Dit land kan zoveel beter ~ Wouter Bos

Nu wilde ik dit boekje zo objectief lezen als maar mogelijk is, maar Bos maakte mij dat al de eerste bladzijden onmogelijk. Daar vertelt hij omfloerst welk een inspiratie hij heeft geput uit het gedicht ‘The Road Not Taken‘ van Robert Frost.

Als ik op dat moment iets had gedronken, was dat er door mijn neus weer uitgekomen. Want wie dit gedicht, en vooral de slotregels, citeert in landen buiten Nederland, wordt onmiddellijk niet meer serieus genomen. De tekst is tot cliché geworden. Die bevat standaardfrasen die alleen de grootste meelopers onder de highschool-leerlingen nog als lijfspreuk in hun jaarboek durven te zetten.

Er kunnen in de populaire cultuur ongestraft grapjes over worden gemaakt die iedereen ook meteen begrijpt.

Hoe is die gaffe nu het best naar in Nederland begrijpelijke termen te vertalen? Het is alsof Bos verkondigt altijd troost te vinden uit het zingen van ‘My Way’ als hij een moeilijke beslissing heeft moeten nemen. Zoiets.

En toen moest het boekje dus nog beginnen.

Dit land kan zoveel beter heeft als eerste deel een korte autobiografische schets. Daarin verbergt Bos zorgvuldig hoe ambitieus hij altijd is geweest en doet hij net of heel zijn carrière hem maar toevallig overkomen is.

Daarna volgt een vrij uitgebreide beschrijving van wat er allemaal mis is in Nederland, volgens Wouter. Zoals gebruikelijk bij politici doet hij daarbij of al die problemen zo maar spontaan ontstaan zijn. Zorgvuldig moet immers vermeden worden dat de lezer bedenkt dat zijn PvdA op zijn minst mede verantwoordelijk was voor een paar rampzalige besluiten vroeger. Maar door die omissie trekt zijn anamnese wel op niets.

Tenslotte worden er in zo’n twintig pagina’s nog even wat oplossingen doorgejast. Maar zijn het wel oplossingen? Aangeven hoe Bos denkt zijn wensdromen ooit te kunnen gaan uitvoeren in een coalitiekabinet, gebeurt natuurlijk niet. De lezer moet zijn verhaal immers niet zien als een verkiezingsprogramma dat hem de volgende minister-president van Nederland moet maken namens de PvdA.

Het is maar de visie van éen man. Zoiets.

Recensie in éen zin: Dit land verdient zoveel beter dan dit.

scheiding

Postscriptum: Ik rammel de besprekinkjes op mijn boeklog er doorgaans in enkele minuten uit. Daarom zijn het eigenlijk ook geen recensies, maar op zijn best aanzetten tot zoiets groters.

Toch valt het me op dat ik later zelden de neiging heb om oude boeklogjes aan te vullen. Er even van afgezien dat ik inderhaast wel eens te vaak zondig tegen spelling, grammatica en stijl. Mijn besprekinkjes hebben altijd wel een kern die mijn gedachten adequaat weergeeft.

Maar nu, een dag na de bespreking van Wouter Bos’ autobiografische boek Dit land kan zoveel beter, knaagt er ontevredenheid. Niet om wat ik heb geschreven, maar om wat er werd weggelaten.

Ergens beschrijft Bos namelijk hoe het hem niet lukt de normale holle retoriek uit zijn toespraken te handhaven als hij dat in het Engels moet doen. Ineen valt de totale leegheid op van wat hij doorgaans zegt. Alleen trekt Bos er in zijn boek geen conclusies uit, en dat had ik eigenlijk wel moeten doen.

Wouter Bos had willen zeggen: ‘Solidariteit gedijt op een stevige ondergrond van saamhorigheid en lotsverbondenheid’. Hij noemt dit een mooi zinnetje.

Maar met het woordenboek erbij komt hij niet verder dan de vertaling ‘Solidarity thrives on solidarity and solidarity’.

En vervolgens lukt het hem niet om los te komen van die woorden, daarmee illustrerend niet goed te weten waar die eigenlijk voor staan.

Wouter Bos, Dit land kan zoveel beter
159 pagina’s
Uitgeverij Bert Bakker © 2006

Minister ~ Jo Ritzen

Ritzen was namens de PvdA minister voor onderwijs in de kabinetten Lubbers iii en Paars i. Dit boek verscheen al snel na zijn vertrek uit de politiek, en helaas komt dat de inhoud niet ten goede.

Er wordt weleens geklaagd, en volgens mij terecht, dat er geen interessante memoires verschenen van Nederlandse politici. Anders dan bijvoorbeeld de Britten wel lukt. Maar goed, in dat House of Commons debatteren ze ook al zo veel beter.

Dus, welke criteria moeten dan gelden om de terugblik van een bewindsman te beoordelen?

