deze boeklogjes vormen het dossier:

de Lucky Luke-verhalen, geschreven door René Goscinny

© Boeklog 2005-2017. Alle rechten voorbehouden

 

Naijver in Painful Gulch ~ Morris & Goscinny

Slechts twee stripreeksen verkochten beter in Europa: Kuifje en Asterix. En toch is de populariteit van Lucky Luke altijd wat langs me heen gegaan. Er staan albums van hem in de kast. Maar die heb ik ooit gekregen. Nooit was er lust om met zakgeld die verzameling aan te vullen.

Terwijl er toch boeken genoeg waren.

Alleen zit in die overmaat ook het probleem. Er bestaan heel aardige Lucky Luke-albums, die niet alleen voor jongens tot een jaar of acht negen te genieten zijn. Er zijn evenwel ook nogal wat minder gelukte uitgaven. Morris begon zijn cowboy al in 1947 te tekenen, en kwam toen nog niet veel verder dan het uitserveren van grappen. Hij had uiteindelijk scenaristen nodig om hem verhalen aan te leveren.

En zelden zal een striptekenaar in zijn carrière met zo veel verschillende schrijvers hebben samengewerkt.

De geniaalste scenarist van allemaal zou dan René Goscinny zijn geweest — die nog beter bekend is als maker van de eerste en goede Asterix-boeken. [1]

Dat is dan een waarheid die je voor kennisgeving aan kunt nemen. Alleen las ik laatst een Lucky Luke die door Morris en Goscinny samen werd gemaakt, en toen verraste dat boek. En ook een tweede proeve van hun samenwerking smaakte naar meer.

Daarom zal boeklog de komende weken, zo niet maanden, aandacht besteden aan alle Lucky Luke-albums waaraan Goscinny mee heeft gewerkt.

Volgens de informatie op het boek was Naijver in Painful Gulch [Les Rivaux de Painful Gulch] in 1961 het eerste verhaal waarin door de twee werd samengewerkt — terwijl dit toch al de negentiende boekuitgave in de reeks is. Wikipedia weet in sommige talen iets anders, Lambiek’s Comiclopedia heeft het over eerdere anonieme bijdragen, maar je moet ergens vanuit gaan.

Naijver in Painful Gulch biedt een variant op een vrij vast gegeven in de Lucky Luke-boeken. Ergens in het Wilde Westen van Amerika, eind negentiende eeuw, lijdt een stadje onder de tirannie van iets of iemand. Daarop grijpt onze held in.

In dit boek zijn het twee families die elkaar bij alles naar het leven staan — al zijn ze allang vergeten waarom.

En dat gaat het me nu te ver om hier parallellen te trekken met conflicten in het Midden-Oosten. Maar dan zou zo’n eenvoudig stripalbum als dit wel degelijk zo gelezen kunnen worden. Vooral omdat Morris & Goscinny zo prettig de domheid laten zien van blinde haat.

[ wordt vervolgd ]

Morris & Goscinny, Naijver in Painful Gulch
44 pagina’s
Uitgeverij Jean Dupuis, N.V.
vertaling van Les Rivaux de Painful Gulch, 1961
  1. N.B. Asterix begon in 1959, de samenwerking tussen Morris en Goscinny voor Lucky Luke in 1961 — al hebben andere bronnen het over 1955. Wellicht ontwikkelden beide strips zich parallel. []

Billy the Kid ~ Morris & Goscinny

Gezien mijn grote hekel aan historische romans zou ik een nog grotere afkeer moeten hebben van strips die spelen in het verleden. Als het een schrijver in zoiets abstracts als het woord al onmogelijk is om anachronismen te vermijden, lukt dat een tekenaar al helemaal niet.

En het moet gezegd, realistisch getekende strips die in het negentiende-eeuwse Amerika spelen doen me niets — zelfs Blueberry niet van de door mij verder toch zeer bewonderde Jean Giraud.

Bij de strip Lucky Luke maakt het dan weer niet uit dat strip in de negentiende eeuw zou spelen.

Deze verhalen zijn namelijk op een gecreëerde en daarmee onechte werkelijkheid gebaseerd. Door alle films, de boeken, en zelfs de muziek, bestaat er een merkwaardig scherp idee in onze cultuur over wat dat Wilde Westen zou zijn; en wie daar zoal rondlopen.

Morris & Goscinny spelen altijd prettig met de clichés die zo ontstaan zijn.

Voor het album Billy the Kid is de naam en de reputatie gebruikt van werkelijk bestaand iemand. William H. Bonney [1859 — 1881], die op zijn twaalfde al voor het eerst iemand zou hebben doodgeschoten.

De Billy the Kid in dit boek is nog een halve kleuter, die vaak op de loop van zijn revolver zuigt ter troost. [Amerikanen gebruiken het woord ‘pacifier’ voor fopspeen, maar ‘pacifier’ is ook de bijnaam van een zwaar type revolver.]

En aan dit verhaal valt op dat The Kid bijna niet gewelddadig is in beeld. Zijn kwalijke reputatie volstaat om eenieder angst aan te jagen. En iedereen aanvaardt dat ook; omdat een bekend gevaar tenminste het voordeel heeft bekend te zijn.

De enige reden waarom Lucky Luke hem voor de rechter kan slepen, is omdat Billy de Kid in het voorbijgaan wat snoep heeft gejat bij de lokale levensmiddelenwinkel. In de Vlaamse vertaling van toen stal hij ‘ulevellen’.

Vanzelfsprekend spreekt de jury van dorpsbewoners hem vrij van deze schanddaad — te bang voor de mogelijke gevolgen als hij weer vrij komt.

En dan gaat het te ver om een humoristisch verhaal filosofisch te gaan duiden. Maar de angstige reacties op Billy the Kid lijken me een perfecte illustratie voor wat terreur doet met een bevolking — en welke belachelijke trekjes die reactie zoal hebben kan. Omdat gevaar slechts in de gedachten hoeft te bestaan.

[ wordt vervolgd ]

Morris & Goscinny, Billy the Kid
46 pagina’s
Uitgeverij Jean Dupuis, N.V.
vertaling van Billy the Kid, 1961

Zwarte heuvels ~ Morris & Goscinny

Mijn problemen met de stripreeks Lucky Luke zijn voornamelijk ontstaan doordat de held van de verhalen zo vervelend perfect is. [1]

Hij is ook zo redelijk steeds.

‘Lucky Luke: De man die sneller schiet dan zijn schaduw’, stond er vroeger altijd achterop de albums. En die eigenschap maakt hem dan tot een superheld — en je moet waarschijnlijk in de VS zijn opgegroeid om aardigheid in superhelden te hebben. Uit hun grote status daar spreekt een naïef soort optimisme dat mij volkomen vreemd is.

Perfectie bestaat, en zou zelfs weggelegd zijn voor mensen?

Europeanen houden in hun cultuur meer van schlemielen.

Gelukkig is in de Lucky Luke-albums verder ieder ander dan de hoofdpersoon altijd een schlemiel. Dus zijn alle boeken te zien als een verkenning van een krankzinnige wereld door de redelijkheid in persoon.

En de genialiteit van Goscinny als scenarist is dan waarschijnlijk dat hij die wereld telkens net vreemd genoeg maakt om grappig te zijn, en daarbij toch herkenbaar houdt; spelend met alle clichés die er bestaan over het Wilde Westen — of zoals in dit album ook: met ideeën over de politiek.

Er zit enige maat in de chaos, en tegelijk blijft er toch onvoorspelbaarheid.

Het stripalbum De zwarte heuvels werd weer eens gebaseerd op een historisch gegeven. De grens van de ‘beschaafde’ wereld hield op een gegven moment op aan de oostgrens van Wyoming. Maar pioniers wilden daar voorbij, over de zwarte heuvels, om verderop land te ontginnen. Ware het niet dat de Cheyennes daar ook al leefden.

In dit album is de aanwezigheid van die indianenstam het probleem niet. Een snoodaard heeft zo zijn eigen redenen om geen andere blanken in het gebied te dulden.

Wat dit boek heel prettig maakte, is de aanwezigheid van vier geleerden, die met de pioniers meetrekken naar het Westen. Vanzelfsprekend zijn deze wetenschappers allemaal op hun eigen manier wereldvreemd. Wonderbaarlijk genoeg maakt dit dan voor hun overlevingskansen geheel niet uit.

[ wordt vervolgd ]

Morris & Goscinny, De zwarte heuvels
46 pagina’s
Uitgeverij Jean Dupuis, N.V.
vertaling van Les Collines noires, 1962
  1. toegegeven, in de eerste boeken is hij dat niet. Alleen zijn de verhalen in deze albums niet heel interessant. []

Daltons in de blizzard ~ Morris & Goscinny

Er is veel prettig aan het produceren van maatwerk in serie. Routines maken rustig. Want veel ligt al vast. Inspanning is slechts nodig om te bedenken welke afwijking van het vaste stramien nu weer eens geprobeerd moet worden — maar daar is wel energie voor ook.

Dit basale mechanisme gaat zelfs al op voor het schrijven van boeklogjes. De zekerheid dat ik deze vrijdag en de komende vrijdagen over Lucky Luke ga schrijven, is prettig. Laat staan dat de makers van stripreeksen of andere series niet zouden uitbuiten wat er mogelijk wordt door hoogstens minieme variaties te brengen op het al bekende.

Is wel een probleem dat het publiek kan afhaken, als dit niet genoeg meer verrast wordt met een nieuw album, liedje, of de aflevering van een TV-programma.

En dat Lucky Luke nooit een jeugdheld werd, kwam mede doordat zo veel van de albums uit de serie over de Daltons gaan.

Deze boeken leken me altijd volstrekt inwisselbaar. Omdat de vier misdadige broers Dalton te voorspelbaar zijn in hun gedrag. Van de vier hebben ook alleen de kleinste en de grootste een eigen karakter. De kleine Joe is kwaadaardig en driftig, en weet ten onrechte zeker dat hij het brein is van de bende. En het voornaamste kenmerk van de lange Averell is dat hij altijd honger heeft. De middelste twee, William en Jack, zijn volstrekt inwisselbaar, en daarmee al gauw bladvulling. Het enige dat ze uit zichzelf doen, is hun broer Joe tegenhouden als deze Averell te lijf wil gaan.

Alleen zijn de Daltons zo dom niet, of ze weten toch altijd weer uit de gevangenis te ontsnappen; of door een andere reden vrij te komen. Waarop Lucky Luke weer achter ze aan mag om ze te vangen.

Zo bekend is dit stramien dat ik eerst De Daltons in de blizzard las, om te zien of het überhaupt de moeite loonde om me te verdiepen in René Goscinny’s stripscenario’s.

En ziet: toen was dit stripalbum helemaal niet vervelend. De Daltons vluchtten namelijk nu eens naar Canada — wat Goscinny onder meer prettig de ruimte gaf om te spelen met clichés over heel beleefde Canadezen.

