Erg! ~ Gerrit Komrij

Het blijkt toch gewoon Komrij te zijn, deze onbekende recensent die in de jaren negentig vanuit Humo de Vlaamse en Nederlandse literatuur met de gesel te lijf ging. Tot grote afschuw van de schrijvers trouwens. Niet dat het uitmaakt, die recensies hadden wat mij betreft werkelijk door een onbekende bediende uit een boekhandel geschreven mogen zijn.

Maar ‘Patrick Demompere’ volgt in dit boek wel een credo van Komrij:

Er verschijnen zoveel marginale boeken vol ziekenfondsproza en steungordel-poëzie dat een bezoek aan de literaire boekhandel nog het meest lijkt op een bezoek aan een strafinrichting.[…]

Gerrit Komrij, ‘De Literaire Misdadiger’ in: Vreemd Pakhuis, pag 130

In Erg! komt geen enkel werk er goed af, zelfs de schaarse positieve recensie besluit met een advies waar het boek beter voor te gebruiken zou zijn. Beargumenteerd schelden op niveau is het, deze zwaar bewapende bestrijding van het geliteratureluur.

Ik herlees deze verzamelbundel daarom zoal minstens éen keer per jaar. En dan nu eens echt voor mijn plezier.

Patrick Demompere, Erg!
Iets over de nieuwste literatuur

164 pagina’s
Uitgeverij Bert Bakker, 1999

** 3 maart 2005 – Als u Vlaming bent, en deze webpagina via Google gevonden hebt, zoudt u mij dan aub hier kunnen vertellen wat de aanleiding tot die zoektocht was?

update 7 maart 2005 – Ook het antwoord op de vraag die Humo stelt, is te vinden via bovenstaande link.


Verhaal dat het Leven Moet Veranderen ~ Hans Goedkoop

Lees ik eindelijk een recensent van Nederlandse litteratuur die me door argumenten volkomen overtuigt van zijn goede smaak, is dat alleen maar omdat hij er mee op is gehouden en zich nu eindelijk eens onbeschroomd lijkt te hebben durven uitspreken. Schaam op u Hans Goedkoop. De boekenbijlagen hebben uw eerlijkheid juist nodig.

Ofwel, nog niet eerder dit jaar heb ik een boek gelezen waar het zo makkelijk was mee in te stemmen. Wat Hans Goedkoop over een groot aantal toonaangevende Nederlandse schrijvers vindt, heb ik ook altijd al gevonden zonder daarvoor de argumenten klaar te hebben. Maar goed, voor dit boeklog er was, volstond het om een tegenvallend boek na een paar hoofdstukken weg te leggen. Of door de kamer te smijten. Goedkoop schreef recensies in NRC-Handelsblad en moest wel argumenten aanvoeren.

Maar hij probeerde daarbij eerlijk te zijn, en niet op routine even een oordeeltje te doen.

Dat komt zelden voor onder recensenten. Zoals hij zelf ook zegt in dit boek.

Je hoeft er de cultuurbijlagen maar bij op te slaan en je ziet het, negen van de tien keer. Onbetrokken professionalisme, gemaskeerd met retoriek die anders wil doen voorkomen, en geen schaduw van een poging om de fictie van een boek te landen in de werkelijkheid. Literatuurkritiek als pervertering van goed lezen, ik ben bang dat het vaak echt zo ligt.

Maar misschien is het ook alleen maar mogelijk goede kritieken te schrijven over boeken die iets raken, of dat nu in positieve zin is of juist negatief. Ergens merkt Goedkoop op: Kees Fens werd pas toonaangevend toen hij niet meer in de tredmolen zat te moeten reageren wat er allemaal vers uitkomt. Toen die paradoxaal genoeg het recenseren opgaf, en stukken naar eigen keuze ging schrijven.

En dat is dan de theorie die Een verhaal dat het leven moet veranderen uiteindelijk formuleert. Soms moet een lezer een tijd afstand van de boeken nemen, om zelf te leven en weer ontvankelijk te worden voor een nieuwe leeservaring. Leven, desnoods daartoe aangestuurd door lessen uit een verhaal.

Maar, Hans Goedkoop verwijt ook aan schrijvers niet genoeg contact te maken met het leven. Hij wijst de opsluiting in het eigen ik aan als centraal maar tandeloos thema dat voorkomt bij schrijvers als Giphart, Uphof, en Van der Heijden en talloze auteurs voor hen.

Verder bevat dit boek nog aardige beschouwingen over waarom Connie Palmen wel denken kan en bluffen, maar niet kan schrijven. En wat er aan schort bij hooggeprezen auteurs als Zwagerman, Grunberg en Rosenboom.

Aanbevolen, ook zonder dat leedvermaak.

Hans Goedkoop, Een verhaal dat het leven moet veranderen
288 pagina’s
Uitgeverij Augustus, 2004

Weg met de literatuur ~ Herman Brusselmans

Herman Brusselmans heeft dus gewoon nog eens kort haar gehad. Wat schattig.

In Weg met de literatuur! zijn twee vroege werken van de schrijver verzameld. De geschiedenis van de wereldliteratuur [1989] en De geschiedenis van de Vlaamse letterkunde [1988]. Om die wereldliteratuur was het mij te doen, want dat was de titel van de boekenrubriek die Brusselmans schreef voor De Morgen. 

Ik herlas dit boek om te zien of Brusselmans vroeger beter was dan nu. Of het terecht is dat ik toen nog weleens boeken van hem kocht, en las.

En ja, hij kon erg goed zijn eind jaren tachtig.

Al is het nu ook weer niet heel moeilijk te schelden over slecht geschreven boeken, maar Brusselmans liet me meerdere keren lachen. Hij verleidde me bijna tot de gedachte hoe leuk het zou zijn om op dit boeklog ook over al dat halfgebakken proza dat maar uitgegeven wordt te gaan schrijven. De ellende is alleen dat ik daarvoor al die troep ook nog eens zou moeten lezen.

W.F. Hermans zei over het recenseren van slechte boeken dat het als sneeuwruimen was. Uit zichzelf verdwijnt het allemaal ook wel. Maar ik ben blij dat er boeken zijn die getuigen hoe amusant het ruimen zijn kan.

Herman Brusselmans, Weg met de literatuur!
Een baanbrekende studie

315 pagina’s
Uitgeverij Bert Bakker © 1997


Daar is het gat van de deur ~ Gerrit Komrij

Komrij schrijft tegenwoordig weer wekelijkse boekrecensies voor Vrij Nederland, en nooit komt er daarbij iemand goed af. Evenmin had hij als Patrick Demompere ooit een goed woord over voor wat hem onder ogen kwam.

Leest Gerrit Komrij weleens een boek dat hij wel kan aanbevelen?

Misschien nu niet meer, maar ooit wijdde hij lovende woorden aan Ethel Portnoy of het debuut van J.M.A. Biesheuvel. Neemt niet weg dat Daar is het gat van de deur interessanter is om wat hij ook toen al niet goed vond in boeken.

Slecht geschreven werd er namelijk altijd al. En dat heel matige boeken toch lovende recensies krijgen of prijzen winnen, is ook al nooit anders geweest.

Leve daarom de recensent die kaf en koren durft te scheiden, op wiens boekbesprekingen ik vertrouwen kan. Dat hij zijn afkeer daarbij geestig opschrijft, is enkel een plus. Ik heb op het instinct en de goede smaak van Komrij leren vertrouwen. Al lukt het mij tegelijkertijd nooit om een fictieboek uit te lezen dat hij zelf geschreven heeft.

Gerrit Komrij, Daar is het gat van de deur
Kritieken en essays

244 pagina’s
Uitgeverij De Arbeiderspers, 1974

Kunst van het recenseren van kunst ~ Wam de Moor

Sommige boeken komen op het perfecte moment in iemands leven, en zijn eigenlijk alleen daardoor memorabel. Andere boeken zijn wel perfect en memorabel, alleen niet op het moment van lezen. Hun moment is al geweest, ze zijn te laat, en ach voorgoed te laat.

Dit is zo’n boek dat me ruim tien jaar geleden van groot nut zou zijn geweest. Ook al omdat het hier een leerboek betreft, en ik toendertijd nog wel eens wat van vreemden wilde aannemen. Dat moest toen, ik studeerde op dat moment nog.