Ritzen heeft zijn boek opgezet als een soort cursus voor komende ministers. Aan het eind van elk hoofdstuk staan de leermomenten zelfs even samengevat. Daarbij is hij onverbloemd trots op wat er onder zijn leiding allemaal tot stand is gebracht, zonder dat hij er nu echt op ingaat wat die beleidswijzigingen dan waren, of waarom zulks nodig was.

Dit gebrek aan context is nogal pijnlijk. Van autobiografie verwordt dit boek al snel tot autohagiografie, waardoor ik alle aandrang verlies om Ritzen nog serieus te nemen.

Maar wat me vooral zal bijblijven aan dit boek, is de teleurstellende wetenschap dat die ministerraad meestal niet veel meer doet dan pokeren om geld. Waarbij de minister van Financiën croupier is, en de andere bewindslieden nogal bezeten spelers zijn; tuk op het eigen gewin, en zonder al te veel visie waar het algemeen belang nu toch het best mee gediend zou zijn.

Maar ja. Visie tonen is ook levensgevaarlijk in een polderdemocratie, omdat visie altijd met verplichtingen komt. En pappen en nathouden heeft al honderdvijftig jaar redelijk gewerkt, dus waarom zouden we hier ooit anders?

Jammer dat dit boek me alleen maar bevestigde in dit vooroordeel.

Jo Ritzen, De minister
Een handboek
223 pagina’s
Uitgeverij Bert Bakker © 1998


Grensverkenningen ~ Frits Bolkestein

Boeklog dient ook om me meer bewust te worden van de vooroordelen die ik heb. En over politiek bezit ik er vele. Zo is me meermaals gebleken dat met éen politicus apart heel goed een interessant gesprek gevoerd kan worden. Maar zet meerdere politici bij elkaar, en gebeurt iets vreemds. Dan lijken ze meteen elkaars beste eigenschappen op te heffen. Gaat het alleen nog maar over wat er in een partij gebeurt. Heb ik het nog niet eens over zoiets als democratie — of over hoe weinig principieel de principes van politici blijken te zijn, als ze die moeten aanpassen in ruil voor wat macht.

Maar in deze tijd, nu Nederland geregeerd wordt door een angstige verzameling lichtgewichten, is het mogelijk nostalgisch te worden over een recent verleden. Het kan namelijk altijd slechter dan je denkt. Frits Bolkestein vond ik voorheen een zeldzaam parmantig politicus, maar hij had toch een heel andere statuur dan die lui van het moment. Bolkestein gaf de indruk in elk geval nog weleens een boek te hebben gelezen, en ook nog weleens na te denken, zelf.

Toch had ik wat vragen vooraf aan het lezen van dit boek, en vermoedde ik dat mijn waardering nauw zou samenhangen met de antwoorden die ik kreeg.

  1. Want, hoe wordt iemand Europees Commissaris?
  2. En, hoe vrij is hij vervolgens om beleidskeuzes te maken. Loont het om over enige visie te beschikken?
  3. Wat moet een Europees Commissaris allemaal doen op zijn beleidskeuzes algemeen aanvaard te krijgen?
  4. En, maken die dan nog verschil?

Een subvraag was voor mij ook nog hoe Luuk van Middelaar in het Brusselse kabinet van Bolkestein terecht is gekomen. Ik heb namelijk nog met hem gestudeerd.

Frits Bolkestein ontmoette Van Middelaar voor het eerst tijdens een lunch, zoals Bolkestein vrijwel steeds met mensen praatte tijdens zijn lunches. In dit boek komt er geen boterham uit een trommeltje voor. Zijn oordeel na de eerste ontmoeting.

Slimme jongen die zich wat moeizaam uitdrukt [125]

Van Middelaar maakte dan toch genoeg indruk om stagiaire te worden bij Bolkestein. Vrij kort daar weer op lobbyt deze zelfs actief om hem tot nieuwe directeur van het Institút Neerlandais in Parijs te laten benoemen.

Ik vond de vrijheid die Bolkestein nam om ook dit handwerk uit te leggen een grote verdienste van dit dagboek. Hij zal zeker niet alles verteld hebben. Maar te vaak komen terloops de inspanningen langs die nodig zijn om iets aanvaard te krijgen; zoals de tijdelijke coalities die gesloten moesten worden, of de deals om iets in ruil te kunnen krijgen.

Bolkestein begint dit boek er al mee om terloops te melden dat hij nooit Europees Commissaris had kunnen worden als de PvdA vervolgens niet de burgemeester van Utrecht had mogen leveren, en D66 niet de Nationale Ombudsman. Iets later moest ook nog half liberaal Europa zijn voordracht steunen. Bolkestein’s sollicitatie was wat controversieel. Hij had zich weleens negatief uitgelaten over de EU.