[ wordt vervolgd ]

Morris & Goscinny, De Daltons in de blizzard
46 pagina’s
Uitgeverij Jean Dupuis, N.V.
vertaling van Les Dalton dans le blizzard, 1962

Daltons op vrije voeten ~ Morris & Goscinny

Iedereen is dom in de albums van Lucky Luke. Behalve dan de hoofdpersoon. En zijn paard wordt in de loop der tijd ook steeds intelligenter.

En de domheid van de andere personages kan gauw te ver gaan — als deze te voorspelbaar wordt.

Mijn minst geliefde vaste personage in de hele stripreeks was altijd Rataplan. De hond. Die in de gevangenis als taak heeft om de Daltons te bewaken. Wat altijd mis gaat, omdat het beest alleen in eten is geïnteresseerd.

Inmiddels denk ik overigens iets milder over de hond. Dat kwam door de simpele ontdekking dat het beest oorspronkelijk Rantanplan heet, in het Frans. Waarmee ineens wel duidelijk werd dat het dier een persiflage is op Rin Tin Tin – de superhond die ooit een groot filmpersonage was in Hollywood.

In De Daltons op vrije voeten speelt Rataplan/Rantanplan voor de verandering overigens eens een heldenrol, als hij beledigd is over de minachting die hem ten deel viel, en Lucky Luke naar de schuilplaats leidt van de ontsnapte Daltons. Dat trekt het verhaal dan weer los.

De Daltons zijn in dit boek eerst op vrije voeten gekomen doordat een nieuwe president bij zijn beëdiging alle gevangen gratie gaf. Maar vervolgens vielen de broers in hun oude misdadige gedrag terug, werden ze zoals gebruikelijk gevangen genomen door Lucky Luke, en ontsnapten ze weer eens tijdens een belegering van hun verblijfplaats door de Apachen.

En met de aanwezigheid van die indianen in de strip had ik ineens wat moeite. Deze spreken voor de gelegenheid een brabbeltaaltje onderling, dat grappig lijkt omdat de schrijver willekeurig wat bekende woorden door hun gebrabbel heen mengt.

Maar waarom zeiden ze ‘Kénédi! kénédi! kénédi!’? In een strip die in 1963 verscheen? Op het moment dat er een doodstraf wordt uitgesproken?

Van Goscinny is bekend dat hij actuele grapjes en andere persiflages vermengde in het verhaal van de strip Asterix — die eerst in een krant verscheen ook. Voor het grootste deel waren dat Franse grapjes over Franse actualiteiten die een buitenstaander niets zeggen zullen. Zonder voetnoten erbij.

Zal hij in Lucky Luke ook zo weleens wat hebben uitgehaald.

Kénédi klinkt als Frans voor Kennedy, zo veel is zeker. Begreep ik daarom een indertijd actuele verwijzing nu eens een keer? Omdat die zo cru is?

[ wordt vervolgd ]

Morris & Goscinny, De Daltons op vrije voeten
46 pagina’s
Uitgeverij Jean Dupuis, N.V.
vertaling van Les Dalton courent toujours, 1964

Karavaan ~ Morris & Goscinny

Maurice de Bevere (Morris) ging in Aalst op school, bij de paters vast, en hij schijnt al zijn leraren later in de Lucky Luke-abums te hebben vereeuwigd. Als begrafenisondernemers altijd. Ook plechtig in het zwart.

En het valt op, in vrijwel alle boeken komt wel zo’n begrafenisondernemer voor. Die dan steevast blij is met de aanwezigheid van zware misdadigers in de buurt; want dat levert gauw eens klandizie op. Geen van deze griezels lijkt ook op de griezel uit een eerder album. Tot nu toe.

Toch gaat er nooit iemand dood in de stripverhalen. Op een beest of wat na dan dat als maaltijd dient. Maar daarvan is het sterven buiten het verhaal gehouden.

In het album De karavaan [nr. 24] rijdt de begrafenisondernemer voor het gemak mee met de huifkarren die naar Californië trekken. Er vast van overtuigd dat er slachtoffers zullen vallen tijdens de moeizame reis.

Daarbij krijgt hij in de loop van de trek gezelschap van een uitvinder, die me ook een karikatuur lijkt van iets of iemand. Daarvoor is dat mannetje te zorgvuldig getekend; in vergelijking met andere figuranten. Maar van welke beroemdheid, lokaal of internationaal, was het omstreeks 1963 aannemelijk dat die een rol als verstrooid genie spelen kon?

De uitvinder dacht steeds een wagen te hebben ontwikkeld die uit zichzelf bewegen kon. Alleen crashten zijn auto-mobielen telkens direct. Rijden is dan ook niets. Gecontroleerd kunnen stoppen, dat betekent pas wat bij het maken van een rijdend ding.

Verder was De karavaan het minste album dat ik las tot nu toe. Wellicht kwam dit door de voorspelbaarheid van het verhaal. Zo’n huifkartrek lukt, of lukt niet. En in de albums van Lucky Luke is er een vrij grote zekerheid dat de poging wel lukken zal. Maar ook dat er tot het einde pogingen tot sabotage zullen worden verricht.

Toch is nu juist in 2007 nog een lange tekenfilm naar dit verhaal gemaakt — waarschijnlijk omdat zo’n reis een aardig vehikel is om dingen te laten gebeuren.

Enige aardige grap uit het boek was die over scalperen — na de onvermijdelijke belegering van het konvooi door een indianenstam. Zin in vechten hebben de indianen eigenlijk niet. Maar ze zijn toch ook aan hun stand verplicht enkele scalps te oogsten.

En ziet, wat een geluk dat er dan ook een Franse barbier meerijdt in de karavaan, die de laatste Parijse haarmode in Californië wilde introduceren, en daarom nogal wat pruiken mee heeft genomen.

[ wordt vervolgd ]

Morris & Goscinny, De karavaan
46 pagina’s
Uitgeverij Jean Dupuis, N.V.
vertaling van La Caravane, 1964

Spookstad ~ Morris & Goscinny

Een vaste woonplaats lijkt Lucky Luke niet te hebben. En zingt hij niet altijd aan het einde van het boek dat hij maar een arme eenzame cowboy is, ver weg van huis?

Toch hangt hij aan het begin van een nieuw avontuur opvallend vaak rond in het dorp ‘Nothing Gulch’ of anders wel in ‘Pleasant Gulch’. En die plaatsen zullen ergens in Texas liggen.

Nogal wat meer plaatsnamen in de stripalbums eindigen trouwens op ‘Gulch’ — overigens ook echt een geografische aanduiding voor een bepaald soort vallei. Zo vaak komt dit voor, dat Morris & Goscinny er aardigheid in moeten hebben gehad om juist dit voor de Fransen onuitsprekelijke woord te gebruiken.

De plaats in het album De spookstad heet dan weer Gold Hill. En volgens Goscinny is dat tegenwoordig een grote landbouwstad met 687.541 inwoners, verscheidene graansilo’s en moderne slachthuizen.

Telkens als een avontuur zich in of rond een dorp afspeelde werd daar op een gegeven moment terloops nog een vervolg bij bedacht.

Gold Hill werd uit de grond gestampt tijdens een gold rush. Alleen was er geen goud te vinden, ondanks de naam. Dus trok iedereen weer weg, op éen fanatieke oude man na. Powell. Die er als jongeling bezwendeld was, en al zijn geld had geïnvesteerd in een lokale concessie; nadat een oplichter had laten zien hoe makkelijk er goud te vinden zou zijn.

Deze truc, met het ‘opsieren’ van grond, zodat het lijkt of er gouderts aanwezig is, wordt in het stripalbum herhaald. Een nieuwe ‘gold rush’ waait aan. Die even snel weer uitdooft als begint.

En dit album liet me nadenken over geschiedenis — die er in Europa volop bestaat, zelfs het land is hier gevormd door mensen en beesten. Elementen die in de VS nu net ontbreken.

Het is daarmee opvallend hoe vaak Morris & Goscinny spookdorpen opvoeren in de albums. Spelen de verhalen zich vaak af aan de frontier — die grens van de beschaving — is er eerder toch ook al plaatselijk bewoning en stedenbouw geweest.

[ wordt vervolgd ]

Morris & Goscinny, De spookstad
46 pagina’s
Uitgeverij Jean Dupuis, N.V.
vertaling van La Ville fantôme, 1965

Daltons kopen zich vrij ~ Morris & Goscinny

Het grote variëren op al gekende sjablonen begint in het achtste album van Lucky Luke met René Goscinny als auteur op het kaft. En misschien kan dit ook weinig anders in een verhaal waarin de vier broers Dalton weer eens een hoofdrol krijgen.

Want deze Daltons zitten altijd gevangen aan het begin van een boek. Dus moeten ze eerst vrijkomen voor een verhaal kan beginnen. En de makers hebben niet meer dan twee manieren om ze vrij te krijgen. a] Ze ontsnappen door een onachtzaamheid van de autoriteiten, of b] de autoriteiten maken een andere domme fout.

De Daltons kopen zich vrij is een boek volgens de b]-variant. Het Hooggerechtshof van de VS vindt zich in de kritiek dat er niet genoeg gedaan wordt aan het heropvoeden van gevangenen. Dus worden als proef De Daltons vrijgelaten voor een maand.

Weten zij zich in deze tijd te gedragen, dan zijn ze vrij na afloop. Vallen ze terug in hun misdadige gewoontes, verdwijnen ze voor altijd achter tralies.

En vervolgens weet Goscinny aardig gebruik te maken van het gegeven dat De Daltons niets misdadigs mogen doen, terwijl de hele bevolking van ‘Tortilla Gulch’ denkt dat het nog altijd grote schurken zijn; die maar het best tevreden kunnen worden gehouden door ze ongevraagd buit te schenken.

Alleen draait het eerdere album Billy the Kid om vrijwel dezelfde grap. Als een kwalijke reputatie eenmaal gevestigd is, hoeft die niet eens meer bevestigd te worden.

Zijn er ook andere bandieten in de streek, die dan ineens doen of zij de Daltons zijn — waardoor het nog tot een aardige confrontatie komt tussen beide groepen.

En vanzelfsprekend mislukt het experiment, en slagen de Dalton er niet in om zich een maand lang te gedragen.

Heropvoeding van gevangenen moet ook al tijdens hun opsluiting beginnen — een waarheid zo groot dat Nederlandse politici die nog altijd niet willen begrijpen.

[ wordt vervolgd ]

Morris & Goscinny, De Daltons kopen zich vrij
46 pagina’s
Uitgeverij Jean Dupuis, N.V.
vertaling van Les Dalton se rachètent, 1965

20ste cavalerie ~ Morris & Goscinny

Halverwege de jaren zestig lijkt de inspiratie weg te zijn bij Goscinny. Het achtste, negende, en tiende album dat hij schreef voor de reeks Lucky Luke zijn duidelijk variaties op eerdere thema’s. Passen op de plaats. Boeken die het moeten hebben van de grappige terzijdes; en niet zo zeer van het verhaal.