En dan gaat het me nog niet eens om wat Wam de Moor zegt over het recenseren van al de heel verschillende kunstdisciplines die er zijn. Hij geeft tips over het schrijven die voor iedereen van nut zijn, en doet dat ook heel slim; door zonder commentaar voorbeelden van andermans werk te geven en conclusies aan de lezer over te laten.

Dat zijn de beste tips.

Maar voor dit boeklog zijn De Moor’s aanwijzingen dan weer van gener waarde. Hij heeft het over het recenseren van literatuur, en de verschillende benaderingen die daarbij mogelijk zijn. En mij gaat het nu net alleen om welke boeken ik lees. Dondert mij niet of mijn lectuur tot de canon behoort en vele letterkundigen natte dromen bezorgt, of dat die niet meer dan plat vermaak zou zijn.

Ik heb inmiddels genoeg boeken gelezen, en voldoende zelf gepubliceerd, om met enig inzicht te kunnen oordelen of iets deugt of niet. Die eerlijkheid mis ik bij professionele recensenten, en daarom heeft de doorsnee boekenbijlage voor mij alleen nut als wijdlopig overzicht van wat er zoal verschijnt.

Misschien maak ik daarom een fout door hier alleen te bespreken wat ik heb uitgelezen. Er is een taak voor dappere gidsen die met een machete de woeker durven weg te kappen in boekenland. Mij ontbeert daarvoor de kracht.

En leerboeken leiden zelden op tot zulke eigenzin, dat is wel op De Moor’s werk aan te merken.

Wam de Moor, De kunst van het recenseren van kunst
253 pagina’s
Dick Coutinho Bussum © 1993


Stranger Shores ~ J.M. Coetzee

Er zijn boeken die misschien wel enige rijpheid van de lezer verlangen. Omdat ze zo veel meer te geven hebben aan wie mee kan oordelen waarover de auteur het heeft.

Stranger Shores van J.M. Coetzee was zo’n boek voor mij. Waarbij me opviel hoezeer het bijhouden van dit boeklog inmiddels kan meewegen in mijn waardering tijdens het lezen.

Ik moet me op deze plek telkens uitspreken over schrijvers en boeken. Dit vergt enig nadenken over hun karakteristieken, zelfs al gaat dit nadenken meestal onbewust. Als ik dan een recensent lees die hetzelfde zag, sterkt mij dit. Maar als zo iemand meer blijkt te hebben gezien, verrijkt me dat helemaal; zijn of haar woorden verscherpen dan ook mijn blik nog eens.

Coetzee voert een bont gezelschap aan auteurs op in deze bundel, die vooral uit boekbesprekingen bestaat. Toch bleek ik ze bijna allemaal gelezen te hebben. Afgezien dan van Defoe dan — wat al eerder een gemis was in verband met Coetzee — en de meeste uit Zuid-Afrika afkomstige schrijvers.

Dus was het ook niet heel moeilijk om te concluderen dat Coetzee heel goed kan lezen — al is dat een uiterst subjectief oordeel, ik was het namelijk vrijwel steeds met hem eens.

Hoogstens viel me op dat Coetzee vaak wel veel van het boek navertelt dat hij aan het bespreken is.

Nu heeft J.M. Coetzee enkele jaren terug de Nobelprijs voor literatuur gewonnen, wat het niet moeilijk maakt hem als autoriteit te vereren. Toch valt aan de boeklogjes die ik eerder aan zijn werk wijdde op dat ik weiger me blind aan hem over te geven. Al speelt ook mee dat de Coetzee’s die ik las voor boeklog bestond, als Waiting for the Barbarians en vooral Disgrace, meer indruk maakten dan wat me later onder ogen kwam.

Mijn respect verwerven, gaat lang niet automatisch meer.

In deze bundel wordt onder meer werk besproken van Nederlandse auteurs als Emants, Mulisch, en Nooteboom. Verder staat Coetzee stil bij vertaalproblemen, als optraden bij het werk van Kafka, of de gedichten van Rilke. Hij las Musil, hij las Skvorecky, Borges, Rushdie, Oz, en bleek dezelfde ideeën te hebben over de essays van Joseph Brodsky als ik. Te veel daarvan zijn te lang, want onbewerkte colleges. Dat mocht ik natuurlijk altijd al denken. Maar hoe groot wordt het vertrouwen niet in iemand die hetzelfde ziet, en dit oordeel onbekommerd uitspreekt.

J.M. Coetzee, Stranger Shores
Essays 1986 – 1999

374 pagina’s
Vintage 2002, oorspronkelijk 2001

Schrijver, zijn schaamte en zijn spiegels ~ Gerrit Krol

Gerrit Krol schreef in 1979 en 1980 een reeks luchtige columns over het schrijven, voor de achterpagina van NRC-Handelsblad. Deze bundel is daar het gevolg van. En plots heten de columns tezamen essay.

Ik weet dit boek eerder gelezen hebben, een hele tijd geleden. Want, er staat me nog bij onder de indruk te zijn geweest. Een echte schrijver had zo maar zijn geheimen verraden in een boek, zoiets moet ik toen gedacht hebben. Helemaal kon ik de waarde van die geheimen toen nog niet inschatten, maar dat zou hopelijk nog weleens komen.

Ditmaal las ik het bundeltje geheel anders. Zo was ik me vrij goed bewust van de oorsprong van de hoofdstukken. Een krantencolumn heeft een vaste lengte, maar een gedachte heeft die meestal niet. Vaak kon ik zien dat Krol zijn ideeën wat had moeten aanlengen om het gewenste aantal woorden maar te krijgen.

Bovendien is dit geen boekje over de geheimen van het ambacht. Gerrit Krol toont ideeën over wat van auteurs verwacht mag worden, die vaak net iets afwijken van de verwachtingen die onder de goegemeente leven. Zo maakt hij zich toch wel vrolijk over de angst onder lezers voor de grafieken waarmee hij sommige van zijn boeken heeft aangekleed.

Maar uiteindelijk is dit voor mij vooral een bundeltje met enkele nuttige, haast aforistische uitspraken. Terwijl Krol toch een hekel had aan aforismen.

Als ik een boek na een tijdje wegleg omdat het me niet boeit, kan dat twee redenen hebben. Het boek bevat te weinig ideeën, of het bevat genoeg ideeën, maar te weinig verhaal.

undefined

Het probleem met literatuur, als je erin wilt doceren, is dat je je beweegt op het niveau van de illustere schrijvers zelf en dat, als je daartoe niet in staat bent, of de leerling is daartoe niet in staat — er zo weinig overblijft. Daarom wordt er zo vaak gezegd dat je er niets aan hebt, aan literatuur, in de maatschappij en dat is dan nog waar ook.

undefined

Minimum aan middelen, maximum aan effect. Misschien moet je ’t noemen: de kunst van het samenvatten. Daar zou je wat aan hebben, want dat is iets wat je in geen van de andere kunsten aanwijsbaar kunt doen, film niet, schilderkunst niet, muziek niet… in de literatuur wel. Zelfs zo goed dat je de literatuur ermee zou kunnen definiëren.

Literatuur is de kunst van het samenvatten. ’n Aantal gebeurtenissen wordt met een enkele zin beschreven.

undefined
Gerrit Krol, De schrijver, zijn schaamte en zijn spiegels
Essay

120 pagina’s
Em. Querido’s Uitgeverij, 1981

How Fiction Works ~ James Wood

Dit was een wat ander boek dan ik verwacht had. Waarbij die verwachtingen vooral gebaseerd waren op felle besprekingen in de Amerikaanse media. De Brit James Wood heeft enige naam in de VS. Van criticus voor The New Republic werd hij vorig jaar bespreker bij de New Yorker. Maar meer nog spreekt voor of tegen hem dat hij de romans van veelgeprezen schrijvers als Rushdie, DeLillo, Franzen, of Zadie Smith finaal heeft onderuitgehaald.

Wood zingt dus niet mee in het massale koor van alle critici die deze romans hebben bejubeld. Sterker nog, hij verwijt de genoemde auteurs een hysterisch realisme te produceren, dat hun boeken ongeloofwaardig maakt.

Dus speelt waarschijnlijk ook mee dat hijzelf nu bekritiseerd wordt door mensen van wie hij eerder aangetoond heeft dat ze toondoof zijn.

Tegelijk vertrouw ik Wood, om zijn oordeel. Boeklog gaat zelden over boeken die ik niet uitkrijg, maar onder de romans die ik na een tijd zuchtend terzijde lei, waren nogal wat werken van voornoemde hysterisch realisten; auteurs die ik toch zo geacht word te bewonderen.