Dit boek hielp overigens niet mee om mijn scepsis over het functioneren van de Europese instituties weg te nemen. De uitvoering van sommige richtlijnen laat soms decennia op zich wachten, zo niet langer. Pas toen de ruzie tussen Spanje en Groot-Brittannië over Gibraltar beslecht was, konden tal van handelsbepalingen voor de gehele interne markt worden ingevoerd waarover al dertig jaar daarvoor was beslist.

En dan is er nog het eeuwige probleem dat politici zo vaak vergaande beslissingen nemen over iets waar zij totaal niets weten. Het ene moment klaagt Bolkestein geen verstand van IT te hebben, maar dat gaat dan om over zo iets simpels als het machtsmisbruik van Microsoft als monopolist. Dan weer is hij zonder een spoor van twijfel trots een beslissing over het software-octrooi geforceerd te hebben, terwijl hij dat waarschijnlijk niet was geweest als hij had begrepen waartoe werd besloten.

Het is overigens mede door de laatste twee zaken dat ik belangstelling had voor Bolkestein’s ideeën over zijn commissariaat. Door deze onderwerpen heb ik over hem moeten schrijven in andere media.

Ik denk trouwens daardoor ook dat dit dagboek te weinig context biedt, voor al die lezers zonder inzicht in hoe de besluitvorming werkt in Europa. De teksten zijn gelardeerd met een vreselijk jargon dat ik helaas wel heb leren kennen, maar dat normaal niet in de courant komt. En dan helpt zo’n verklarend woordenlijstje als er nu achterin staat volgens mij te weinig.

Evenmin is dit boek geschreven in de

elegante, maar scherpzinnige en niets verdoezelende stijl

waar de blurb van rept. Een niet altijd voor anderen bedoelde aantekenstijl was een aannemelijker omschrijving geweest.

Bolkestein is wel opmerkelijk eerlijk, soms. Running gag in dit boek is zijn afkeer van de actualiteitenprogramma’s op de Nederlandse TV. Ook personen worden regelmatig in éen zin keihard weggezet.

Uiteindelijk vind ik dat eigenzinnige nog het meest te prijzen aan dit boek.

Tegelijk is de grote paradox voor mij hoe dat eigenzinnige zich dan in éen persoon kán verenigen met die eeuwig dienende rol van de politicus, van een klein radertje te zijn in een oneindig trage bureaucratische papiermolen. Maar ik wil dan ook niet de politiek in.

Dat zou me trouwens dankbaarder moeten maken voor hen die zich wel geroepen weten, dan ik meestal opbrengen kan.

Frits Bolkestein, Grensverkenningen
Dagboek van een Eurocommissaris

323 pagina’s
Uitgeverij Bert Bakker, 2005

Klimaatactivist in de politiek ~ Wijnand Duyvendak

Er staat amper iets in dit boek over de zaak waardoor Wijnand Duyvendak de afgelopen weken plots in opspraak kwam. En dat is om meer dan éen reden jammer.

Duyvendak was sinds 2002 onder meer woordvoerder milieu namens GroenLinks in het Nederlandse parlement. Daarvoor was hij directeur van de Vereniging Milieudefensie. En nog daar weer voor weerde hij zich actief tegen alles. Daarbij was het weleens nodig de wet te overtreden.

Tot zijn chagrijn merkte Duyvendak de laatste tijd dat het milieu geen onderwerp is voor de kabinetten onder CDA-premier Balkenende. Evenmin kwam er iets goeds van oude strijdmakkers bij het PvdA, omdat deze partij thans mede de regeringsmacht heeft. Dus besloot Duyvendak een vlammend milieupamflet te schrijven tegen de laksheid van de regering. En dit pamflet kleedde hij aan met wat persoonlijke ontboezemingen; als om te verduidelijken waarom het onderwerp voor hem wel belangrijk is — en daarmee ook voor ons.

Alleen is dit boek nog helemaal het truttige werkstuk van een Nederlands Kamerlid — dat de huidige partijen aan de macht wel kapittelt om beloften die ze niet nakomen, maar tegelijk niet te diep wil ingaan op de bestuurlijke rot. GroenLinks zou ooit nog eens kunnen gaan regeren. Daarom kon hij nu maar beter geen vijanden maken, door namen te noemen, of partijen te laken.

De verwijten die Duyvendak maakt zijn weliswaar terecht, maar blijven ook zo algemeen van aard dat ze net de kracht hebben van een trillend geheven wijsvingertje.

Het kabinet Balkenende-IV schuift vooral door naar Europa. Uit Brussel moet het beleid komen dat de Nederlandse doelen haalbaar moet maken. De Europese Unie moet zorgen voor schonere auto’s en zuiniger apparaten, door met strengere voorschriften te komen. [125]

Duyvendak moet nodig Machiavelli eens lezen, of desnoods Ankersmit; al is die tegenwoordig VVD. Natuurlijk zullen machthebbers voorkomen dat zij de schuld kunnen krijgen van impopulaire maatregelen. Merkwaardig dat een Kamerlid en beroepsactivist dit niet lijkt te beseffen; dat hij blind is voor het verschijnsel hoezeer de EU altijd als schaamlap wordt gebruikt door Nederlandse kabinetten. De hele Europese Unie is het perfecte excuus om impopulaire besluiten door te voeren — of om nuttig ingrijpen na te laten.