In Het 20ste cavalerie wordt teruggegrepen op het verhaal uit De zwarte heuvels. De Cheyennes in Wyoming hebben daarin een bestand gesloten met de Amerikaanse regering. Dit houdt in dat iedereen ongehinderd door het gebied kan reizen, mist ze van de buffels afblijven die de indianen als hun jachtbuit zien.

Om op dit verdrag toe te zien, wordt er een legerplaats gevestigd, met daarin de 20ste cavalerie.

Maar plots is het bestand geschonden — anders zou er geen verhaal zijn ook — de indianen beschieten ineens de reizigers in het gebied.

Achter deze agressiviteit van de indianen zit een rancuneuze blanke — net als in De zwarte heuvels. En helemaal duidelijk wordt het album niet over wat hem motiveert. Slechts dat hij een deserteur is, uit de cavalerie; gevlucht vermoedelijk om de kadaverdiscipline daar.

Want die doorgedreven discipline in het fort is de beste grap in het boek. Kolonel Mac Straggle wil dat alles daar volgens de regels gebeurt. Ook tijdens een belegering door de indianen — als de voedselschuur is afgebrand, en cavaleristen ondanks dat er geen aardappelen zijn toch als corvee aardappelen moeten schillen.

Dat het leger zich voorspelbaar gedraagt, volgens hun strikte regels, is een trope die hierna overigens vaker terug zal keren in de albums van Lucky Luke.

Voornaamste slachtoffer van kolonel Mac Straggle’s kadaverdisicipline is zijn eigen zoon, die vooral niet het idee mag krijgen voorgetrokken te worden vanwege de familieband.

Lang vermoedde ik dat de deserteur die de indianen ophitste nog weer een oudere zoon van Mac Straggle was; die zich flink op zijn vader wilde wreken. Maar dat was te romantisch gedacht.

Werd de zo gepeste zoon van Mac Straggle wel de held van het boek, daarmee Lucky Luke eigenlijk naar het tweede plan degraderend.

[ wordt vervolgd ]

Morris & Goscinny, Het 20ste cavalerie
46 pagina’s
Uitgeverij Jean Dupuis, N.V.
vertaling van Le 20e de cavalerie, 1966

Escorte ~ Morris & Goscinny

Naast de teksten voor Asterix schreef René Goscinny [1926 — 1977] begin jaren zestig ook de scenario’s voor de stripreeksen Lucky Luke, Grootvizier Iznogoedh, en de verhaaltjes over de kleine Nicolas/Nicolaas. Tezelfdertijd was hij redacteur en later zelfs hoofdredacteur van het stripblad Pilote.

Veel van wat hij toen maakte is zonder meer briljant. En dat nog altijd.

Maar het zal ook duidelijk zijn dat niet alles altijd lukte.

Dat is overigens geen verwijt. Mij interesseert in deze reeks op boeklog allereerst welke trucs Goscinny toepaste om zichzelf het leven makkelijker te maken. Van de Asterix-reeks is bijvoorbeeld bekend dat die een vast ritme had. Als het ene album een verhaal had dat thuis speelde, moesten de striphelden het volgende boek weer op reis.

En door zo’n reis kon de schrijver dan gauw weer eens met nieuwe stereotypen spelen.

Bij verhalen die in het 19e-eeuwse Amerika spelen, is er al veel minder mogelijk met cultuurschokken. De Daltons kunnen een keer naar Canada vluchten, of ze zoeken het geluk eens over de grens in Mexico. En dan houdt het aan ontsnappingsmogelijkheden al aardig op.

Het stripalbum Het escorte is misschien daarom ineens een zwaktebod van Morris & Goscinny. De makers variëren slechts op tropes die in eerdere boeken al beter zijn uitgewerkt. Zoals in het album Billy the Kid.

In Het escorte moet Billy the Kid berecht worden in de buurstaat New Mexico; ondanks dat hij in Texas al veroordeeld is tot 1.247 jaar dwangarbeid. En de gevangenisdirectie gaat in deze aanklacht mee, met het idee dat de misdadiger bij de buren waarschijnlijk wel opgeknoopt zal worden.

Vanzelfsprekend is Lucky Luke de enige vertrouwd genoeg om Billy the Kid al die honderden mijlen te escorteren.

Enfin. Daarop volgt er dus een herhaling van bekende verhaalelementen. De reis is moeizaam, want de misdadiger probeert te ontsnappen. Mensen die Billy the Kid herkennen, vrezen hem zeer. En er is een andere misdadiger die hem bevrijden wil, omdat Billy hem deel van de buit belooft uit zijn eerdere misdadigersbestaan.

Maar uiteindelijk komt het toch tot een rechtszaak. En die gaat dan om zoiets als een parkeerboete. Vergeef me als ik de enige wellicht aardige grap uit het album hiermee verraad. Ik vond namelijk ook die ontknoping te voorspelbaar.

[ wordt vervolgd ]

Morris & Goscinny, Het escorte
46 pagina’s
Uitgeverij Jean Dupuis, N.V.
vertaling van L’Escorte, 1966

Prikkeldraad in de prairie ~ Morris & Goscinny

Eén van de oudste verhalen nog weleens verteld gaat over de strijd tussen een landbouwer en een veehoeder. Kaïn en Abel. Waarin de gesettelde landbouwer zijn broer de nomade doodsloeg. Waarop God hem vervloekte en hij voortaan ook op de zwerf moest.

Prikkeldraad in de prairie is evenwel geen Kaïn en Abel-verhaal. Hoewel dit dus goed had gekund.

Evenmin is het een verhaal met een parallel naar hoe de gemeenschappelijke gronden in Europa langzamerhand verkaveld raakten onder boeren.

Dit Lucky Luke-album heeft een veel simpeler probleemstelling. Landbouwer koopt grond in een gebied van rundveehouders. En deze vinden het geen probleem om hun kudden dwars over zijn land te sturen; omdat ze dit altijd zo deden.

Daarop maakt de landbouwer duidelijk dat zijn grond toch echt van hem is, en spant hij er prikkeldraad om heen — al is die draad niet te koop in de buurt, en moet deze uit het oosten van het land geïmporteerd worden. Wat nog behoorlijk moeilijk is.

Escalatie van de ruzie dreigt daarop.

Het enige interessante aan dit boek wat mij betreft werd daarmee dat ik van tevoren niet voorspellen kon voor wie Lucky Luke partij zou kiezen. Want wat het verhaal zou worden, viel al uit de titel af te leiden.

Helaas tekende Morris de grootste patsers in zijn boeken altijd op dezelfde manier. Als grote dikke mannen, met zwart golfjeshaar, bakkebaarden, en een snor. Dus toen de veehouder in het boek er als die standaard-hufter uitzag, wist ik genoeg.

Was nog wel aardig dat de beide partijen uiteindelijk ineens vrede sluiten, omdat voor boeren samenwerking heel belangrijk kan zijn om de problemen op te lossen die het weer oplevert.

Maar het enige waarover ik moest nadenken door dit boek was de innerlijke logica van de reeks. In Prikkeldraad in de prairie wordt bijvoorbeeld gedaan of afrasteringen niet bestaan in grote delen van Amerika. Waarmee zelfs de invoer van prikkeldraad al een verzetsdaad wordt. Terwijl in geen ander album hierover ooit een probleem wordt gemaakt.

Neemt niet weg dat de oorlog in Texas over prikkeldraad op de prairie wel degelijk een historisch gegeven is. Zij het dat die tussen veehouders onderling ging, met verschillende ideeën.

Zoals er in de Lucky Luke-strips die Goscinny schreef altijd wel ergens een historische kern te vinden is, voor wie zoekt; hoe versimpeld soms ook. Of anders wordt er wel een film naverteld.

[ wordt vervolgd ]

Morris & Goscinny, Prikkeldraad in de prairie
46 pagina’s
Uitgeverij Jean Dupuis, N.V.
vertaling van Des barbelés sur la prairie, 1967

Calamity Jane ~ Morris & Goscinny

Zeker twee keer eerder al kwam Calamity Jane voor in de Lucky Luke-verhalen tot een heel album aan haar werd gewijd. En alle drie de keren ziet ze er anders uit.

Innerlijk consistent is de reeks dan ook niet te noemen. Zo is Lucky Luke in alle boeken even oud. Terwijl een verhaal in elk decennium kan spelen tussen pakweg 1830 en 1910 — als er tenminste een historisch gegeven als basis gebruikt werd voor het verhaal.

Doorgaans werd dan ook vermeden om jaartallen te noemen.

Bovendien mocht de werkelijke geschiedenis een leuk verhaal vooral niet in de weg staan.

Dus leende Goscinny voor dit verhaal weliswaar de naam van een ooit roemruchte vrouw, maar wordt haar leven verder niet gebruikt. Het zal de schrijver alleen niet slecht zijn uitgekomen ook eens een vrouw als hoofdpersoon in een boek te kunnen opvoeren.

De belangrijkste verhaallijn in Calamity Jane stelt alleen niet zo veel voor. Lucky Luke moet onderzoeken hoe de Apachen plots aan geweren komen. Toevallig redt Calamity Jane [Rampspoed Jans] dan zijn leven, als hij net een bad neemt in een rivier, en daar ineens overvallen wordt.

Zij rijdt met hem mee naar een stadje waarvan Luke vermoedt dat er verdachte zaken gebeuren. En daar blijkt de belangrijkste lokale kroeg het centrum te zijn van illegale activiteiten.

Alleen verwerft Calamity Jane deze kroeg direct door er een weddenschap te winnen — waarna de voormalige uitbater van het etablissement het lokale vrouwenkransje van de stad tegen haar opzet; in de hoop dat hun acties tot een publieke boycott zullen leiden — en Jane zo dwingen gauw het café weer te sluiten.

Aardigste grap van het boek is dat er dan een leraar etiquette moet komen om Calamity Jane — die mannelijker is in gedrag dan alle mannen — met een stoomcursus tot een welgemanierde vrouw op te voeden; die de vrouwenkring uit de stad met alle egards kan ontvangen. In deze steeds wanhopiger wordende leraar herkent de oplettende lezer dan weer David Niven.

Mijn idee was altijd dat de beste Lucky Luke-albums van Goscinny in het tijdschrift Pilote verschenen zijn; waarin wat meer kon dan daarvoor in het kinderlijker weekblad Spirou/Robbedoes. En Calamity Jane was nog net een productie voor Spirou. Toch vond ik het opvallend aardig. Hoewel het boek eigenlijk uit een mix bestaat van twee op zichzelf nog niet eens half gelukte verhalen — dat van die wapensmokkel, en dat van de vrouw die allereerst zichzelf was.