Dus wilde ik dit boek heel graag lezen. Zonder te beseffen dat het van alles is, maar geen verzameling vol aanwijzingen wat nu slecht schrijven genoemd kan worden; noch een kritische opsomming welke auteurs zich daaraan bezondigen.

Dit boek wil op zich veel. Zo is het een geschiedenis van de realistische roman, die voor Wood pas bij Flaubert echt begint. Het is leerboek voor schrijvers, over waarop te letten om levendig te schrijven. En het is een persoonlijke ontboezeming van Wood, over wat hij nu goed schrijven acht. De criticus doet ook onbeschroomd belijdenis. Zo hij in iets gelooft, dan toch in de potentiële kracht van de roman.

Tegelijk telt het hele ding hoogstens 25.000 woorden, en is het makkelijk binnen een uurtje uit. Ondanks de liefst 123 genummerde hoofdstukken.

De grote kracht voor mij van How Fiction Works is dat het leest of het zo als lesmateriaal kan dienen voor een cursus creatief schrijven in het wijkcentrum. Iedereen zal het kunnen begrijpen. Er staat geen jargon in. En dus geen vage theorie. Wood weet duidelijk waar hij het over heeft, adstrueert al zijn uitspraken met levendige voorbeelden. Hij kan schrijven bovendien. Met prachtige stijlpersiflages — van bijvoorbeeld Graham Greene — weet hij perfect te laten zien waar het bij schrijvers aan schorten kan.

De zwakte is dat hij me te makkelijk andere vertelelementen negeert dan taal of stijl, het juiste detail, of de waarschijnlijkheid van het verhaal. Over het commerciële realisme van de genrefictie is niets dan kwaads te lezen bij Wood. En daarmee lijkt het ook of hij zich niet voor zoiets als een plot in een roman interesseert.

Blijft daarmee de vraag wat ik overhoud aan het lezen van dit boek…

Allereerst een wens om weer eens wat Bellow te lezen. Die auteur is een held. Van Wood, die hem telkens citeert als voorbeeld van goed en rijk schrijven, en van mij. Zijn oeuvre puilt bij mij de kasten uit. Maar de laatste keer dat ik Bellow probeerde, lukte het me geen moment meer om in het boek te komen.

Ten tweede is het duidelijk geworden dat ik waarschijnlijk meer bevestiging voor mijn ideeën over fictie kan vinden in Wood’s verzamelde kritieken. Wordt misschien dus vervolgd.

En tenslotte heeft Wood iets benoemd dat ik als verschijnsel wel kende, maar nooit eerder van naam zag voorzien. Dat is de ironie van de auteur, die er voor zorgt dat een op zich slechts inleidend tekstje alvast voorzien wordt van de stem van het personage dat later pas aan bod komt. Wood is nogal verliefd op deze stijlgreep.

Hij illustreert deze ‘vrije indirecte stijl’ onder meer met een voorbeeld uit het verhaal ‘Rothschild’s Fiddle’ van Tsjechov.

The town was small, worse than a village, and in it lived almost none than old people, who died so rarely it was even annoying.

Voor wie anders dan voor de doodkistenmaker is het vervelend dat de mensen maar niet dood gaan? En over deze kistenmaker gaat het verhaal vervolgens dan ook.

** Terzijde, ik heb voor bovenstaande passage ook de Nederlandse vertaling van Charles B. Timmer opgezocht, van ‘De viool van Rothschild’, uit Verhalen IV.

Het was een klein stadje, nog onaanzienlijker dan een dorp en er woonden vrijwel uitsluitend oude mensen, die in zo’n langzaam tempo dood gingen dat het zelfs tergend was.

En ineens lijkt het Nederlands een zeldzaam onhandige en botte taal, vergeleken met het Engels. Nu ja, Tsjechov’s verhalen krijgen op het moment ook een nieuwe vertaling hier.

James Wood, How Fiction Works
194 pagina’s
Jonathan Cape, 2008

State of the Art ~ Gore Vidal

Er is op het moment een nieuwe selectie uit van Gore Vidal’s artikelen. Dat boek heeft de toepasselijke titel The Selected Essays. En ik was even verheugd. Maar mij viel vervolgens op dat recensenten heel ruim citeerden uit stukken die ik allang kende.

In 1993 kwam namelijk deze turf uit; een boek bijna even dik als breed. Een bundel artikelen in drie gedeelten, die gaan over literatuur, politiek, en Vidal — ‘State of the Art’, ‘State of the Union’, en ‘State of Being’.

Slimmer dan om die nieuwe Selected Essays te kopen, was het dus om te herlezen wat al in de kast prijkte. Al stond het me tegen om alle 1.300 pagina’s opnieuw door te nemen. Niet per se om de inhoud. Maar gewoon om de tijd die ik met zo’n enorme pil bezig zou zijn.

Vidal moet met mate gelezen worden, met hoogstens een paar essays per dag. Meer roept namelijk makkelijk ergernis op over de verkeerde dingen. Hij is nu eenmaal onfeilbaar, hij is een snob, door zijn goede afkomst, en hij houdt er erg van om terloops namen van beroemdheden te droppen.

Maar tegelijk kan Gore Vidal wel schrijven, en lezen. En in zijn literaire recensies weegt nog weer andere kennis mee ook. Vidal heeft ook tal van filmscenario’s geschreven — waarvan Ben Hur wel de bekendste zal zijn.

Dus herlas ik zijn kritieken, mede om het boek over fictie van criticus James Wood, die ik van eensluidende voorkeuren verdenk.

Iedere essaybundel van Vidal is trouwens alleen de aankoop al waard, als er het stuk ‘The Top Ten Best Sellers’ in staat. Dat gaat erover welke boeken er begin januari 1973 het best verkocht werden in de VS, volgens de New York Times. Omdat hij daarin onder meer pijnlijk duidelijk aantoont welke cliché’s uit de filmkunst het tot vertelelement hebben gebracht in boeken van matige schrijvers.

Ha, daar is de spiegelscene weer, waarin de hoofdpersoon zich eens kritisch bekijkt, en de schrijver de gelegenheid neemt de ontwikkelingen tot dusver samen te vatten.

Kritisch is Vidal ook over de funeste invloed van de nouveau roman. Niet omdat hij vormexperimenten zou schuwen, maar vooral omdat die experimenten zo vaak met slecht schrijven gepaard gaan.

In alle essays over literatuur is taal de constante. En Gore Vidal spaart weinigen daarbij. W. Somerset Maugham moet het bijvoorbeeld ontgelden, omdat diens dialogen zo banaal zijn. Het is of alsof die nooit los kwam van het succes met zijn toneelstukken — waar de dialoog niet hoeft te spreken, omdat de acteurs er nog van alles mee kunnen doen.

En zo levert elk stuk — de essays bestrijken een breed terrein, van boekbespreking, tot overzichtsverhaal, en in memoriams — altijd wel éen of twee messcherpe oordelen op. Waarvan het verleidelijk is om die te citeren, maar nog beter is om die te zien schitteren in de setting van Vidal’s betoog.

Nu ja, even dan:

I have often chided my Soviet friends on the naïeveté of their country’s censorship. Newly literate and still awed by the printed word, the Russians governors are terrified by ideas. If only they knew what our governors know: that in a huge egalitarian society no idea which runs counter to the prevailing superstitions can successfully penetrate the national carapace. [1958]

undefined

[…] books are no longer read, while pieces about writers are. [1970]

undefined

During the last fifty years, the main line of the Serious American Novel has been almost exclusively concerned with the doings and feelings, often erotic, of white middle-class Americans, often schoolteachers, as they confront what they take to be life. It should be noted hat these problems seldom have anything to do with politics, with theories of education, with the nature of the good. [1980]

undefined

The century that began with a golden age in all the arts (or at least the golden twilight of one) is ending not so much without arts as without the idea of art, while the written culture that was the core of every educational system since the fifth century B.C. is now begin replaced by sounds and images electronically transmitted. [1984]

Uiteindelijk is elk essay van Vidal over literatuur dus ook een verhaal over een wereld die op het punt van verdwijnen staat. Hij verklaarde in de jaren vijftig de roman al een bedreigde kunstsoort. Niet eens om de inhoud, maar door het verdwijnen van de geïnteresseerde lezer.

Er zijn wel jongens die alles over film weten, die zo veel plattere soort van vermaak. Kennis over literatuur is geen sociaal kapitaal meer. Behalve op de universiteiten dan. Maar dat is helemaal een verkeerde ontwikkeling, volgens Vidal.