Wie kan het zelfbenoemde slachtoffer van zo’n ongrijpbare macht ooit wat verwijten?

Als Duyvendak eens wat beter leerde begrijpen hoe macht echt werkt, dan zou hij zijn eigen boodschap ook wat effectiever kunnen verspreiden. Want, hoe begrijpelijk alle waarschuwingen ook zijn dat het mis gaat met het milieu, GroenLinks komt zo zelden verder dan mij zuur van alles te verwijten. Terwijl het probleem echt niet bij mij, of welk privé-persoon dan ook ligt.

Het is zo’n verschrikkelijk naïef boek, dit. Zo ziet Duyvendak wel dat veel GroenLinks-stemmers erg graag vliegen — omdat het doorgaans jonge hoogopgeleide mensen zijn die veel te besteden hebben. Tegelijk lijkt hij niet te begrijpen dat het stemmen op een groene partij in deze tijd ook als het kopen van een aflaat is, voor iedereen die zich schuldig voelt over waar zijn consumptie toe leidt. Zelfs Al Gore zit in de handel van aflaten — hij heeft volop kooldioxidecompensatie te koop.

Emoties en schuldgevoelens zijn aanmerkelijker slimmer te bespelen dan Duyvendak beseft.

Waarschijnlijk ben ik te cynisch, en is Duyvendak hoogstens een wat kinderlijke onnozelheid te verwijten, maar dit boek pakt uit als een nogal eenzijdig milieutractaat. Uiteindelijk wordt mij er toch te zeer alleen in geklaagd. Bovendien geloof ik hem soms domweg niet. Een week lang alle diametraal tegengestelde meningen lezen op Climate Debate Daily, is informatiever dan dit boek.

Wijnand Duyvendak noemde zichzelf om een heel andere reden naïef — doordat hij onderschatte hoe gevoelig onthullingen uit zijn activistenverleden zouden uitpakken. Daardoor laaide nogal wat protest op tegen zijn handelen toen. Daardoor trad hij uiteindelijk als Kamerlid terug. Maar door te verklappen dat hij ooit heeft ingebroken bij het ministerie van Economische Zaken heeft hij wel een andere discussie geopend.

Hoe ver mag iemand gaan voor zijn idealen?
Als machthebbers hun macht misbruiken?

Het is misschien wel het oudste probleem uit de politieke theorie. In die zin is het jammer dat Duyvendak zich met dit boek niet mengt in de discussie die hij zelf heeft opgeroepen. Want, er is een tirannie die anders moet; en toevallig zijn wij die tirannie voor een deel wel zelf.

Wijnand Duyvendak, Klimaatactivist in de politiek
174 pagina’s
Uitgeverij Bert Bakker, 2008

Haagse tegenstrijdigheden ~ André Rouvoet e.a.

Het gaat wat ver om van een dun boek als dit te verwachten dat het dé analyse biedt over de merkwaardige paniek in politiek Nederland sinds de moord op Fortuyn. De ruimte om de diepte in te gaan ontbreekt. En toch roept ook deze uitgave vooral dezelfde conclusies op die ik al maakte, over vergelijkbare, maar dikkere boeken.

De diagnose kan niet deugen, als die te zeer gericht blijft op een te klein deel van het probleem.

Goed, een actief politicus als André Rouvoet [CU] is moeilijk kwalijk te nemen dat hij zich alleen richt op waar de politieke partijen in de Tweede Kamer aandacht voor hebben.

Maar ook de blik van PvdA-er Bart Tromp blijft te zeer op partijniveau hangen. Al leer ik dan wel uit een voetnoot bij hem:

In de politiek betekent ‘professional’ dat iemand voltijds werkt, niet dat hij of zij over onbetwistbare expertise beschikt.

Paul Schnabel, de directeur van het Sociaal en Cultureel Planbureau [SCP], doet wel een bijna interessante poging om aan te geven welke maatschappelijke ontwikkelingen allemaal genegeerd zijn, door politici in Den Haag. Hij concludeert:

Opvallend is dat anders dan in de jaren zestig nu niet gepleit wordt voor een totale verandering van het systeem — politiek, economisch, sociaal. Integendeel, met het systeem is men eigenlijk wel tevreden, zeker als het beter zou functioneren. Het doelwit van de agitatie en de actie is niet het systeem, neen, het gaat om de dragers ervan: de politici, de ambtenaren. Tien jaar geleden werd in de Duitse politicologische literatuur al melding gemaakt van het samengaan van Systemzufriedenheit met Politikverdrossenheit. Voor Nederland kan daar nu aan toegevoegd worden dat veel burgers niet alleen genoeg hebben van de politiek, maar vooral van de politici.[…]

Jammer genoeg graaft Schnabel in zijn beschouwing niet dieper. Waardoor ik dus denk dat hij dit waarschijnlijk niet kan zonder zijn eigen positie te ondergraven.