[ wordt vervolgd ]

Morris & Goscinny, Calamity Jane
46 pagina’s
Uitgeverij Jean Dupuis, N.V.
vertaling van Calamity Jane, 1967

Tortillas voor de Daltons ~ Morris & Goscinny

In het dertiende album dat ik in korte tijd las uit de reeks Lucky Luke ging het al voor de vierde keer over de Daltons. Dus vreesde ik de zoveelste herhaling van zetten. Die vier domme misdadige broers zijn me te voorspelbaar, en daarmee gauw oninteressant.

En misschien daarom viel het boek me nogal mee.

Tortillas voor de Daltons maakt van een simpele truc gebruik. Verplaats alle handeling naar een vreemde cultuur, in dit geval Mexico, en zelfs de gewoonste routines zijn er al anders.

Kan nog een punt van discussie zijn of Goscinny en Morris niet een nogal racistisch beeld geven van Mexicanen — die altijd siësta schijnen te houden. Maar dat punt van kritiek is rijkelijk onnozel, omdat van werkelijk niemand in de boeken geen karikatuur wordt gemaakt.

Wie dat wil kan de Lucky Luke-albums zelfs beschouwen als anarchistische pamfletten; omdat de politie en rechterlijke macht in de boeken steevast als uiterst incompetent wordt afgeschilderd; als ze al niet volkomen corrupt zijn.

In dit album ontsnappen de Daltons eens niet door eigen verdienste, of een fout van de overheid. Ze worden overplaatst naar een andere gevangenis, en daarbij wordt hun betraliede koets gekaapt door Mexicaanse bandieten — die er zeker van zijn dat een zo goedbewaakte wagen wel een enorme schat moet bevatten.

Vervolgens komt er met enige moeite een internationale uitwisseling op gang van kennis, tussen de misdadigers.

Lucky Luke grijpt daarop succesvol in — maar dat doet hij altijd, dat is geen nieuws. Waardoor het hoofdverhaal misschien niet zo vreselijk veel voorstelde. De talloze terzijdes over het verblijf in Mexico compenseerden dit gemis totaal.

[ wordt vervolgd ]

Morris & Goscinny, Tortillas voor de Daltons
46 pagina’s
Uitgeverij Jean Dupuis, N.V.
vertaling van Tortillas pour les Dalton, 1967

Postkoets ~ Morris & Goscinny

Eind jaren zestig haalde René Goscinny de strip Lucky Luke naar zijn eigen blad toe. Pilote. Waarvan hij dan hoofdredacteur is. Dat lijkt een kleine voetnoot in de geschiedenis van deze strip, maar de switch had toch gevolgen.

Zo werden de avonturen die na de overstap uitkwamen niet langer uitgebracht door Dupuis. In Nederland heeft een albums als De postkoets in de loop der jaren zo al zes verschillende uitgevers gehad: Amsterdam Boek, Concentra Media, Dargaud Benelux, Geïllustreerde Pers, Le Lombard, en Lucky comics.

En mij als jongetje verwarde het nogal dat na de overstap de nummering van de albums opnieuw bij éen begon.

Zo had ik album 4, wat overzicht beloofde; want dit betekende dat er maar drie albums eerder waren verschenen; daar was nog wel aan te komen. Had een andere uitgever al 31 stripboeken uitgebracht met dezelfde held. En hoe moest ik die dan zien?

Opvallend is ook dat met De postkoets de Lucky Luke-exegese lijkt te beginnen. Over een boek als dit bestaat veel meer informatie dan over eerdere albums. Zo wordt telkens verwezen naar parallellen tussen de gevaarlijke reis in De postkoets en die in de klassieke film Stagecoach — de eerste western met geluid. Ook zou de vloekende koetsier uit het boek in uiterlijk gebaseerd zijn op een bekend acteur uit westerns.

Mij interesseert dat niet het meeste. Mij viel vooral op dat een op zich voorspelbaar verhaal, over een gevaarlijke reis met een kostbare lading, toch een onverwachte plotwending had op het eind. Dus dat dit boek het niet alleen van de grappen hoefde te hebben.

De beste albums van Lucky Luke ontstonden dan ook pas nadat Goscinny onder het juk uit was van de Spirou/Robbedoes-redactie.

[ wordt vervolgd ]

Morris & Goscinny, De postkoets
46 pagina’s
Uitgeverij Dargaud
vertaling van La diligence, 1968

Tenderfoot ~ Morris & Goscinny

Toen ik enkele jaren terug het stripalbum Asterix en de Britten nog eens las, was dat om iets te controleren. Want de Asterix-boeken die tekenaar Uderzo na de dood van scenarist René Goscinny uitbracht werden almaar slechter. Waardoor ik begon te twijfelen of mijn goede herinneringen aan de reeks eerder eigenlijk wel klopten.

En toen pakte dat oude avontuur bij de Britten direct al uit als een briljante strip. Waarbij meteen opviel ook hoe weinig Goscinny nodig had gehad om grappige situaties te creëren. Speel enkel wat met de stereotypen die elke lezers kent — in dit geval: overdrijf het Britse flegma en understatement iets — en humor ontstaat als vanzelf.

In de Lucky Luke-strip Tenderfoot haalde Goscinny precies dezelfde truc uit als in het net iets oudere album Asterix en de Britten. Al moest hij de cultuurschok en het bijbehorende grappige contrast dan iets anders organiseren. Een onderkoelde Brit werd ervoor naar het Wilde Westen gehaald. Een echte gentleman met een butler ook nog, bovendien, begaf zich tussen de ruwe cowboys.

Ik las daarmee het beste album uit de reeks tot nu toe. Zelfs al is het verhaal weer eens rechttoe-rechtaan, en waren het de vele grappen die het boek maakten.

Een oude vriend van Lucky Luke sterft en laat zijn ranch met alle vee na aan zijn neef in Engeland. Als laatste wens vraagt de overledene aan Luke om een beetje op die erfgenaam te passen, tot deze wat gesetteld is. Er zijn jaloerse lieden in de buurt die hem het succes van de boerderij altijd misgunden.

Toont Lucky Luke voor de verandering ook eens emotie.

De Engelse neef moet van de lokale bevolking allerlei initiatieriten ondergaan, die hij wonderwel doorstaat. Waarop de kwade krachten in de buurt op drastischer maatregelen zinnen om hem die ranch af te pakken.

Alleen gaat het boek daar niet om, wat mij betreft. Er was een duidelijk gebrek aan Engelse butlers in de Lucky Luke-albums die ik las, tot nu toe, bijvoorbeeld.

[ wordt vervolgd ]

Morris & Goscinny, Tenderfoot
46 pagina’s
Uitgeverij Dargaud
vertaling van Le pied-tendre, 1968

Dalton City ~ Morris & Goscinny

Amper twee albums zaten er tussen dit avontuur met de Daltons en de voorlaatste episode. Hierna volgen ook weer twee avonturen zonder de vier misdadige broers, en dan komt er weer een heel stripboek mét.

Zoals cycli gaan, is dit voor mij niet het meest opwindende publicatieritme. En helaas blijft de reeks zo doorlopen tot het einde van de samenwerking tussen Morris en René Goscinny — toen deze plotseling stierf tijdens een inspanningstest in het ziekenhuis omwille van zijn hart.

Halverwege ben ik nu in de reeks van ongeveer dertig boeken die me de moeite waard lijken om in serie te lezen. En éen truc van de makers is me inmiddels dus duidelijk. Om de paar boeken kon het heel goed om even een avontuur te wijden aan personages die elke lezer al kent.

Grootste voordeel van de Dalton-verhalen is namelijk dat die volledig los staan van welke historische werkelijkheid ook. Dat Goscinny zich daarvoor niet eerst nauwgezet hoefde te documenteren.

Er hoefde alleen maar bedacht te worden in welke situatie de vier broers nu weer terecht zouden komen.

Vast gegeven is ook dat de broers Dalton eerst uit de gevangenis moeten komen, waar ze opgesloten zitten, tot het volgende stripalbum.

In Dalton City komt dat door een onhandige telegrafist, die een bericht van de gouverneur verhaspelt. En daarmee zijn dan zoal weer zes pagina’s van het verhaal gevuld.

Maar uiteindelijk blijken de avonturen met de Daltons me toch ook weer mee te vallen ook. Misschien is dat omdat er heel minieme variaties mogelijk worden in een verhaal als de personages toch al bekend zijn.

De beste grap in Dalton City is dat Joe Dalton denkt te gaan trouwen, met een vaudeville zangeres. En dat hij daarom alle misdadigers in de streek uitnodigt op hun feest, in hun eigen spookstadje. Vanzelfsprekend eindigt het boek met een massale arrestatie. Maar in de Lucky Luke-albums gaat het er dan ook zelden om hoe de verhalen besluiten.

[ wordt vervolgd ]

Morris & Goscinny, Dalton City
46 pagina’s
Uitgeverij Dargaud
vertaling van Dalton City, 1969

Jesse James ~ Morris & Goscinny

Shakespeare kwam in mijn leven door een Lucky Luke-album. Dat is mijn definitieve antwoord, voor als u mij oppervlakkigheid verwijt door zo veel aandacht te schenken aan een stripje hier.

Toegegeven, de kans dat ik anders nooit van Shakespeare had gehoord, is nihil.

En het was ook niet dat ik toen al begreep wie of wat Shakespeare was, of waarom René Goscinny iemand opvoerde die enkel sprak in de onnozelste citaten uit het werk van de grote bard.

Ik begreep nog niet eens wat citaten zijn, waarschijnlijk. Want het verwarde me behoorlijk dat in de tekstballonnen van Frank James — de belezen broer van Jesse James — zo veel woorden tussen haakjes stonden.

Jesse James was mijn eerste Lucky Luke-album. En ik kreeg dat op een leeftijd dat een groot deel van de inhoud nog te hoog gegrepen was.

Dat Jesse James een Robin Hood wilde zijn, volgens dit verhaal, die stal van de rijken om de buit te verdelen onder de armen, was nog wel helder. Walt Disney had indertijd ook een Robin Hood-verhaal, met een vos als hoofdpersoon.

Maar dat Jesse James het een groot filosofisch probleem vond dat hijzelf weer arm werd als hij alle gestolen geld wegschonk, zal ik niet helemaal begrepen hebben indertijd.

Zijn intellectuele broer Frank stelde daarop voor de buit aan hem te schenken, omdat hij nog altijd arm was. En daarop zou hij het geld weer aan Jesse teruggeven, vanwege diens plotselinge armoede. Da capo. En met deze wisseltruc kon alle opbrengst van hun misdaad mooi binnen de familie blijven, terwijl ze toch ethisch handelden.

Voor dit boek zijn dus historisch bestaande personages gebruikt, zij het dat hun levensverhaal nogal wat anders was. Jesse James en zijn bende staan nu vooral nog bekend om hoe zij tientallen mensen doodden tijdens de Amerikaanse Burgeroorlog.