Gore Vidal, ‘State of the Art’
520 pagina’s
in:
Gore Vidal, United States
Essays 1952 – 1992
1295 pagina’s
Abacus 1999, oorspronkelijk 1993

Identiteit en kowesturten ~ Abe de Vries

Essaybundels verschijnen er nauwelijks in het Fries, al was het maar omdat er nauwelijks essays in de taal geschreven worden. En dat is allebeide jammer. Al hebben essays altijd iets elitairs, waar ze ook gepubliceerd worden. Maar als zelfs de schrijvers binnen een cultuur het al niet eens de moeite waard achten om daar hun persoonlijke ideeën over te publiceren, en anderen zich evenmin geroepen voelen, laat dit voor mij bovenal zien hoe armoedig zo’n cultuur is.

Een literatuur als de Friese, die alleen kinderboeken, wat fictie, en opvallend veel dichtbundels produceert, levert daarmee slechts eindteksten op. En eindteksten zijn op zichzelf niet zo veel. Op hun best zijn het doodlopende stegen die een paar onverwachte doorkijkjes bieden. Eindteksten gaan pas breder leven als er praat over komt, of er met regelmaat over gepubliceerd wordt. Dit mechanisme alleen al maakt het verschijnen van essays tot noodzaak.

Heb ik het nog niet eens over alle andere onderwerpen die rijker belicht worden door persoonlijk gekleurde reflectie.

In deze bundel schrijft Abe de Vries — dichter, uitgever, man for all seasons — voornamelijk over recent verschenen Friestalige poëzie. Al komen ook eeuwige helden van elders langs, zoals de singer-songwriter Townes van Zandt, en Joseph Brodksy. Regelmatig zijn de essays die dit oplevert lang uitpakkende boekbesprekingen, waarin De Vries de ruimte neemt om van gedicht naar gedicht te schrijven. Soms doet hij iets meer.

De Vries heeft namelijk duidelijke ideeën over wat de Friese poëzie uniek maakt. Al werkt hij die dan hoogstens impliciet uit in dit boek, en is hij veel directer in een ander recent verschenen werk. Zijn poëziebloemlezing Het goud op de weg bevat een begeleidend essay, om onder meer te verantwoorden waarom hij de Friese gedichten koos die hij verkozen heeft. De Vries legt daarbij uit vooral de dichters te waarderen die oplossingen vonden voor de tegenstelling tussen de traditie, die in een plattelandsprovincie nog zwaarder drukt dan elders, en het experiment.

Ik zal nog weleens dieper op die gedachte ingaan, eventueel bij een boeklog over Het goud op de weg. Bij mij hebben de afgelopen anderhalf jaar wat andere ideeën postgevat over het Friese wereldje. Zoals dat het ook nogal schrijnt hoe weinig gebruiksteksten er in het Fries verschijnen – niet alleen essays ontbreken deerlijk – al was het maar omdat daardoor de Friestalige literatuur heiliger gemaakt wordt dan mij goed lijkt. Ik zie bijvoorbeeld niet in waarom slecht geschreven romans lof verdienen, alleen omdat ze toevallig in een taal uitkomen die slechts weinigen kunnen schrijven.

Bovendien, door vooral de literatoren met de last op te zadelen de lijfwachten van een taal te zijn, wat nu telkens zeer opvallend gebeurt, wordt hun invloed nogal overschat. Gedichies noch verhaaltjes laten iets gebeuren.

Enfin, alleen al door publiekelijk dit soort conclusies te trekken, zal ik wel weer allerlei mensen diep beledigd hebben. Het Friese taalgebied is nu eenmaal klein. En in plaats dat de publicisten daarom hun eigen betekenis wat relativeren, gebeurt regelmatig het omgekeerde. Er bestaan tal van ongeschreven normen, en overtreding levert merkwaardig heftige reacties op.

De Vries’ zijn essaybundel riep vooral het gevoel op hoe jammer het is dat er niet tien van zulke bundels verschijnen per jaar. Omdat ik bijna noodgedwongen nu toch teksten lees die ik in het Nederlands niet snel had opgezocht. Ik vind ook niets speciaals van dit boek. Dat iemand met een grote belangstelling voor poëzie onderzoekt waar bepaalde ontwikkelingen startten, en wie er misschien invloed had op wie, lijkt me logisch.

Mijn oordeel over deze bundel luidt wel dat Abe de Vries iets te veel de journalist is gebleven die hij ooit was. Ik begrijp wat beter wat er mooi is aan sommige gedichten, of wat juist helemaal niet, maar ik miste het persoonlijk gevoelde en zelf doorleefde in dit oordeel vrijwel steeds. Hoe informatief ook, er stond niets in dat me voor altijd bij zal blijven aan dit boek.

Abe de Vries, Identiteit en kowesturten
Essays oer Fryske literatuer

236 pagina’s
Bornmeer, 2008

Broken Estate ~ James Wood

Deze eerste bundel van de criticus James Wood eindigt met een essay waarvan ik aanvankelijk niet goed begreep waarom het was opgenomen. Goed, het had het hele boek zijn naam gegeven. ‘The Broken Estate’. Maar waarom moest ik ineens een persoonlijk verhaal lezen over de Brits-christelijke opvoeding die Wood genoten had, en diens gelukkige jeugd, in plaats van een geïnformeerde beschouwing over een schrijver? Een verhaal dat bovendien ooit als preek had gediend?

En toen bleek me dat Wood met dat persoonlijke stuk ook een programma had geschreven, van hoe hij de wereld bekijkt. En dat was interessant, omdat het altijd loont om de vooroordelen van een criticus te leren kennen.

Dus zag ik bijvoorbeeld ineens waarom ik zo veel opheb met de kritieken van Wood. Omdat wij – ijdele gedachte, maar toch – op een bepaalde manier hetzelfde denken over literatuur, ook al is die visie op totaal verschillende manieren ontstaan.

Een kind met een evangelische opvoeding wantrouwt voortaan onverschilligheid, zelfs wanneer hij niet meer gelooft, zo schrijft Wood. En meteen wordt duidelijk waarom hij telkens zo hard is voor schrijvers die de verdenking op zich hebben geladen te schmieren; die zo lekker een potje verhaal hebben verzonnen; doet er niet toe of dit waarschijnlijk is.

En Wood valt soms ongenadig stevig uit in deze bundel, naar alom geprezen grootheden.

Updike wordt aangeklaagd nogal eens ‘lyrische kitsch’ te produceren.

[…] he is, at his best, a fine pupil of Nabokov; and at his worst, his prose is a harmless, puffy lyricism, a seigneurial gratuity, as if language were just a meaningless bill to a very rich man, and Updike adding a lazy ten percent tip to each sentence.

[228]

DeLillo wordt beschuldigd op een onproductieve manier achterdochtig te zijn:

Paranoia, by its nature, has to be expressed. It is an odd paradox of paranoia that all its attention is towards what is hidden, but it exists only when it is given coarse voice, In fiction there is no such thing as a quiet paranoid; the neurosis is essentially voluble. Fiction exists the other way round. Fiction’s attention is toward what is tangible; yet it exists most effectively when its themes are unspoken.

[220]

En George Steiner wordt werkelijk geheel onderuitgemaaid.

Vladimir Nabokov once complained that one of Steiner’s essays was ‘built on solid abstractions and opaque generalisations’. But things are actually a little worse than that.

[115]

Maar het gaat niet om zulke oordelen, hoe heerlijk soms ook samengevat. Van belang is dat Wood kijken kan en lezen kan, en wat hij daardoor opmerkt zo goed weet over te brengen aan zijn lezers. Bovendien ben ik het ondertussen lang altijd niet meer met hem eens. Zo is me onduidelijk waarom hij bijvoorbeeld Updike aanvalt op wat evengoed Saul Bellow te verwijten valt, die bij hem telkens boven alle kritiek is verheven.

Merkwaardig vond ik verder niet eens dat deze bundel zo voortreffelijk was, maar dat zijn tweede bundel, The Irresponsible Self, me zo matig beviel.

In The Broken Estate doet Wood namelijk ook de canon, in de eerstopgenomen stukken. Tsjechov komt langs, bijvoorbeeld. Virginia Woolf. D.H. Lawrence. T.S. Eliot. Auteurs die ik niet alleen las, en waarover ik ook heel wat gelezen heb. En ditmaal verrijkt James Wood mijn interne beeld van deze auteurs wel. Soms zelfs zeer aanzienlijk.

