeker weten dat een Saskia Noort niets kan zijn. Of hoogstens een ‘guilty pleasure’; een stiekeme leesuitspatting waarover eigenlijk schaamte past.

Zulke mensen weten doorgaans ook vrij zeker wat tot de literatuur gerekend worden moet, en wat niet.

En ik mis die rotsvaste zekerheid nu net.

Wel is me zo ongeveer bekend, door al mijn lezen, wanneer een tekst een zekere literaire kwaliteit heeft. Vraag me alleen niet om even snel op een rij te zetten aan welke eisen het geschrevene dan zoal voldoet.

Mede daarom las ik Literatuur, van Gillis Dorleijn, Dirk de Geest, en Pieter Verstraeten. Want dat boek zou me een degelijke inleiding in het onderwerp kunnen bieden, leek me. De reeks ‘elementaire deeltjes’ van de AUP belooft nu eenmaal zulks. Om al snel te merken dat deze auteurs alle intieme nabijheid tot hun onderwerp schuwden, en dit enkel omsingelend, van een afstandje, hebben bekeken.

Van de vraag wat literatuur is, en dus aan welke eisen zo’n tekst dan voldoet, wordt weliswaar nog net gesignaleerd dat die bestaat. Daarop is de hele kwestie zorgvuldig ontweken. Dorleijn en de zijnen beschrijven namelijk wat er in de loop van de Westerse geschiedenis zoal gedaan werd met verhalen, en liederen, en uiteindelijk met dat lezen.

Helaas vertelden ze me daar weinig nieuws mee.

Alleen leidt hun betoog uiteindelijk wel tot de slotsom dat het onnozel is om te spreken over de ‘dood van de literatuur’ in deze tijden van massa-amusement. Eén kenmerk van literatuur is nu net dat de vorm daarvan, en daarmee ook de inhoud, zich telkens heeft aangepast aan nieuwe maatschappelijke werkelijkheden. Wat nu tot de literatuur gerekend wordt, kan in de toekomst heel goed ineens erbuiten vallen.

Wie de dood van de literatuur aankondigt, meent dus eigenlijk dat zijn of haar opvattingen over literatuur ondermijnt worden, volgens deze auteurs. En dat is toch iets heel anders.

Gillis Dorleijn, Dirk de Geest, Pieter Verstraeten, Literatuur
176 pagina’s
Amsterdam University Press, 2017
  1. Boeklog toont op het moment van schrijven dat ik in ruim 12½ jaar een kleine 3300 titels heb doorgenomen. Maar in de jaren tachtig en negentig las ik aanzienlijk meer boeken per jaar dan in deze eeuw. []