Zijn SCP maakt deel uit van die hele constellatie aan NGO’s en overheidsinstellingen waar het politieke beleid voor een groot deel gemaakt wordt — zonder dat hier democratische controle op is. Als politici in het kabinet of de Kamer een beperkte visie te verwijten is, dan komt dit ook omdat juist al die planbureaus en andere adviesorganen hen systematisch met blindheid slaan.

Nu wilde ik dit boek per se lezen om de bijdrage van H.J. Schoo — de grootste buitenstaander van de vier. Zijn ‘Van oude en nieuwe klassen, of de deftigheid in gedrang’ is vooral een analyse van de vraag waarom Pim Fortuyn zo veel weerstand opriep.

Schoo had Fortuyn indertijd als columnist bij Elsevier gehaald — niet omdat hij het per se met hem eens was, maar omdat hij iemand met diens geluid verder mistte in de media.

Niet toevallig misschien schrijft Schoo dan ook over systeemblindheid bij politici en overheid. En dat nu had hij volgens mij zonder moeite nog een stuk etsender kunnen doen.

Haagse tegenstrijdigheden
Een jaar verder

69 pagina’s
Amsterdam University Press, 2003

Uit mijn communistentijd ~ J. de Kadt

Zoals autobiografieën gaan, is dit een hoogst opmerkelijke uitgave. De schrijver kijkt er voornamelijk in terug op zijn tijd in ‘de gevangenis’; zoals hij zijn lidmaatschap van de Communistische Partij Holland (CPH) noemde. En daarmee werd dit boek vooral een subjectieve geschiedenis over al die Marxistisch geïnspireerde politieke partijtjes, in het Nederland van direct na de Eerste Wereldoorlog.

Jacques de Kadt [1897 – 1988] noemde zichzelf een politieke randfiguur, maar was vanaf 1948 toch een tijd Kamerlid voor de PvdA, en publiceerde zijn hele leven lang politieke beschouwingen. In zijn jeugd zocht hij heil bij de meest linkse partijen, zonder daarbij een blind gelovig Marxist te zijn. Voor hem gaf het Marxisme inzicht in politieke en maatschappelijke vraagstukken. Tegelijk was hem duidelijk dat de antwoorden op die problemen in de loop der tijd niet altijd hetzelfde konden blijven. Dus bleef hij lezen, en zichzelf vragen stellen; en verzette hij zich tegen al te blinde dogmatiek. Om uiteindelijk, vele jaren na de periode die in dit boek beschreven wordt, zelfs als een bestrijder van het Communisme te eindigen.

Zijn wens tot zelfstandig nadenken stuitte al vroeg op problemen, door de blinde ‘kazernediscipline’ in de CPH. Kwam daar nog bij dat het toenmalige bestuur niet open was over zijn bedoelingen, en voorzitter David Wijnkoop met de financiën leek te rommelen.

Deze problemen worden allemaal uitgebreid geschreven. Net als hoe De Kadt meermaals naar Moskou reisde, om daar steun te zoeken bij de Communistische Internationale tegen het bestuur van zijn eigen partij.

Uiteindelijk zou hij na vier jaar de CHP verlaten, en met onder meer Henriëtte Roland Holst de Bond van Kommunistische Strijd- en Propagandaclubs (BKSP) oprichten. Die werd bij gebrek aan succes in 1927 ontbonden. En daarmee eindigt dit boek; om in een later deel vervolgd te worden.

Wat de memoires nu zo merkwaardig maakt, is de voortdurende neiging van De Kadt om de onderwerpen van zijn betoog te bagatelliseren. Zo is hij soms weinig mild over zichzelf als jonge man. Nu goed, anderen komen er vaak nog aanzienlijk minder goed af. En die hele CHP stelde uiteindelijk ook niet heel veel voor; zelfs al was het de machtigste van alle Marxistische partijen.

[…] vooral niet vergeten dat de hele partij op dat ogenblik zo om en nabij tweeduizend leden (om juist te zijn: 1700!) had in het hele land; dat het dagblad van de partij misschien vijfduizend abonnees had en met kunst en vliegwerk op de been moest worden gehouden; en dat de enige betekenis van de partij lag in het kiezersratjetoe, dat haar twee of drie zetels in het parlement gaf, als uitdrukking van veelsoortige ontevredenheden die slechts hier en daar iets te maken hadden met het communisme. [370]

En door die dubbelheid — een onderwerp belangrijk maken door er een boek aan te wijden, maar dat boek dan gebruiken om aan het onderwerp af te doen — werd dit een bij tijden verfrissend oneerbiedig werk.