James Wood, The Broken Estate
Essays on Literature and Belief

318 pagina’s
Pimlico 2000, oorspronkelijk 1999

Omroepers van oproer ~ Piet Gerbrandy

Jammer van de poëzierecensies, dacht ik na afloop van dit boek. Want, hoe gaat dat. Piet Gerbrandy verzamelde in deze bundel een aantal zeer interessante essays over waar literatuur volgens hem voor moet staan. Maar die werden aangevuld met kritieken die hij in dezelfde periode aan een dichter of poëziebundel had gewijd. En daarvan interesseerden de meeste me niet.

Dat lag dan altijd aan de besproken dichters. Kon Gerbrandy nog zo zijn best hebben gedaan.

Of misschien begreep ik niet goed dat de recensies slechts pauzenummers waren tussen de hoofdoptredens.

Gerbrandy is classicus, oud-leraar, dichter, en criticus, in willekeurige volgorde. In dit boek uit hij zich vooral als cultuurcriticus, die vreest dat de wereld steeds oppervlakkiger wordt, maar denkt dat taal, en daarmee literatuur, en in het bijzonder poëzie, een tegenwicht kunnen bieden. Om te begrijpen hoe, is kennis van de traditie nodig. Dat voor Gerbrandy deze traditie vooral belichaamd wordt door wat overbleef van enkele antieke volken van aan de Middellandse zee, of wat die van voorgangers elders hadden overgenomen, spreekt hierbij voor zich.

Al bevat deze bundel ook zijn vertaling van het onvertaalbare verhaal ‘The Lost Ones’ van Samuel Beckett.

Ik vond geloof ik vooral interessant hoe moeiteloos Gerbrandy in zijn betogen voorbeelden aan de ouden ontleende. Terwijl hij tegelijk ook ziet dat die weleens idealen verkondigden die in hun tijd evenmin opgingen.

En dan zijn natuurlijk al die anderen er ook nog, die de mooiste plannen kunnen dwarsbomen.

[…] zelfs als je erin slaagt na grondige studie een maatschappelijke probleem uitputtend te analyseren, dan nog is de kans groot dat de vermaledijde instituties, de snelle jongens op de departementen, de mannen van de bonusregelingen of de fundamentalistische wereldleiders glimlachend al je argumenten terzijde schuiven. Wie het onderwijs wil hervormen, moet eerst de wereld veranderen — maar daarvoor moet je eerst het onderwijs hervormen. [24]

Misschien blijft er voor wie echt iets te zeggen heeft ook wel niets anders over dan om in afzondering iets moois te maken. Hoewel?

Literatuur, kunst en filosofie zijn vrij — ze hoeven niks, ze mogen alles. Maar juist die vrijheid legt hun de plicht op een tegenwicht te bieden aan alles wat voos, dom, lelijk, of alleen maar leuk is. Ze moeten ons steeds opnieuw leren kijken, denken en spreken. Ze voeren oorlog met het amusement, en hoewel ze het daar nooit van zullen winnen, mogen ze niet versagen. Dat is een kwestie van zelfrespect. De dichter mag lachen en aan het lachen maken, maar hij mag nooit verstrooien, want wie verstrooiing biedt, biedt meer van hetzelfde en is overbodig. [67]

Gerbrandy is streng.

Literatuur die er niet naar streeft maximale kortsluiting in het brein van de lezers te ontketenen is overbodig. Het feit dat er een behoorlijke markt is voor de brave leesclubjes-poëzie die door met name De Arbeiderspers en Van Oorschot wordt geproduceerd, bewijst dat het grote publiek liever in zijn onberispelijke opvattingen wordt bevestigd dan bereid is zich te laten overrompelen door het vreemde en gevaarlijke [75].

En ik vind die strengheid prettig. Hoe hoog en onhaalbaar het ideaal ook zijn mag dat erachter steekt. Omdat die strengheid zo overeenkomt met mijn ideeën over wat romans horen te brengen, maar zo zelden doen. Wat dan weer de voornaamste reden is waarom ik zo weinig romans uitlees na de eerste twintig pagina’s — en dus nalaat op boeklog te vermelden.

Wil je de lezer raken, dan moet je hem onverhoeds treffen op een plek die onbeschermd is. Dat lukt nooit als je op allerlei manieren je aanval aankondigt, bijvoorbeeld door op het omslag, in opdrachten en titels voortdurend duidelijk te maken hoe erg alles is. [254]

Een boek als dit, geschreven door iemand die ooit als docent zijn brood verdiende, kon maar met éen onderwerp eindigen. Gerbrandy’s laatste essay gaat over de verwording van het Nederlandse onderwijs, waar een belachelijk magere middelmaat regel is, omdat alles leuk moet zijn, en uitblinken een vies woord.

Hij hoopt daarbij te overdrijven, maar toch:

Bij gebrek aan kritische intellectuelen, mensen die écht kunnen lezen en nadenken, mensen die breekijzers in de taal kunnen vormen, valt Nederland binnen afzienbare tijd ten prooi aan idioten, fundamentalisten en grootindustriëlen. Vervolgens nemen Chinezen, Indiërs, of Amerikanen hier de tent over, omdat het in hun landen nog wél normaal is om keihard te werken. [301]

En voor het eerst, op vrijwel de laatste pagina van het boek, vind ik dat Gerbrandy doorslaat. Allereerst omdat hij het belang dat buitenstaanders in deze zompige moerasdelta stellen nogal overdrijft, ten tweede omdat al zolang alles in Nederland altijd bij overleg gaat, en er misschien alleen daarom al nauwelijks tolerantie is voor kritische buitenstaanders — hoe geïnformeerd ook.

Maar een mens mag dromen…

Piet Gerbrandy, Omroepers van oproer
Breekijzers in taal

320 pagina’s
Contact, 2006

Living Novel ~ V.S. Pritchett

De Brit V.S. Pritchett [1900 – 1997] zou éen van de allerbeste schrijvers van korte verhalen zijn geweest.

V.S. Pritchett zou ook éen van de meest inzicht verschaffende boekencritici zijn geweest.

Van zulke claims kan het de moeite waard zijn om te onderzoeken wat er aan deugt. En dan moet gezegd, een willekeurige verzameling met korte verhalen van Pritchett maakte mij al direct bedachtzaam. Hij schreef goed. Niet dat dit hem voor mij meteen de allerbeste schrijver van korte verhalen ooit maakte. Maar hij schreef goed genoeg om in alle rust genoten te worden. Met hoogstens een paar verhalen per week.

Was er ondertussen gelegenheid genoeg om die andere kant van de auteur te leren kennen. Wat zijn ideeën over boeken waren, en waarom iets werkte in een roman, of niet.

En The Living Novel is in die zin een opmerkelijke bundel essays, omdat Pritchett er vrijwel alleen romans in bespreekt die ook in zijn tijd al oud waren. Het ging hem erom te zien wat het genre te bieden had toen de conventies zich nog moesten vormen, en auteurs zich niet lieten leiden door verwachtingen van hun uitgevers, of hun publiek.

Nu was die keuze voor deze boeken niet geheel vrijwillig. Deze bundel ontbeert een goede inleiding, maar ik leerde inmiddels uit Pritchett’s autobiografie dat de meeste stukken tijdens de Tweede Wereldoorlog werden geschreven. Toen kranten en tijdschriften nog wel boekenpagina’s brachten iedere week, maar nauwelijks nieuwe boeken verschenen.

Ik denk wel dat hij zich door deze keuze ruimte verschafte om zich vilein te keren tegen de voorspelbaarheid van wat er voordien en ook wat later nog aan boeken uitkwam. Pritchett deed nogal pesterige uitspraken. Zo betreurde hij dat de gewoonte verloren was gegaan om romans te illustreren. Dit had namelijk nogal wat overbodige beschrijvingen kunnen schelen.