Dat James zichzelf als Robin Hood zag, schijnt wel degelijk onderdeel van diens legende uit te maken. Net als dat Goscinny in dit album zijn bende terecht nogal wat treinen laat overvallen — de spoorwegen hadden het land van hun moeder afgepakt.

Kortom, het is niet allemaal makkelijke grappen, zo’n boek als dit. Daar heeft wel degelijk onderzoek aan ten grondslag gelegen.

[ wordt vervolgd ]

Morris & Goscinny, Jesse James
46 pagina’s
Uitgeverij Dargaud
vertaling van Jesse James, 1969

Western Circus ~ Morris & Goscinny

De mythe van het Wilde Westen, dat nooit bestaan heeft, en waarmee de strip Lucky Luke toch zo prettig speelt, is niet tot éen oerbron terug te leiden. Naast de kojboj-boekjes, en later de films, zijn ‘helden’ van de frontier de hele wereld rondgetrokken. Allemaal profiterend van de legende, en tegelijk meehelpend om deze overal te vestigen.

‘Buffalo’ Bill werd een circusartiest in Europa. Geronimo, de ooit zo trotse leider der Apache-indianen, werd een kermisattractie, en ging aan het eind van zijn leven voor een paar cent met iedereen op de foto.

En het is niet eens door deze kennis dat het stripalbum Western Circus voor mij iets melancholisch had. Ik vind alle circussen treurig. Hoeven ze nog niet eens klein en aftands te zijn, zoals in dit boek.

Maar goed, ik vind cabaretiers die elke avond dezelfde grappen maken in weer een andere schouwburgzaal ook verschrikkelijk.

Wordt dan wel een vraag wat me aantrekt in het werk van een scenarist, als René Goscinny, die toch ook telkens hetzelfde verhaal vertelde. Maar ik interesseer me nu juist even voor zijn trucs. De kans dat ik ooit nog eens éen van zijn Lucky Luke-albums ga herlezen, lijkt me na deze zomer miniem.

Door diagnoses te stellen kan het onderwerp van onderzoek best overlijden.

Western Circus is ook treurig omdat enkele malen met het cliché van de domme indianen gespeeld wordt — die nauwgezet de oorlogskleuren kopiëren van de clown en diens ezel uit het circus.

Niet dat indianen wat mij betreft niet dom kúnnen zijn — in Californië zijn ze tegenwoordig ineens bezig zichzelf uit te roeien, door mensen het stamlidmaatschap af te pakken. Opdat de overblijvers nog meer profiteren van de casino’s die enkel de stammen mogen uitbaten in hun reservaten.

Maar er zou toch ook weleens een iets slimmere indiaan in de albums mogen voorkomen — zonder dat het meteen helemaal politiek correct hoeft te worden van mij.

Dit album bevat overigens genoeg verrassingen om tot het einde te boeien; Goscinny beleefde nog altijd zijn beste periode als scenarioschrijver. Ik wilde er alleen niet zo aan. Het was niet genoeg om een alcoholistische circusdirecteur te hebben die op W.C. Fields leek. Of om een olifant tussen de cowboys te zetten.

[ wordt vervolgd ]

Morris & Goscinny, Western Circus
46 pagina’s
Uitgeverij Dargaud
vertaling van Western Circus, 1970

Apache Canyon ~ Morris & Goscinny

Toen ik studeerde was ik juridisch gezien niet alleen student, maar ook een dienstplichtig militair met studieverlof. En deze status beperkte mijn handelingsvrijheid. Zo kon ik niet van studierichting switchen zonder eerst mijn dienstplicht te vervullen. Elk jaar bovendien moest er verlenging worden aangevraagd van dat verlof om te mogen studeren.

Vanzelfsprekend was dit allemaal een papieren aangelegenheid; schijnbaar zonder al te veel invloed op mijn leven.

Behalve dan dat ik het vervelend vond een dienstplichtig militair te zijn met studieverlof. Omdat vrijwel niemand van mijn leeftijdsgenoten dit lot deelde. Er waren simpelweg te veel jongens geboren in mijn jaar; en de jaren daarvoor.

Alleen bleek het niets op te leveren om op deze fundamentele rechtsongelijkheid te wijzen, toen ik vervolgens weigerde voor de dienst. Dit argument werd ‘politiek’ geacht; was daarmee niet ontvankelijk verklaard; omdat het geen argument was waarmee ík een beroep deed op mijn geweten.

Militairen en hun bazen zien logica en daarmee de wereld kortom anders dan ik. Daar was ik al voor mijn twintigste al volkomen van doordrongen geraakt.

Ik had deze wijsheid ook kunnen kennen uit het album Apache Canyon, van Lucky Luke. Dat ik al jong in bezit kreeg.

Te jong waarschijnlijk. Omdat nogal wat verhaalelementen me ontgingen als zeven- of achtjarige.

De grootste grap van het boek was duidelijk. Elke keer als het cavalerieregiment van Fort Canyon door de Apache Canyon trok, smeten de indianen daar van boven stenen op hun kop. En op hun wagens. Waar de nieuwe voorraden in zaten.

Toch was dit voor het leger nooit reden om níet door Apache Canyon te rijden, en een andere route te nemen.

Soldatenlogica.

Toch draait het boek om de redenen van de Apachen om strijd te blijven voeren tegen het leger. Want Lucky Luke is als verkenner naar het zuiden van Texas getrokken om uit te vinden waarom éen stam zo weerbarstig vechten blijft.

Daar begreep ik indertijd niets van. En als een iets ervaren lezertje is mijn gedachte: dat plot heeft iets te veel Deus ex machina; hoe sterk verder ook.

[ wordt vervolgd ]

Morris & Goscinny, Apache Canyon
46 pagina’s
Uitgeverij Dargaud
vertaling van Canyon Apache, 1973

Ma Dalton ~ Morris & Goscinny

Tijdens de zoveelste variant van het gebruikelijke Daltons-verhaal blijkt dat hun moeder nog leeft. En dat Lucky Luke de vrouw, zonder de familiegelijkenis te zien, helpt de straat over te steken.

Waarop ze prompt een winkel overvalt. En dan nog éen.

Maar de winkeliers spelen het spel vrolijk mee. Is het niet schattig ook, een oud vrouwtje met zo’n grote revolver.

Heel het stadje onderhoudt haar namelijk, want zo’n oude vrouw heeft haar trots, en is liever niet openlijk afhankelijk van de bedeling.

Als de Daltons vervolgens uit de gevangenis ontsnappen — op een teleurstellende manier, door brand te stichten, en weg te sluipen in de verwarring — vluchten ze nu eens naar mams. Heel het mens is in de eerdere boeken nog niet voorgekomen. Maar eenmaal bedacht, wordt ze prompt de belangrijkste persoon in het leven van haar zoons.

Vervolgens terroriseren de vier zonen de streek, ditmaal verkleedt als hun moeder.

Lucky Luke redde vervolgens de zaak met dezelfde truc als hij uithaalde in het album Dalton City — door een feest te organiseren. Bij Ma Dalton bepleitend dat haar kinderen beter af zijn in het gevang.

En die herhaling was er net te veel aan voor mij. Het album Ma Dalton was niet vervelend, alleen zeker geen hoogtepunt in de reeks. Variaties op een bekend thema brengen is éen ding, maar zo’n minieme variant te weinig inspirerend.

Voor het eerst bij al deze boeken vroeg ik me ook af hoe de strips geschreven werden. Lag er een gedetailleerd plan van tevoren? Of was het elke week afwachten wat Goscinny nu weer bedacht had aan verhaal?

Sommige grappen lezen namelijk zo. Die zijn dan net een pagina of wat te lang. Waardoor ik vermoed dat de makers daarmee tijd probeerden te rekken in afwachting van de perfecte vondst om alles weer vlot te trekken.

[ wordt vervolgd ]

Morris & Goscinny, Ma Dalton
46 pagina’s
Uitgeverij Dargaud
vertaling van Ma Dalton, 1972

Rijstoorlog ~ Morris & Goscinny

Het houdt een keer op dus. Dertig albums van Lucky Luke dacht ik te boekloggen deze zomer. Om hardop denkend te ontdekken aan welke wetten zo’n productie in serie zoal gehoorzaamt. Alleen blijken daar dus ineens boeken tussen te zitten die niet aan de minimumeis voldoen enige kwaliteit te bezitten.

De rijstoorlog is zo’n album dat afdoet aan de canon van René Goscinny. En er volgen hierna nog meer, die ik daarom gewoon zal overslaan.

Het boek bevat namelijk vier korte verhalen, die eerder gepubliceerd werden op pocketformaat. Daarom tonen de bladzijden ook maar drie stroken aan tekeningen, in plaats van de gebruikelijke vier.

Bovendien zijn deze verhalen niet meer dan losse vingeroefeningen.

In een stripalbum van de gebruikelijke 46 pagina’s maakt het niet uit als een zijlijn even 6 pagina’s inneemt. Niet zelden is de aandacht dan schijnbaar even afgeleid van het hoofdverhaal. Waarop dat vervolgens gauw eens een extra lading meer heeft gekregen.

Al kan het ook best zijn dat de makers dan gewoon even niet meer wisten hoe het verder moest.

De korte verhalen in een album als dit zijn nooit meer dan zijlijnen. Zonder extra’s. Het zijn daarmee kleuterversies van de strip. Goed voor heel jeugdige lezertjes, en daarmee saai voor verder iedereen.

Die verhalenbundels die hierna volgen krijgen daarom éen verzamelpost waarschijnlijk. Ik heb er namelijk geheel niets over op te merken, dan de sneer dat uitgevers ook werkelijk alles op de markt durven te brengen, als een reeks eenmaal een vast publiek gevonden heeft.

[ wordt vervolgd ]

Morris & Goscinny, De rijstoorloog
46 pagina’s
Uitgeverij Dargaud
vertaling van La bataille du riz, 1972

Premiejager ~ Morris & Goscinny

Politiek tractaat tegen de graaicultuur, of gewoon weer een aflevering uit een stripje van een cowboy-superheld? Het Lucky Luke-album De premiejager is op beide niveaus te lezen.

Al spreekt dan weer tegen Goscinny’s analyse dat hij enkel toont wat er belachelijk is aan de inhaligheid van de premiejager. Eliot Belt. In het boek werd hij dan weer getekend als een stripversie van de stoere Western-acteur Lee van Cleef.

Maar er bestaan nu eenmaal mensen voor wie geld het belangrijkste is in hun leven. Die het niet uitmaakt dat ze daardoor minachting oogsten bij hun medemens. Al blijft het makkelijker om zulke types te negeren dan laatdunkendheid in daden om te zetten. Er zijn toch verdacht weinig bankiersvilla’s spontaan in de brand gevlogen sinds 2008.

In De premiejager staat er voor de verandering eens geen premie op het aanbrengen van een mens. Een hengst is zoek. En de eigenaar van dit paard heeft er $ 100.000 voor over om het beest weer in bezit te krijgen.