J. de Kadt, Uit mijn communistentijd
455 pagina’s
G.A. van Oorschot, 1965

Deftigheid in het gedrang ~ J. de Kadt

‘Een Orwell uit Oss’. Dat was de erenaam die politicoloog Bart Tromp eens verzon voor Jacques de Kadt [1897 – 1988]. En hoewel zo’n bijnaam aan de ene kant heel inzichtelijk is — door die vergelijking met Orwell wordt De Kadt als schrijver meteen neergezet — zit er ook iets neerbuigends in. Want, Oss? Wat komt er nu nog meer uit Oss dan dat die afkomst het vermelden waard maakt, behalve de smaakloze supermarktworst van de lokale vleesgigant? Of die zo weinig opvallende betaald voetbalclub?

Toegegeven, er is ook een ‘Orakel uit Oss’. Zo luidde een bijnaam voor de politicus Jan Marijnissen. Onder wiens leiding een partij van voormalige Maoïsten zich ontpopte tot een actiebeweging vol Rode Jehova’s, die thans, na zijn troonsafstand, een merkwaardig bang links-conservatief deel van het parlement uitmaakt.

Dus hoewel Bart Tromp een informatieve inleiding gaf voor deze bundel met polemieken en essays van De Kadt, komt hij er ook niet onderuit ietwat neerbuigend over hem te doen. En dat heeft toch veel van het dedain dat de academicus kan voelen voor de autodidact.

Jacques de Kadt zou een lastige man zijn geweest. Hoewel hij, na ooit bijna Trotskist te zijn geweest, meteen na de oorlog toch ook vijftien jaar Kamerlid voor de PvdA was — iets dat een zelfstandig denkend mens nu niet meer zo lang zou lukken, gezien de steile fractiediscipline en nomenclatuur.

En hij schikte zich toch ook in de PvdA-standpunt over Nederlands-Indië — dat militair ingrijpen gewettigd was om de kolonie te behouden — hoewel hij al vanaf de jaren twintig voor de verzelfstandiging van Indonesië was; het land waar hij de oorlog had doorgebracht, met alle gevolgen van dien.

Jacques de Kadt zei het weleens veel te scherp, volgens Tromp, en dat isoleerde hem. Dit zal best. Maar zegt zo’n conclusie niet evenveel over Tromp, en het politieke klimaat in Nederland, als over De Kadt?

Uiteindelijk gaat het erom wát iemand beweert, en waarop hij of zij dit baseert. Als daar vervolgens niemand aan wil, zegt dit toch echt weinig over de kwaliteiten van zulke uitspraken. Helaas. De samenleving herkent waarheden pas als oude dogma’s vals zijn gebleken.

En De Kadt waarschuwde al voor 1933 tegen Hitler, toen niemand daar in geïnteresseerd was. Zijn bekendste publicatie is Het Fascisme en de nieuwe vrijheid uit 1939; maar dit boek verwierf pas tijdens de bezetting faam.

Met de kennis van nu zijn zulke stukken ook niet het meest inzichtelijk, gek genoeg. Om de kwaliteiten van De Kadt in te kunnen schatten zou ik me eerst moeten verdiepen in de commentatoren die op dat moment verder actief waren. En waar deze over neuzelden. Een vooruitzicht dat te akelig voor woorden is.

Interessanter waren, van de vooroorlogse publicaties, De Kadt’s gedachtenexercities over wat democratie is, en uiteindelijk zou moeten zijn. Voor hem diende die hele democratische samenleving ertoe om iedereen zijn beste bekwaamheden te laten ontwikkelen. Waarop de elite die zo zou ontstaan als vanzelfsprekend de leiding hoorde te krijgen.

Culturele ontplooiing was daarbij van grote betekenis.

En in die zin worden zelfs worden zelfs de schimpschuiten van belang die De Kadt uitte over de Nederlandse maatschappij. Waar ik eerlijk gezegd het meest van genoten heb.

Een van mijn vele, tot dusver onvervuld gebleven wensen is nog eens het verschijnen te beleven van een kleine geschiedenis der Nederlandse letterkunde, bestemd voor grote mensen.

Ik begin met er de nadruk op te leggen dat het een ‘kleine’ geschiedenis moet zijn, want ik vind dat, zodra men gaat schrijven voor ‘grote’ mensen, voor volwassenen bij wie men een behoorlijke dosis algemene ontwikkeling en dus kennis van de wereldliteratuur veronderstelt, van wie men aanneemt dat ze de nodige kritische zin hebben en dat ze dus vrij hoge maatstaven aanleggen, dat dan alles wat werkelijk belangrijk is in de Nederlandse letterkunde in een zeer klein bestek gezegd kan worden, en moet worden. [228]

Gelukkig heeft Tromp niet alleen politieke maar ook cultureel gekleurde stukken uit het verspreide oeuvre van Jacques de Kadt gekozen voor dit boek. Zelfs al hebben de opgenomen boekbesprekingen wel een politieke lading; en dienen ze bijvoorbeeld vaak om nog eens De Kadt’s felle anti-communisme te illustreren.