En hij beantwoorde de vraag waarom iemand Dickens nog lezen zou, met de uitspraak dat diens boeken nogal wat levenskracht bezaten,

a vitality notably lacking in our own fiction. [75]

Enfin, dan ken ik niet alle werken die Pritchett in detail besprak. En dan kwamen bij mij misschien alleen de meer algemene uitspraken over de romankunst aan:

One of the reasons why bad novels are bad is not that the characters do not live, but they do not live with one another. They read one another’s mind through the author. [129]

Als overzichtswerk, bijvoorbeeld om te zien welke Britse auteur welke nieuwe elementen in de roman introduceerde — geen onderwerp waar ik uit mijzelf een boek over zou hebben uitgekozen, maar dat me nu toch probleemloos interesseerde — was deze essaybundel van Pritchett de moeite. Bovendien was prettig dat al deze stukken als een intelligent gesprek zijn. Pritchett probeerde me nooit iets te verkopen, of op te dringen — hij vertegenwoordigde geen universitaire school aan literatuurkritiek, maar was gewoon een ervaren auteur die keek wat eerdere collega’s hadden uitgeprobeerd.

Besteedde hij ook nog aandacht aan wat grote Russen en Fransen.

V.S. Pritchett, The Living Novel
260 pagina’s
Chatto & Windus, 1954

Lord Gnome’s Literary Companion ~ Francis Wheen (ed.)

Recensenten kan ik om verschillende redenen bewonderen. Bij Komrij is dat al gauw de taal, en het onverbiddelijke oordeel. Szymborska brengt humor, en wijsheid. Wood heeft dan weer een goede bullshit detector. Maar geen van deze drie is zo compleet als The Bookworm, die recensies schrijft in het satirische blad Private Eye. Biedt deze daarbij niet zelden opvallende inside informatie over het boekenvak.

Al zij hierbij opgemerkt dat The Bookworm niet bestaat. De stukken in Private Eye, dat het meest voor het recht gedaagde blad in Groot-Brittannië is, zijn vaak anoniem. Niet zelden leveren journalisten of schrijvers materiaal aan dat ze bij hun werkgever niet zo kunnen publiceren. En dit geldt waarschijnlijk ook voor de boekbesprekingen.

Tegelijk viel mij op dat recensies van The Bookworm wel een opvallende eenheid in toon hebben. Dus óf Francis Wheen is een heel strenge eindredacteur, die alles herschrijft, óf zijn leveranciers schrijven hun teksten op toon van de rubriek — vaste elementen in periodieken leggen die dwang ook op, opvallend genoeg.

Ik las Lord Gnome’s Literary Companion al eens eerder, relatief lang geleden — toen boeklog nog totaal ondenkbaar was — en moest toen de recensenten vaak wat knarsentandend gelijk geven. Indertijd had ik nog literaire helden onder de Britten. En dit boek heeft voor niemand een goed woord over. Ook voor die toenmalige helden niet.

Ditmaal las het alsof me wreed een spiegel werd voorgehouden. Ik kon namelijk niet anders dan de stukken bewonderen, om hun formuleringskracht, hun humor, en de inzichten die het bood. En tegelijk voelde ik me gedwongen om te gaan vergelijken, met mijn eigen inspanningen hier.

Ondanks dat boeklog een bijna dagelijkse haastklus vormt, waardoor elke zin een compromis is, wil ik toch wel degelijk een redelijk niveau halen. En Lord Gnome’s Literary Companion is vaak van een niveau dat ik nooit bereiken zal. Zelfs als die extra tijd wel besteed zou worden.

Het grote plezier voor mij als lezer schuurde met de jalousie de métier die ik voelde als collega-recensent.

Tegelijk komen op boeklog nauwelijks titels langs waarover ik fijn cabaret zou kunnen maken. Die zijn me domweg de moeite van het lezen niet waard. Een recensie over zulke boeken moet wel op een publiek worden geschreven — terwijl boeklog nog altijd meer leesdagboek is dan iets anders.

En soms trek ik wel degelijk vergelijkbare conclusies als The Bookworm:

The most cursory glance at the literary history of the past 150 years swiftly dispels the illusion that books were ever reviewed simply on their merits. [52]

Vandaar ook dat het blad er een zeker genoegen in schept te signaleren wie er nu weer een goede recensie van een vriend of vriendin heeft gekregen.

Mooi aan deze bundel recensies is onder meer dat ook bestsellers besproken worden. En auteurs van genre-fictie, zoals een stamgast op boeklog:

Dick Francis occupies an important place in English letters. He is the favourite writer of people who hate reading [58]

De woorden die gewijd werden aan vroegere helden deden me nu absoluut geen enkele pijn meer. Ook al omdat ik me op boeklog inmiddels soms al steviger over hen heb uitgelaten.

Ian McEwan’s novels — five of them now since the painfully wrought miniature of The Cement Garden back in 1978 — are generic. Their characteristic is that they resemble other novels by Ian McEwan. [134]

Terwijl de woorden over Updike’s roman Memoirs of the Ford Administration me indertijd wel degelijk hebben geholpen eindelijk een eigen mening over diens romans te formuleren. Als ik die al niet zo goed vond tijdens het lezen, mocht dit ook.

Good prose, Orwell famously remarked, is like a window-pane. Updike’s, though, is nearer to stained glass – full of light and colour and extremely pretty, but in the end only obscuring the variety of scene and incident beyond. [185]

Van deze leesbeurt nam ik de veroordeling over de in serie geproduceerde bloemlezing mee.

Anthologies are a publisher’s delight. Writer’s don’t have to write them, readers don’t read them. [329]

Ik heb ondertussen ontdekt zulke boeken niet meer te kunnen kunnen lezen. Maar dat het voor uitgeverijen opvallend loont om reeksen uit te geven met hun naam als eerste deel van de titel was toch een waarheid die nu pas werkelijk doordrong.

Francis Wheen (ed.), Lord Gnome’s Literary Companion
362 pagina’s
Verso, 1994

Revanche van de roman ~ Thomas Vaessens

Hoogleraar Moderne Nederlandse letterkunde, dat lijkt me meer de benaming voor een sadistische straf dan de aanduiding voor een achtenswaardig beroep. Het is al zo zelden een genoegen om Nederlandstalige fictie en poëzie te lezen. Laat staan om er serieus studie van te maken, en beschouwingen over te schrijven.

Tegelijk zou zo’n positie wel degelijk nut hebben, als een soort Keuringsdienst van waren. Maar geen man of vrouw die zich daartoe geroepen heeft gevoeld — als er al eens kritiek komt op het aanbod, blijft die in de meest algemene termen steken. Nooit wordt het niveau vergeleken met wat in het buitenland gebeurt.

Thomas Vaessens is een redelijk verse Hoogleraar literatralala. En zoals het dan gaat, moet hij eerst flink wat geurvlaggen plaatsen om een territorium af te bakenen. Dat gebeurt dan mede in deze monografie, De revanche van de roman, waarin hij vrijwel alles wat zijn voorgangers geschreven hebben voor het gemak meteen maar negeert.

Vaessens nam daarentegen nog wel de moeite om enkele recente Nederlandse romans te bespreken, om zo zijn visies toe te lichten.

Toevallig had ik een aantal van die boeken gelezen. Toch nog. Optimisme is nu eenmaal een intellectuele plicht, hoe moeilijk dat soms ook valt. Die titels waren Chaos en rumoer van Joost Zwagerman. De literaire kring van Marjolijn Februari, en Koetsier Herfst van Charlotte Mutsaers. En alleen daardoor viel al op dat Vaessens deze boeken weliswaar tot in het treurige detail navertelt, maar ook dat hij er niets meer uithaalt dan een gewone lezer als ik.

Vaessens gaat dan bijvoorbeeld uitleggen dat Zwagerman, in een boek over twee auteurs, laat doorklinken hoe hijzelf over het schrijven denkt, en over de problemen van dat métier.

Vaessens signaleert verder dat Marjolijn Februari weleens maatschappijkritiek uitoefent in haar columns. En dat dit genre tot zulke uitwassen leidt, is natuurlijk ongekend.

De crux van dit boek ligt misschien ook ergens anders. Vroeger namelijk, hebben de genoemde schrijvers vroeger werk geschreven. Die boeken zijn anders dan ze tegenwoordig maken. Alweer is dat geen conclusie waar ik bijzonder van opkeek.

En het verschil tussen toen en nu, volgens Vaessens, is dat toen het postmodernisme hevig woedde. Genoemde schrijvers daar ook behoorlijk aan leden. En dat het tegenwoordig weer beter met ze gaat.

Nu heb ik geen idee wat dat postmodernisme is. Het lijkt me een besmettelijke ziekte, uitgevonden door of voor Hoogleraren literatralala en ander universitair volk op zoek naar een wetenschap. Zij alleen kunnen de symptomen van het postmodernisme vaststellen. Genezen kunnen de literatuurwichelaars evenwel niet. Hoogstens opgelucht constateren dat de epidemie voorbijtrekt, zoals ondertussen schijnt te gebeuren.