Omdat dit het meest lucratieve zaakje kan worden uit de carrière van de premiejager ronselt hij tal van mannen, met de belofte dat ze wel duizend dollar kunnen verdienen.

Moet daartoe alleen wel even oorlog gevoerd worden met de Cheyennes.

En vanzelfsprekend volstaat de belofte geld te zullen krijgen voor de meesten om al wat er is aan geweten meteen uit te schakelen.

De moraal ligt er zo dik op in dit boek dat het me ineens verwondert hoe zeer stripalbums altijd gezien zijn als bederf voor de jeugd. In 1948 kwam het in Nederland zelfs tot een verbod op de scholen.

[ wordt vervolgd ]

Morris & Goscinny, De premiejager
46 pagina’s
Uitgeverij Dargaud
vertaling van Chasseur de primes, 1974

Grootvorst ~ Morris & Goscinny

De beste strips die Goscinny schreef, spelen met een fijne cultuurschok. In de Lucky Luke-albums worden er daartoe gauw eens personages naar het Wilde Westen gehaald voor wie dat een compleet vreemde omgeving is.

En in die zin leek het album De grootvorst veelbelovend. Een Russisch edelman, uit de kringen rond de Tsaar, moet een rondleiding krijgen door Amerika. Alles om de Russen maar gunstig te stemmen om een handelsakkoord te sluiten met de VS.

Alleen bleek daarop dat Goscinny & Morris nauwelijks clichés kenden over Russen die eens prettig konden worden uitvergroot in het verhaal. Te spelen was er niet zo veel.

Ja, Russische mannen drinken. En zullen daarom weleens luid om drank roepen. En nee, ze zullen niet altijd Engels spreken. Tegelijkertijd sprak en las iedereen in de hogere Russische kringen Frans — en daar is toch merkwaardig weinig mee gedaan in deze Franse strip.

Het enige typisch aan de grootvorst is diens voorliefde voor een spelletje Russische roulette op zijn tijd.

Verder worden de grootvorst en zijn adjudant de hele rondreis achterna gezeten door een spion — althans, het personage lijkt uit de strip Spy vs Spy te komen — die hen telkens met bommen vermoorden wil.

Aardigst vond ik daarom dat er opvallend meta-gegeven ten grondslag ligt aan het verhaal.

De Russen zijn benieuwd naar het leven aan de frontier in de Amerika, omdat ze dit zo goed uit de boeken hebben leren kennen. In een strip die speelt met wat bij ons aan clichés leeft over het Wilde Westen, komt er dus ineens nadruk op te liggen dat er clichés bestaan over dat Wilde Westen. Daarom moest Goscinny plots ook zijn best doen om een paar ideeën daarvan te ontkrachten.

[ wordt vervolgd ]

Morris & Goscinny, De grootvorst
46 pagina’s
Uitgeverij Dargaud
vertaling van Le grand duc, 1975

Erfenis van Rataplan ~ Morris & Goscinny

De gouden tijd van de strip Lucky Luke was de periode dat René Goscinny de scenario’s schreef. En binnen deze periode is er nog een afzonderlijke fase waarin de kwaliteit gemiddeld hoger lag dan normaal. Dat was toen Lucky Luke in het tijdschrift Pilote verscheen; waarvan Goscinny hoofdredacteur was; en zijn handelingsvrijheid groter dan ooit zal zijn geweest.

De erfenis van Rataplan was alleen wel het laatste stripverhaal dat een voorpublicatie kreeg in Pilote. Het tijdschrift veranderde in 1974 van een weekblad in een maandblad — waarmee er meer nadruk zal zijn gegaan naar afgeronde verhalen, in plaats van langer lopende series.

Van alle ontdekkingen die ik de afgelopen tijd deed over Lucky Luke is wel de opvallendste dat de kwaliteit, voor mij, zo nauw samenhing met het medium waarin de strip het eerst verscheen. Hierna kwam er eigenlijk ook maar éen album uit dat ik nog de moeite waard vind. Het Lucky Luke-zomerprojectje op boeklog duurt daarom nog éen week, en wordt over veertien dagen afgerond met een samenvattingsboeklogje.

De erfenis van Rataplan pakte weer eens uit als een pas-op-de-plaats boek. Vanzelfsprekend spelen de gebroeders Dalton weer een hoofdrol. Natuurlijk moeten deze eerst uit de gevangenis ontsnappen voor ze actief aan het verhaal kunnen meedoen — Averell maakte daartoe een revolver van zeep. En dat lukte hem zo goed omdat hij een voorbeeld had.

Plot van het boek draait om het bizarre gegeven dat een oud-gevangene zijn hele kapitaal heeft nagelaten aan de gevangenishond Rantanplan. Deze is daarmee plotsklaps het rijkste dier van het Westen geworden.

Puntje is nog wel dat als Rantanplan sterft, de erfenis zal vervallen aan Joe Dalton. Want in eerlijke mensen heeft de opsteller van het testament geen enkel vertrouwen meer.

Extra verhaallijn in het boek is de aanwezigheid van Chinezen in Amerika — meestal naar dat land gekomen om aan de spoorwegen te werken. En opnieuw lukte het Morris & Goscinny toch niet om echt leuke grappen te ontwikkelen op basis van de mogelijke cultuurschok.

Maar de grap dat de domste en grilligste hond denkbaar ineens een personage van belang wordt, is aardig genoeg om bijna een heel boek te kunnen dragen.

[ wordt vervolgd ]

Morris & Goscinny, De erfenis van Rataplan
46 pagina’s
Uitgeverij Dargaud
vertaling van L’héritage de Rantanplan, 1974

Witte ridder ~ Morris & Goscinny

Het eerste Lucky Luke-verhaal dat niet meer in Pilote werd voorgepubliceerd, is wat vlak. Een dimensie mist die de echt goede albums uit de reeks nu juist optillen boven het gemiddelde.

Wat bij mij tot de voorlopige conclusie leidt dat de beste Lucky Luke-strips dus altijd een extra verhaal vertellen naast het hoofdverhaal.

Het album De witte ridder draait enkel om een toneelgezelschapje, op tournee in Texas, met hun melodrama’s. Telkens als dit troepje ergens optreedt, wordt lokaal ook de bank overvallen, of wordt op een andere manier ruw ergens geld geroofd.

Deze misdaden vinden telkens plaats als de toneelvoorstelling bezig is, en het meeste volk uit zo’n dorp zich verzameld heeft in een zaal.

Dus lijkt het of de toneelspelers niets te maken hebben met de roof. Die zijn allemaal bezig met hun spel. Lucky Luke meent evenwel dat ze er wel iets mee van doen móeten hebben. En hij woont daarom tal van voorstellingen bij. Zonder het raadsel te kunnen doorgronden.

Misschien was het die herhaling van zetten waardoor dit verhaal wat sleets leek.

De ontknoping van het boek volgde dan weer onverwacht snel op Lucky Luke’s constatering dat hij het raadsel niet kon oplossen — waardoor het ineens leek of de strip pagina’s miste.

Maar wellicht begreep ik de beste grappen uit het album gewoon niet, en liet Goscinny het toneeltroepje stiekem Molière spelen, of zo iemand.

Of is het dat er in het boek te veel grappen ontbraken van het soort die er in de loop van de geschiedenis over toneelspelers gemaakt zijn? Zo mochten acteurs heel lang niet in gewijde aarde begraven worden, beroepsleugenaars als ze d’r waren.

[ wordt vervolgd ]

Morris & Goscinny, De witte ridder
46 pagina’s
Dargaud
vertaling van Le cavalier blanc, 1975

Genezing van de Daltons ~ Morris & Goscinny

Vooraf aan dit leesprojectje vreesde ik de strip Lucky Luke weleens stuk te kunnen lezen voor ik aan de laatste album toe zou zijn. Als iets in serie geproduceerd is, en toch wel aftrek vindt, kan dat heel goed betekenen dat de makers uitverkoop gaan houden. En het daarom met de jaren wat makkelijker aan doen.

Dit zou mij dan ongenadig opvallen. Het tempo van mijn lezen betekent namelijk dat mijn herinnering aan voorgaande stripalbums nog behoorlijk vers is — zodat minieme variaties op het al bekende onmiddellijk zouden opvallen.

Maar, het late album De genezing van de Daltons is misschien wel het meest geslaagd van de hele reeks die Goscinny schreef. Of, althans, ik beleefde er nogal wat plezier aan.

En dat komt dan toch weer door het gegeven dat Goscinny een element van buiten dat Wilde Westen binnenbracht dat daar volkomen vreemd is. In dit geval is dat de buitenlandse geleerde professor Otto von Himbeergeist. En deze man weet zeker dat misdadigers niet inherent slechte mensen zijn, en dat zij daarom genezen kunnen worden.

Als dat geen eeuwig debat is inmiddels.

In een Lucky Luke-album moet zijn theorie dan vanzelfsprekend op de Daltons worden uitgeprobeerd. Alle ruimte aan de wetenschap.

Al waren er ook nog even andere kandidaten:

In dit album is de kwaliteit van bijna alle grappen goed. Niets is heilig, en zelfs de oude Freud wordt nog even weggezet in een terloopse grap, die leuk is voor de ervaren lezertjes en jonge stripfans geheel niets zal zeggen.

Running gag in dit album is dat bij iedereen de jeugd de rest van het leven bepaalt. En dat de goede dokter Himbeergeist zelfs bij Lucky Luke meteen diens zwakke plek weet te pakken. Zingt deze niet altijd een eenzame cowboy te zijn, ver weg van huis?

Zit er ook nog een fijne tournure in het verhaal. Want er was een reden dat Himbeergeist de ergste misdadigers denkbaar wilde genezen — en daarvoor eerst hun vertrouwen wilde krijgen.

[ wordt vervolgd ]

Morris & Goscinny, De genezing van de Daltons
46 pagina’s
Uitgeverij Dargaud
vertaling van La guérison des Dalton, 1975

Zijne Keizerlijke Hoogheid Smith ~ Morris & Goscinny

Niet de minste auteurs hebben de man die zich tot keizer van de USA uitriep als personage gebruikt in hun werk. Noem een Mark Twain, Robert Louis Stevenson, en Nobelprijswinnaar Selma Lagerlöf.

Heel vreemd is het dus niet dat René Goscinny hen daarin uiteindelijk volgde. Kon hij nog met een ander gegeven spelen ook. In een Franse strip voor een Frans publiek is heel aardig te variëren op de clichés die de lezers van huis uit kennen over Napoleon Bonaparte.

En toch leverden deze historische gegevens geen bijzonder verhaal op — of ik zou er een satire in moeten zien op de vrijheid van Amerikanen om zich te bewapenen; en deze wapens te zullen gebruiken ook. Maar dat is dan wel een heel vlakke satire.