Een stuk over Gorter, die zeer door De Kadt bewonderd werd, behandelt met nadruk hoe diens Marxistische ideeën zijn latere werk verpest hebben.

Verder moet worden opgemerkt dat ik dit boek lang geleden kocht, op de groei. En dat het werkelijk tot nu heeft moeten duren voor ik een verzameling als deze kan waarderen. Ik heb er enige maanden over gedaan om dit dikke boek uit te lezen. Op mijn gemak. Redelijk vaak genietend.

Graag had ik wel meer van De Kadt’s ideeën over Nederland willen lezen dan deze verzameling me bood; meer dan alleen het vaak wat abstracte wat hij te zeggen had over politiek.

J. de Kadt, De deftigheid in het gedrang
Een keuze uit zijn verspreide geschriften

856 pagina’s
Uitgeverij G.A. van Oorschot, 1991

Politieke herinneringen van een randfiguur ~ J. de Kadt

Waar Uit mijn communistentijd ophield, vervolgen de memoires van Jacques de Kadt in Politieke herinneringen van een randfiguur. Daar zou later nog een derde deel op volgen, over zijn Indische jaren.

Dus begon dit boek zoals het vorige eindigde. Een man met principes, die niet in de politiek zit om een leuk baantje te krijgen, stuit waar hij zich ook begeeft op partijdogma’s, onnozelheid, incompetentie, en blinde ambities. De man begrijpt daarbij nog altijd niet volkomen ongeschikt te zijn voor die milieus.

De Kadt werd na het echec met zijn Bond van Kommunistische Strijd- en Propagandaclubs in 1924 lid van de SDAP; voor de oorlog de grootste Socialistische partij in Nederland; zonder dat dit ooit tot deelname aan de regering leidde. Een royement daaruit zou slechts een kwestie van tijd blijken. Vervolgens richtte hij met geestverwanten de Onafhankelijke Socialistische Partij (OSP) op, die nooit maar dan een splinter zou worden. De Kadt verliet die partij na twee jaar.

En de geschiedenis van de socialistische facties en kongsies in Nederland, door iemand die ze in al hun kleinheid had meegemaakt, interesseerde uiteindelijk me maar matig. Die tekent weliswaar een tijd, maar de opkomst van het Nazisme en fascisme in dezelfde periode zijn wezenlijker. De Kadt’s persoonlijke verhaal, vermengd met de internationale ontwikkelingen in de jaren twintig en dertig, is aanmerkelijk interessanter.

Dit boek eindigt in 1940, als de familie De Kadt in Indonesië aankomt, en Jacques meteen in een cel wordt gestopt op verdenking van Trotskistische sympathieën.

De Kadt was met diens ouders — zijn vader was al over de tachtig — en twee oudere broers in de meidagen van ’40 aan de Duitsers ontkomen, via IJmuiden. Was daar geen vissersboot geweest om ze mee te nemen en hadden ze de haven niet kunnen bereiken, zoals een paar uur later al niet meer kon, dan had deze hele Joodse familie zelfmoord gepleegd.

Merkwaardig genoeg hebben De Kadt’s toch niet heel uitgebreide hoofdstukken over de tijd in Londen van dit boek de meeste indruk gemaakt. Misschien omdat ik nooit iets eerder gelezen had over deze tijd, en al zijn verwarring; of het enorme politieke onbenul van de Nederlanders die al in Engeland woonden.

Uit de periode daarvoor zijn bijvoorbeeld De Kadt’s ontmoetingen met Trotsky memorabel. Al was het maar omdat die zich rechtstreeks bemoeide met al die partijtjes in Nederland, en bijvoorbeeld wenste dat de OSP zou fuseren met een andere splinter.

En dan was er nog De Kadt’s gevangenisstraf van drie maanden, om wat hij in sympathie in een partijmanifest had geschreven over de ‘muiterij’ op het marineschip De Zeven Provinciën; [die in werkelijkheid een staking over slechte werkomstandigheden was geweest]. Zoals hij die celstraf beschrijft, was het een vakantieperiode. Eindelijk rust, na al dat rennen en draven voor de partij. Welke naam die partij ook had gehad. De onderdirecteur kwam dagelijks een praatje maken over het socialisme, en De Kadt had gelegenheid genoeg om te lezen en te schrijven. Moest hij in naam nog wel een halfuurtje per dag wat onderbroeken afwerken — voor de marine.