Iets het label postmodernistisch geven, is nog het best vergelijkbaar met hoe doktoren vrouwen eeuwenlang de ziekte hysterie hebben toegedacht. Men was trots een etiket te kunnen hebben plakken, dacht met de benoeming ook de genezing in gang te hebben gezet — het aloude Repelsteeltje-syndroom — en tegelijk zei dit allemaal helemaal niets.

Vaessens toont zich opgelucht dat romans nu soms alweer meer met de werkelijkheid van doen hebben dan voorheen. Al gebeurt dit hem nog lang niet vaak genoeg.

Schadelijk is namelijk, niet in het minst voor de status van bijvoorbeeld zijn vak, dat schrijvers er tegenwoordig zo veel minder toe doen dan in de jaren vijftig en zestig. Morele autoriteit zoeken we niet meer in boeken.

Tegelijk hebben ook de Hoogleraren literatralala en hun vazallen stevig meegeholpen de status van de roman uit te hollen. Hun deconstructivisme, of hoe die al onwetenschappelijke methodiekjes ook heetten, brak alleen maar af. Dus moet het ook aan de faculteiten letterkunde allemaal anders van Vaessens.

En ach, zulk idealisme als slot van een boek heeft wel iets roerends.

Ondertussen verschijnen in Nederland de interessantste boeken in genres die Vaessens niet bestudeert; omdat die niet tot de bellettrie behoren.

Thomas Vaessens, De revanche van de roman
Literatuur, autoriteit, en engagement

255 pagina’s
Uitgeverij Vantilt, 2009

Kritysk kerwei ~ Anne Wadman

Recenseren is een vreemde activiteit. Zo vergt het schrijven van een serieuze recensie nogal wat inspanning, waar relatief weinig tegenover staat. Domweg omdat er tussen de bespreker en het besprokene zelden iets moois groeit, en hij of zij er dan toch over moet schrijven.

Het meeste wat gemaakt wordt, is niet opvallend goed. Noch opvallend slecht.

Recenseren is ook een merkwaardige activiteit door het verschil in beleving tussen makers en het publiek waartoe de bespreker hoort. Het kost tijd om een kunstwerk te produceren — terwijl dat werk altijd in een veel kortere tijd te consumeren is. Elke bespreking oordeelt daarmee ook of de inspanning van de kunstenaar de moeite waard is geweest; en is daarmee makkelijk als een opinie op te vatten over hem of haar als persoon.

Van alle recensies moeten besprekingen over Friese boeken wel het moeilijkst te schrijven zijn. Bij zo’n boek overheerst altijd de vreugde dat er toch weer een titel verschenen is, terwijl tegelijk de kwaliteit de ervaren lezer niet altijd zal meevallen. En, het wereldje is te klein. Iedereen die in het Fries publiceert, kent wie dat nog meer doet. Dus komt het regelmatig voor dat vrienden of collega-redacteuren elkaars werk bespreken. Dus ontstaan er ook al snel onwerkzame brouilles, die ondergronds decennia blijven smeulen.

Ik heb indertijd slechts enkele maanden Friese boeken gerecenseerd voor het literaire tijdschrift Farsk. Dit was voor het Skriuwersboun bij gelegenheid al voldoende aanleiding een Berufsverbot bij de provincie te eisen voor mij als beoordelaar van literatuur.

De auteur Anne Wadman [1919 – 1997] is meerdere decennia actief geweest als recensent van Friese boeken. Naast besprekingen voor het literaire blad De Tsjerne schreef hij tientallen, zo niet honderden, recensies voor Het Vrije Volk, en de Leeuwarder Courant. Een selectie daarvan uit de jaren 1950-1970 is verzameld in de bundel It kritysk kerwei. Daarnaast staan in dit boek nog enkele algemene stukken in over de Friese literatuur, en zijn de teksten opgenomen van enige radiocauserietjes.

Nu heeft Wadman de interessantste boeken uit de periode 1950-1970 niet gerecenseerd, zo bleek me al snel. Toen in 1964 een roman als Fabryk uitkwam, van Trinus Riemersma, had hij tijdelijk geen podium voor zijn besprekingen. En toch was ik ook niet direct geïnteresseerd in het luttele feit of Wadman het experiment in de Friese literatuur waardeerde.

Mij ging het bij het lezen om het grotere verband. Om de vraag hoe een recensent handelde die de wereldliteratuur kende, grootse ideeën had over wat literatuur moet zijn, en vervolgens veelal de brave voorspelbaarheid moest bespreken van publicaties uit de Kristlik Fryske Folksbibliotheek.

Wadman stelde zich daarbij vaak op als schoolmeester, zo viel me op. Wat op zich niet vreemd is, met dat vak verdiende hij zijn brood.

Zo corrigeerde hij meer dan eens in een recensie het gebruikte Fries van een auteur.

Opvallend vond ik ook dat Wadman weleens lui was als recensent. Hij deed soms stevige uitspraken zonder daar dan bewijs voor aan te dragen. Daarbij dan bijvoorbeeld een groot overzicht over iemands eerdere boeken suggererend, zonder dit ergens mee te staven. Dit kan een vorm van gemakzucht zijn geweest bij het schrijven, of misschien komt ook dat verschijnsel weer voort uit zijn schoolmeesterschap — iemands karakter wordt er zelden beter op als hij altijd slimmer is als zijn meest directe publiek, en dus te weinig tegenspraak krijgt.

Wadman won met zijn eerste bundel literaire kritieken in 1952 ook meteen de hoogste taalprijs in de Friese literatuur. Dat moet hem als criticus een zekere onaantastbaarheid hebben gegeven.

Over het geheel genomen leek hij me hard, maar helder te oordelen. En zo te zien werden boeken onbevooroordeeld bekeken. Als een boek waarvan hij niets verwacht had toch meeviel, gaf Wadman dit eerlijk aan. Alleen viel het meestal tegen. Wat het recenseren volgens mij toch tot een behoorlijk corvee moet hebben gemaakt. Al geldt dit vooral voor de besprekingen van romans — waar het verschil tussen lectuur en literatuur behoorlijk groot kon zijn — in de poëzierecensies had hij doorgaans minder te klagen.

Ik geloof best dat Anne Wadman iets had aan het inkomen dat het schrijven van recensies voor de krant moet hebben opgeleverd. Maar er moet toch ook wel meer hebben gespeeld. Mij intrigeert dus nogal waarom Wadman vrijwel zijn hele schrijvende carrière kritieken bleef schrijven. Vanwaar die opoffering, waarom dit masochisme?

Nu bevat de bundel It kritysk kerwei een titelstuk, dat bestaat uit een betoog dat Wadman in 1966 hield voor de regionale radio-omroep Rono. Daarin legde hij uit wat zijn opvattingen als criticus waren.

Elke vorm van literatuur had recht op toegewijde aandacht, zo zei Wadman bij die gelegenheid. Zelfs al was het misschien niet prettig om een boek te lezen dat ook in 1912 geschreven had kunnen zijn. Alleen betekende die aandacht ook dat een criticus daarop zijn eigen opvattingen hanteren mag. En dus dat hij vervolgens strijd mocht leveren.

Er moet toch iets aan die strijd zijn geweest dat hem ertoe kon verleiden telkens weer de pen op te pakken, en stevige correcties aan te brengen. Ook na die eerste tijd, toen hij zweeg over wat de Friese literatuur moest brengen.

Joke Corporaal schrijft hier alleen met geen woord over, in Grimmig eerlijk; de biografie die ze aan Wadman wijdde.

En ik denk: Wadman moet al die honderden kritieken haast wel uit een soort zendingsdrang hebben geschreven. Enerzijds om Friese auteurs aan te moedigen het volgende keer nog beter te doen, en aan de andere kant om het publiek zo goed mogelijk voor te lichten wat er allemaal verschenen was.

Of was er meer? Wilde hij zich misschien als autoriteit blijven positioneren? En verwierf hij door de positie als recensent niet ook een ideale verdedigingspositie tegen wie hem maar durfde kritiseren?

Het is jammer dat de vragen waar een biograaf antwoord op had moeten geven, vaak pas na het lezen van een levensbeschrijving worden geformuleerd.