Het gegeven dat rijke rancher gek genoeg kan zijn om zichzelf tot keizer uit te roepen, en daarop een privé-legertje te beginnen, lijkt me gewoon wat te groot voor een Lucky Luke-verhaal.

Want, dan is die keizer daar. En dan heeft hij alle cowboys uit de omtrek zo ver gekregen om dienst te nemen bij hem, en een Frans legeruniform aan te trekken. Zijn er kanonnen voor dit staande leger aangeschaft bovendien. Alleen moet daar dan nog wat mee gebeuren ook.

En hier zijn Morris & Goscinny toch niet helemaal uitgekomen in hun album over Zijne Keizerlijke Hoogheid Smith. Wellicht omdat Lucky Luke wortelt in het gegeven dat het belangrijkste publiek voor de verhalen uit relatief jonge lezers bestaat — en dat de makers hun eigen lol en die van het oudere publiek vooral botvierden in zijdelingse grappen.

In een strip waarin enorm vaak geschoten wordt, en toch nooit bloed vloeit in beeld, laat staan dat er doden vallen, passen lang alle mogelijke verhaallijnen niet.

[ wordt vervolgd ]

Morris & Goscinny, Zijne Keizerlijke Hoogheid Smith
46 pagina’s
Uitgeverij Dargaud
vertaling van L’Empereur Smith, 1976

Zingende draad ~ Morris & Goscinny

De eerste roman die zich afspeelt in cyberspace dateert uit de negentiende eeuw, zo leerde ik van de week. Dat boek gaat over twee Amerikaanse telegrafisten, die verliefd worden op elkaar; en de infrastructuur die er lag gebruikten om meer persoonlijke mededelingen uit te wisselen.

Mensen die Whatsapp en dergelijke netwerken als het nieuwste van het nieuwste zien, hebben er dus helemaal niets van begrepen.

Telegrafisten schijnen ook allemaal een eigen manier van seinen te hebben. Even persoonlijk als een handschrift is. Daar kan ook best iets aantrekkelijks aan zitten.

En ik geloof liever die negentiende-eeuwse cyberroman te hebben gelezen dan dit album van Lucky Luke. De zingende draad. Dat is het laatste Lucky Luke-verhaal dat René Goscinny schreef, voor hij bezweek aan een hartfalen; tijdens een inspanningstest in het ziekenhuis. Want dit boek brengt een herhaling van zetten uit eerdere strips; daar was helemaal niets curieus aan.

Het geviel in dier dagen toen Abraham Lincoln president was dat een deel van Amerika nog niet was aangesloten op de telegraaf. Dus organiseerde Western Union een wedstrijd om zo snel mogelijk lijnen aan te leggen. Daar deden twee ploegen aan mee. De ploeg van Lucky Luke. En het andere werkteam, dat vals speelde en sabotage pleegde — vanzelfsprekend omdat Lucky Luke daar geen deel vanuit maakte, en de winnaar een rijke beloning wachtte.

De zingende draad is daarmee weer eens een klassiek reisverhaal, met voorspelbare ontberingen. Zoals er meerdere reisverhalen voorkomen in de serie.

Bovendien bestond in de reeks het album De spoorweg door de prairie al, dat uitgaat van eenzelfde gegeven. Lucky Luke helpt daarin ook een ploeg mannen die infrastructuur aanleggen, terwijl anderen er belang bij hebben om hun werk te saboteren.

Door een stom toeval was De spoorweg door de prairie dan wel weer het eerste album waarvoor Morris & Goscinny samenwerkten — al is de bijdrage van de scenarist in 1955-1956 nog anoniem.

Uniek aan De zingende draad is dus dat het boek een zwanezang brengt, en dat de samenwerking tussen tekenaar en schrijver met bijna hetzelfde verhaal eindigde als deze begon.

Da Capo, zou de juiste muziekterm nu zijn.

[ volgende week: de filmedities en een eerste afronding ]

Morris & Goscinny, De zingende draad
46 pagina’s
Uitgeverij Dargaud
vertaling van Le Fil qui chante, 1977

7 korte verhalen, en de filmedities ~ Morris & Goscinny

Is Lucky Luke de verpersoonlijking van het recht, zoals verschillende Franse commentatoren willen? Dat zou dan onder meer verklaren waarom hij geen echte persoonlijkheid heeft, en altijd precies de juiste beslissingen neemt…



Heel diep ben ik de Lucky Luke-exegese nog niet ingedoken. Maar als er zulke ideeën worden geformuleerd — of misschien heeft Goscinny zelf weleens zoiets gezegd in een interview — dan welt automatisch tegenspraak in mij op.

De stripalbums zijn nu juist zo aardig omdat ook het recht corrupt is in de verhalen. Zoals er van weinig iets deugt. Sheriffs zijn telkens laf, of incompetent. En de rechters doen daar niet voor onder.

Zou Lucky Luke voor recht staan dan toch eerder voor rechtvaardigheid. En iedereen met een beetje kennis van de geschiedenis weet dat recht en rechtvaardigheid doorgaans weinig met elkaar van doen hebben — wat weer pleit voor het gezonde verstand van Morris & Goscinny.

Hun samenwerking heb ik deze zomer 28 albums gevolgd. Waarbij me opviel dat de strip Lucky Luke door hun gezamenlijke inspanningen weleens een niveau bereikte dat ook elders zelden geëvenaard is. En waarmee zelfs ik me uitstekend vermaakt heb; al ben ik inmiddels het doelpubliek niet meer voor de verhalen.

René Goscinny heeft daarbij een niet te onderschatten invloed gehad op de reeks. Door hem kreeg zelfs het paard van de eeuwig zwervende cowboy ineens de klassieke rol van commentator in de verhalen [vanaf Calamity Jane].

Dankzij hem verhuisde de strip van het kinderblad Spirou/Robbedoes naar het meer volwassen Pilote. Dit deed wonderen voor de bekendheid van Lucky Luke en verkoop van de albums. Maar meer nog, de makers namen daarbij ook eindelijk afstand tot de Franse stripcensuur uit 1949. Ineens dansten er schaars geklede danseressen in de saloons [vanaf Dalton City]. Ineens waren er meer onderwerpen mogelijk voor de verhalen.

En goed, dan daalde de kwaliteit vanaf het moment dat Pilote een nog weer volwassener publiek wilde bereiken, en Lucky Luke van tijdschrift naar tijdschrift zwierf.

De uitverkoop, waartoe de makers zo makkelijk hadden kunnen besluiten, en die ik vreesde, bleef uit.

Uitverkoop deden Morris & Goscinny via andere kanalen dan de klassieke stripalbums met hun 46 pagina’s. Er verschenen telkens al losse verhalen, die doorgaans zo eendimensionaal zijn dat ze al gauw vervelen. De minst slechte verhalen hebben nog net éen aardige grap als plot.

En dat Morris de reeks voortzette, met mindere schrijvers, pakte ook niet heel memorabel uit.

Verder waren er ineens films. Daisy Town verscheen als eerste in 1972. De ballade van de Daltons volgde enkele jaren later.

Daisy Town is online te vinden; wat hoogstens aardig is om eens te horen hoe dat lied precies klinkt dat Lucky Luke altijd zingt in het laatste plaatje van de albums. Dat was anders dan ik dacht.

Door deze ongetwijfeld illegale video kon ik zien dat het gelijknamige stripalbum slechts een minieme fractie brengt van het filmverhaal. En dan ook nog slecht getekend — alsof iemand die Morris niet was enkel wat stills heeft zitten overtrekken.

Maar erger nog is dat Daisy Town me een kleuterversie van het Lucky Luke-verhaal lijkt — bedoeld voor een publiek dat de stripalbums nog niet kende. Een introductie tot de held, en de personages die met regelmaat in de verhalen terugkeren. Vermaak voor de hele familie.

Terwijl die albums dus allereerst te genieten waren door René Goscinny’s schrijverschap — waarover tekenaar Morris heeft toegegeven dat hij lang alle grappen niet begreep.

[ volgende keer tot slot: over Morris en diens tekenstijl ]

Morris & Goscinny, 7 korte verhalen
46 pagina’s
Uitgeverij Dargaud. 1977
vertaling van 7 histoires de Lucky Luke, 1974
 
Morris & Goscinny, De ballade van de Daltons
48 pagina’s
Uitgeverij Dargaud. 1979
vertaling van La ballade des Dalton, 1978
 
Morris & Goscinny, Daisy Town
46 pagina’s
Uitgeverij Dargaud, 1983
vertaling van Daisy Town, 1972

9 anonieme scenario’s ~ Morris & Goscinny

Niet alles wat René Goscinny aan de strip Lucky Luke toevoegde was een verbetering. Die conclusie moet ik toch ook durven trekken. Simpelweg doordat de strip me als kind al minder boeide dan andere, omdat ik zo weinig te genieten vond aan de tekeningen.









Maar Morris kon het dus wel op een manier die me beter aanstaat.

Zo zijn de eerste avonturen van Lucky Luke in een aanzienlijk lossere stijl getekend dan de latere. Waarbij hij bovendien lang niet altijd alles binnen de kaderlijntjes hield.

Aan het plaatje hierboven uit album 9 — De spoorweg door de prairie — vallen bijvoorbeeld meteen al verschillende zaken op. Het hoofd van Lucky Luke is niet in beeld gehouden — alsof het een filmstill is. En zijn paard Jolly Jumper werd nog zo sierlijk getekend dat een echt paardje lijkt.

Pas onder de invloed van Goscinny werd het beest een personage in de boeken met wel heel bijzondere eigenschappen, die zelfs commentaar op het verhaal ging leveren. Tegelijkertijd werd het uiterlijk van het beest een karikatuur; waarmee Jolly Jumper nooit meer inwisselbaar was met andere paarden.

Morris begon zijn loopbaan met het werk aan tekenfilms, in de VS. Dat had dus lang grote invloed op zijn tekenstijl, zowel in kadrering als in lijnvoering. Als kind vond ik de tekeningen in de vroege albums ook zo afwijken van wat ik kende dat die boeken alleen daarom al minder waard waren. Die waren te raar.

Tegenwoordig kijk ik anders. Nu vallen me weer andere zaken op. Zoals dat ik in die vroege boeken wel van het tekenwerk kan genieten, maar dat het met de verhalen niet opschiet. Pas toen René Goscinny zich er tegenaan ging bemoeien kreeg de strip Lucky Luke ruggengraat.

De samenwerking tussen Goscinny en Morris begon in 1955, met het vaker genoemde De spoorweg door de prairie. En omdat dit verhaal vrijwel hetzelfde is als hun laatste collaboratie, De zingende draad, zou daar dus een mooi begin liggen voor een groot vergelijkend essay. Hoe veranderde de strip Lucky Luke precies tussen 1955 en 1977, en waar blijkt dat zoal uit?

Luiheid staat deze exercitie in de weg, plus het gegeven dat niemand erop zit te wachten.