Anne Wadman, It kritysk kerwei
Resinsjes en skogingen

332 pagina’s
Fryske Akademy, 1990

Hand van de dichter ~ Kees Fens

Hoe staat het met de literatuurkritiek in Nederland? Dat was het onderwerp waarover wijlen Kees Fens [1929 – 2008] zich in 1996 uitsprak tijdens tweede Mr. W.P. Sautijn Kluit-lezing.

Deze lezingenreeks was een kortstondig initiatief van mijn Alma mater; waarschijnlijk in de eerste plaats bedoeld om zo een netwerk op te bouwen van mensen die met verstand konden spreken over wat kranten moeten brengen.

En volgens mij ben ik al niet eens meer naar de tweede lezing geweest; was ik indertijd verstandig genoeg om me de tekst te laten toesturen. Dat scheelt tijd. Al miste ik natuurlijk zo wel gelegenheid om te netwerken met de aanwezigen.

Fens’ rede is ook afgedrukt in De Gids, 159ste jaargang, nummer 11/12, van 1996. Als om te benadrukken dat ervaren journalisten en schrijvers altijd nog wel iets hebben liggen, als ze om een inspanning wordt gevraagd.

De tekst, met de titel ‘Een hand van de dichter’, biedt vooral een beknopt overzicht van de status die literatuurkritiek had in Nederland. Begonnen bij Conrad Busken Huet in de negentiende eeuw bleef het beeld lang gelijk. Er was lang telkens slechts éen toonaangevende kunstpaus actief. Waarbij het wel zo kon zijn dat deze pas postuum zijn grootste invloed kreeg.

Kees Fens stelde bijvoorbeeld dat Ter Braak pas na de Tweede Wereldoorlog aanbeden werd — waarbij vooral diens zelfmoord in 1940 van betekenis moet zijn geweest. Hoewel Ter Braak daarvoor natuurlijk actief was in het tijdschrift Forum, en hij kritieken schreef voor Het Vaderland, was het lezerspubliek van die uitgaven klein.

Na Busken Huet en Ter Braak was er nog Gomperts. Opvolgers kregen zij niet. Daarmee waren er geen pausen meer die oplegden wat goed was, en wat niet.

Hoe kwam dit? En wat waren de gevolgen van deze verschuiving?

Fens wijst erop dat kritieken minder artistiek werden. Vanaf de jaren zestig kon iedereen criticus worden, of dat althans leren — zijn tijdschrift Merlyn was ook een kweekvijver voor boekbesprekers — en met deze professionaliseringslag trad de nivellering in.

Tegelijk begonnen de uitgevers steeds meer boeken te produceren. Waardoor geen mens nog langer kon beweren het overzicht hebben van alles wat er verscheen. Terwijl Fens, toen hij begon, wekelijks op een halve krantenpagina kalmpjes nog een representatief overzicht van nieuwe titels kon bespreken.

In 1996, toen hij sprak, was elke behoorlijke krant ertoe over gegaan wekelijks een boekenbijlage uit te brengen. Het leger aan betaalde recensenten was toen waarschijnlijk even groter dan ooit.

Ordening en hiërarchie aanbrengen, lukt daardoor niet meer, zo zei Fens. Het enige wat de recensent rest, is signaleren dat een titel uitkomt.

[…] waar allen gelijk of bijna gelijk zijn, is ordening onmogelijk. Ik heb er al eens eerder op gewezen dat in dit verband het laatste hoofdstuk van Anbeeks literatuurgeschiedenis typerend is: hij kan geen ordening aanbrengen, maar slechts namen en titels noemen. De criticus, de voorganger van de geschiedschrijver, heeft het niet kunnen doen. De literatuur heeft dat zelf onmogelijk gemaakt door zich niet langer in richtingen, stromingen te profileren, maar alleen nog maar individueel en dus in verscheidenheid. Ik meen te kunnen vaststellen dat de literaire kritiek zoals ik die van Huet tot Gomperts heb trachten te beschrijven, definitief voorbij is. Zoals een samenhangende literatuur voorbij is. En zoals de literatuur door de verscheidenheid die norm is geworden, aan belang heeft ingeboet. [15]

En over deze conclusies moet ik dan toch even nadenken. Dat literatuur aan status heeft ingeboet, lijkt me niet onwaar. Al is een vraag wel: status voor wie? Maar dat dit zou komen omdat er te veel geproduceerd wordt, niemand het overzicht heeft, en er dus geen keurmeesters zijn die kunnen opleggen wat goed is en niet, vind ik een wel heel merkwaardig idee.

Zat zijn katholicisme, met het idee van een centraal gevestigd gezag, en duidelijke hiërarchie, Fens hier niet toch weer eens dwars?

En ook, is dit niet een heel provinciale kijk op de zaken? In andere literaturen dan de Nederlandse was er toch al eerder zo’n productie dat niemand meer overzicht had, en desondanks toch duidelijk werd wie de bepalende schrijvers waren?

Kees Fens, ‘Een hand van de dichter’
Wie heeft de criticus nodig?
De ontwikkeling van de literaire kritiek in de Nederlandse dagbladen

16 pagina’s
Rede uitgesproken als de tweede Mr. W.P. Sautijn Kluit-lezing, 1996

Denkwijze 298 ~ Gerrit Jan Zwier

Zwier begon deze bundel met boekbesprekingen met een uithaal naar de Nederlandse literatuurrecensenten. Dat is een incestueus Randstedelijk gezelschap, dat alleen al bekende schrijvers bespreekt, of wat het toevallig goed op televisie heeft gedaan. Die heffen in hun verveling te vaak weer een onbeduidende debutant te hoog op het schild.

Gerrit Jan Zwier schreef zelf recensies voor de Leeuwarder Courant, het Hoofdblad van Friesland. Hij had zich zo in de jaren tachtig een vrijplaats geschapen om onbevangen te oordelen over wat er zoal verscheen aan bellettrie. Dus kon hij goed vergelijken tussen wat hij vond, en hoe anderen daar over dachten.

Een vraag werd daarmee wel of hij nog verrassend andere boeken had besproken dan ik me uit die tijd herinnerde. Of dat zijn oordeel opvallend anders was.

Moeilijkheid is ook dat ik eigen opinies heb, over sommige boeken. En dat mijn mening uit 2010 inmiddels een andere kan zijn dan die van twintig, vijfentwintig jaar geleden.

Maar, ik bleek het nu in elk geval opvallend vaak met hem eens te zijn, over gekende hoogtepunten uit die jaren. Frans Kellendonk zijn Mystiek lichaam?

suspecte filosofie […] in een schimmelige beeldspraak [132]

Oek de Jong’s Cirkel in het Gras?

Saaiheid is dan het gevolg, vooral als er eindeloos wordt doorgepraat over zieleroerselen en elke gevoelsnuance aan een nader onderzoek wordt onderwerpen. Er wordt ook veel te veel gedroomd in deze roman, wat wel veel symbolische verwijzingen oplevert, maar wederom afbreuk doet aan het tempo van de handeling. [128]

Over Geheim dagboek 1954-1955 van Hans Warren:

In momenten van opwinding of leegte grijpt Warren naar zijn ‘Eiffeltoren’ […] of naar zijn pen. Misschien is het intensieve geschrijf in het dagboek wel een vorm van geestelijke masturbatie. Het is duidelijk dat het een centrale plaats in het leven van deze schrijver inneemt; het is praatpaal, biechtstoel en remplaçant van minnaar, moeder en God de Vader tegelijk. […]

Na een lullificatie volgt een versificatie en omgekeerd.[197]

Andersom: Zwier prees de boeken die hij van mij ook goed had moeten vinden. De Braziliaanse brieven van August Willemsen. De Kroniek van een karakter van Brouwers. Quissama van Springer. En Advocaat van de hanen van A.F.Th. van der Heijden is inderdaad het meest meeslepende boek uit die hele cyclus van hem; zonder vervelende symboliek of andere nare Revisor-trekjes bovendien.

Eigenlijk is het helemaal niet goed om het zo met een criticus eens te zijn, als zijn oordeel naast het eigen gelegd kan worden. Dat schept nogal wat verplichtingen. Dat dwingt tot het lezen van boeken die hij ook prijst, en waar ik soms niet eens van gehoord heb. En wie de Nederlandse boekhandel kent, weet dat zulk werk nu vaak al nauwelijks meer te vinden zal zijn.

Gerrit Jan Zwier, Denkwijze 298
Hoogte- en dieptepunten in de
Nederlandse literatuur uit de jaren tachtig

207 pagina’s
De Prom Bibliofiel, 1991