Bovendien staat dan wel in catalogi en op Wikipedia dat René Goscinny anoniem aan meerdere albums van Lucky Luke meewerkte. Uit de strip zelf blijkt dat lang niet altijd. Alleen in Spoorweg door de prairie staat op de platen weleens een verwijzing naar ‘R.G.’.

Dat Goscinny dan niet genoemd wordt als scenarist kan ook weer allerlei redenen hebben, die niemand precies schijnt te weten. Waarvan sommige, de mogelijk juridische, te saai voor woorden zijn. Want wellicht stond Goscinny gewoon onder contract bij een andere uitgever, of was hij ergens in loondienst en vervielen daardoor al zijn auteursrechten aan zijn baas, en moest medewerking stiekem.

Maar misschien lag het nog weer anders en vond Morris het pas terecht om Goscinny als medeschepper te benoemen toen hij daartoe genoeg werk verricht had. Ook René Goscinny was ooit als tekenaar begonnen. Dus kan het best zijn dat pas toen hij hele storyboards ging aanleveren aan Morris, in plaats van de verhaallijnen enkel op te schrijven, hij tot medemaker werd benoemd.

Mede om al deze onzekerheden kies ik er hier ook voor om de anonieme scenario’s van Goscinny niet éen voor éen te behandelen hier.

Deze boeken zijn ook minder strak dan wat hierna volgde. En platter, dat vooral.

René Goscinny verrijkte de stripverhalen absoluut door er al vrij snel historische gegevens in te brengen. Maar zelfs daar is over te zeggen dat hem dat later veel beter af ging. Judge Roy Bean heeft echt bestaan, maar De rechter is geen interessant stripverhaal — er is te weinig afstand tot het historische gegeven. Dezelfde grap dat een kroegbaas zichzelf tot rechter had benoemd, en de wet naar willekeur interpreteerde, werd een paar keer met enkele minieme variaties herhaald.

En die olievondst uit In de schaduw van de boortorens vond plaats, net als de daarop volgende rush van iedereen om land in te pikken, in de hoop zo snel rijk te worden.

Alleen voegde het niets aan het verhaal toe dat de man die als eerste olie vond een personage werd in dit verhaal. Behalve dan dat hij een indrukwekkende zwarte baard heeft, en dat vast fijn tekenen was.

Morris & Goscinny gebruikten de geschiedenis later veel memorabeler, juist door zich veel grotere vrijheden te permitteren ten opzichte van ‘hoe het echt was’ gegaan. Daarmee ontstond ademruimte.

Kortom. Ik wilde de boeken met de anonieme scenario’s niet als eerste lezen, omdat niemand me vertellen kon wat de bijdrage van René Goscinny precies was geweest aan deze strips. En nu ik ze doorneem na de 28 boeken waarin Goscinny wel als maker op het kaft staat vermeld, voegen ze eigenlijk al niets meer toe aan het beeld dat ik vormde van de strip.

Behalve dan dat het vroege tekenwerk van Morris in verschillende opzichten veel aantrekkelijker is. En behalve dat duidelijk werd dat het tijd kostte voor de twee stripalbums maakten die iets extra’s brachten.

Morris, De spoorweg door de prairie
46 pagina’s
Uitgeverij Dupuis
vertaling van Des rails sur la prairie, 1956
 
Morris, De bende van Joss Jamon
46 pagina’s
Uitgeverij Dupuis
vertaling van Lucky Luke contre Joss Jamon, 1958
 
Morris, De neven Dalton
46 pagina’s
Uitgeverij Dupuis
vertaling van Les cousins Dalton, 1959
 
Morris, De rechter
46 pagina’s
Uitgeverij Dupuis
vertaling van Le Juge, 1959
 
Morris, De trek naar Oklahoma
46 pagina’s
Uitgeverij Dupuis
vertaling van Ruée sur l’Oklahoma, 1960
 
Morris, De Dalton breken uit
46 pagina’s
Uitgeverij Dupuis
vertaling van L’évasion des Dalton, 1960
 
Morris, Bootrace op de Mississipi
46 pagina’s
Uitgeverij Dupuis
vertaling van En remontant le Mississipi, 1961
 
Morris, In het spoor van de Daltons
46 pagina’s
Uitgeverij Dupuis
vertaling van Sur la piste des Dalton, 1962
 
Morris, In de schaduw van de boortorens
46 pagina’s
Uitgeverij Dupuis
vertaling van A l’ombre des derricks, 1962

Franka 22: Onderwereld ~ Henk Kuijpers

Het was niet per se nodig om tien weken lang Lucky Luke te lezen om te ontdekken welke gebreken aan de stripserie Franka kleven. Maar dat hielp wel.

Zo heeft Lucky Luke het ongekende voordeel al in het verleden te spelen — dat kan zelfs in bijna elk decennium zijn van de negentiende eeuw. Daardoor kán de strip nooit meer verouderen.

Terwijl Henk Kuijpers altijd weer probeert zijn verhalen in het nu te plaatsen, en daarbij de laatste stand der techniek in zijn verhalen te verwerken — en dus over vijf jaar al met hopeloos gedateerde albums zit.

In deel 22: Onderwereld wordt onder meer getwitterd; en de vraag is hoelang dat nog mode blijft. Knap is overigens wel dat er een iPad voorkomt in het eerste verhaal uit het boek, dat volgens het laatste plaatje getekend werd in 2008 — 2 jaar voor de iPad überhaupt op de markt kwam.

Bovendien heeft Franka sinds het vorige album ineens familie, waaronder een jonger zusje. En omdat die nog naar de middelbare school gaat, en tien jaar jonger is, ligt Franka’s leeftijd dus plotseling vast op eeuwig 27 à 28.

Toch is zij al zo lang met avonturen in mijn leven aanwezig dat ik haar gevoelsmatig op tegen de 65 schatten moet. Tegen de pensioengerechtigde leeftijd in elk geval. Waarmee heur rode haar uit een potje henna zal komen, zoals dat gaat op die leeftijd.

Haar hondje blijft trouwens steeds dezelfde kleine bulldogpup. Wat daarmee betekent dat alle avonturen van Franka zich zelfs binnen een enkel jaar afspelen. Of ze moet telkens die pups afmaken en vervangen door een nieuwe als ze te veel bulldog zijn geworden.

Maar erger nog dan deze onwaarschijnlijkheden lijkt me dat Henk Kuijpers alles zelf doet — terwijl hij een scenarist nodig zou hebben zoals René Goscinny die voor Morris was. Iemand die hem tot andere tempi dwingt dan hij uit zichzelf kiest.

Al is Onderwereld lang het ergste album niet uit de Franka-serie. Kuijpers heeft daarin gekozen om twee relatief simpele verhalen te vertellen. In het eerste zorgt Franka ervoor dat een misdadiger gevangen wordt gezet, in het vervolg neemt het milieu wraak.

En alleen die simpelheid is al goed.

Bovendien wordt alles met vaart verteld. Daardoor valt niet op dat de beide plotten toch ook onwaarschijnlijkheden bevatten.

Een Middeleeuwse vergeetput waarvan het ontsnappingsmechanisme nog gewoon werkt? Na vijfhonderd jaar?

En op welk apparaat ontvangt haar zus dat telefoontje als Franka zich bevrijd heeft?

Het kan allemaal nog simpeler kortom. Want juist dan is er tijd om eens ruimte te geven aan al die nevenzaken waar de maker zich zo voor interesseert, en die er nu altijd in te weinig stroken doorheen geramd worden.

Henk Kuijpers, Franka 22: Onderwereld
47 pagina’s
Uitgeverij Franka, 2012

Franka 14: Het Portugese goudschip ~ Henk Kuijpers

Toneelschrijvers en scenaristen maken nogal eens gebruik van een simpele verteltruc. Daar waar een romanschrijver éen personage inzet, doen zij het vaak met twee. Want dan kunnen die twee met elkaar praten. En zo ook het publiek een hele hoop zeggen.

Strips op hun beurt krijgen al gauw vaste ensembles aan personages, met allemaal een unieke eigenschap. Helemaal als zo’n strip een reeks wordt, die een tijd loopt. Dat scheelt een heleboel uitleg per verhaal. En evenzeer blijft het handig om de personages met elkaar te laten praten, en zo het plot vooruit te helpen.

Lucky Luke vormt een uitzondering op deze regel. Maar dat is dan weer een eenzame cowboy, ver weg van huis. Die heeft alleen zijn paard — en het kostte tientallen albums voor dat beest eens een eigen karakter kreeg.

En Franka van Henk Kuijpers heeft dan weer alleen die bulldogpup, die vrijwel nooit iets aan het verhaal toevoegt. Al is er op de achtergrond nog haar blijvende vriendschap met de geheimzinnige woonbootbewoonster Furora, die vaak kleine zaken voor haar regelt; en zo tempo houdt in het verhaal.

Toch begon de reeks Franka ooit als een ensemblestrip, over ‘Het Misdaadmuseum’, waarin zij slechts de secretaresse was.

Sindsdien moet Franka elk album weer nieuwe allianties vormen met andere mensen. En het verhaal verliest altijd vaart als zo’n verbintenis eerst nog moet worden gesloten.

Dit maakt het begrijpelijk dat de maker haar in de meest recente albums ineens een familie heeft gegeven. Zelfs al is dat vreselijk laat in de geschiedenis van de strip. Maar eenmaal zo’n familie bestaat, hoeft daar vervolgens niets meer over te worden uitgelegd. Hun steun spreekt dan bijvoorbeeld vanzelf.

Eerder probeerde Kuijpers om Franka van een permanente partner te voorzien door haar te koppelen aan de kunstdief Rix, codenaam Risico Eén. Een jongeman is dat die uitblinkt in kennis van de modernste techniek — en dan vooral om deze uit te kunnen schakelen.

En het lijkt o zo begrijpelijk dat de maker van de strip dit gedaan heeft. Zelfs al was de consequentie dat een aantrekkelijke jonge man en een knappe jonge vrouw meer willen dan samenwerken alleen — maar voor wie weet dat stripboeken slechts nog gelezen worden door mannen op leeftijd, is ook zo’n keuze niet vreemd. De markt moet bediend.

De fout van Kuijpers in de Franka-albums 14 en 15 was alleen dat deze toonden hoe weinig eigenschappen de heldin van de reeks van zichzelf heeft. Want ze kreeg ineens een vriendje dat in alles beter was, en die interessanter is bovendien, omdat hij zichzelf met misdaad in leven houdt.

Duurde het nog lang voor Henk Kuijpers deze fout beseft heeft.

Tegelijk kon hij haar al evenmin elk avontuur een andere mannelijke partner geven — want weinig lezertjes zullen zo geëmancipeerd zijn dat ze dat voetstoots accepteren.

[ wordt vervolgd ]

Henk Kuijpers, Franka 14: Het Portugese goudschip
48 pagina’s
Big Balloon, 1996