Ook heb ik lang nagedacht over De Kadt’s typering over de Nederlandse politiek van voor de oorlog:

De werkelijkheid van de Nederlandse politiek was die regeringsmeerderheid die gevormd werd door de confessionele partijen. Zolang ze het behoud van de bestaande orde nastreefden en die orde ten hoogste door minimale hervormingen in overeenstemming met de veranderen de maatschappelijke krachten wilden brengen, konden de confessionelen steeds op de steun rekenen van wat zich de ‘liberale stromingen’ noemden en zelfs op de steun van wat in die liberale wereld, als ‘vrijzinnig-democraten’, op een hoger intellectueel niveau stond en meer begrip had voor de eisen van de moderne wereld. Die zo gevormde meerderheid was sterk genoeg om de enige werkelijke oppositiepartij, de Sociaal-democratische, gedurende bijna de gehele periode buiten de regering te houden en daardoor iedere politiek van vernieuwing te beletten. [6]

Toen bestond er tenminste nog zoiets als oppositie, met een grote partij-organisatie, en een kaderschool, moest ik onder meer denken. Tegenwoordig bestaat de enige oppositie uit populistische protestbewegingen. De meeste partijen die in naam oppositie voeren in het parlement controleren namelijk niet, maar regeren mee.

J. de Kadt, Politieke herinneringen van een randfiguur
255 pagina’s
G.A. van Oorschot, 1976

Blinde ambitie ~ Eduard J. Bomhoff

Het merkwaardigste kabinet dat Nederland ooit gehad heeft, kwam tot stand na de verkiezingen in mei 2002. Even daarvoor was de politieke opmars van Pim Fortuyn bruut gestuit met een moord. Maar zijn overhaast gevormde partij werd toch de éen-na-grootste van het land, en kreeg prompt regeringsmacht in het eerste kabinet Balkenende, bestaande uit CDA, Lijst Pim Fortuyn [LPF], en VVD.

Eduard Bomhoff, tot dan toe werkzaam als econoom, werd namens de LPF minister van Volksgezondheid, en vice-premier. Die aanstelling duurde drie maanden. Toen vroegen Bomhoff en collega LPF-minister Heinsbroek ontslag, blies de VVD dezelfde dag nog het hele kabinet op, en volgden nieuwe verkiezingen in 2003. Die luidden de ondergang in van de LPF als partij.

Blinde ambitie gaat voornamelijk over deze drie maanden van Bomhoff als minister, en de perikelen in de LPF. Daarbij is hij opvallend mild over het zootje baantjesjagers, idioten, en opportunisten dat zich voor de gelegenheid verzameld had als politieke partij. Hij is dit zelfs over de blinde machtswellust van collega Heinsbroek — een patjepeeër die te rijk was geworden in de platenindustrie; en ieder weldenkend mens hoort te weten welk een legale fraude daar nog altijd plaatsvindt.

Dat geruzie, of het gemanoeuvreer van Bomhoff om zijn positie te verklaren, boeide me niet erg. Ik wilde dit boek eens lezen om te zien wat de auteur zeggen zou over de cultuurschok die zijn komst naar Den Haag moet hebben opgeleverd. Wetenschappers denken nu eenmaal fundamenteel anders dan politici.

Nederlandse politici heb ik namelijk toch vooral leren kennen als mensen aan wier denken vrijwel elke analyse vreemd is — behalve als het om bewaking van de eigen positie gaat. In die zin las ik puur om vooroordelen bevestigd te zien. Dat staat me niet te prijzen. Maar die instelling maakt lezen wel leuk. En Bomhoff bevestigde ook vele van mijn ergste ideeën.

Nederland wordt geregeerd door een klasse van regenten, bij wie de politieke kleur er normaal vrij weinig toe doet; behalve als schaamlap om beleid te verkopen. Nu ja, de VVD heeft vrij rampzalige ideeën over de werking van de markt als panacee, en de PvdA zweert op beleidsterreinen als de zorg en onderwijs bij een blind soort planeconomie. Maar bij alle keuzen die gemaakt worden, valt altijd op dat die meer dienen om de posities van de partij in het kabinet vast te stellen, dan dat er inhoudelijke gronden voor zijn. Wie per se wat wil, moet daarmee gedogen dat de mederegeerders iets aan wensen ingewilligd krijgen; hoe kortzichtig dat beleid ook uitpakt. Daarom is de machtigste partij in Nederland het CDA; omdat die nimmer op een principiële keuze betrapt kan worden. [En nee, ik denk niet dat steun aan de illegale oorlog tegen Irak uit enig principe voortkwam].

Gezien de enkele analyse die Bomhoff in dit boek maakt over wantoestanden aan bureaucratie in de zorg, is het jammer dat zijn ministerschap maar drie maanden duurde; en er dus relatief weinig onderwerpen passeerden.

Desondanks heeft dit boek twee opvallende karakteristieken. De eerste is de ietwat zwarte humor die Bomhoff zich permitteert, ook over zichzelf als stijve gelovige.

Ten tweede uit hij zich opvallend vrij over wat hij beleefde tijdens het wekelijkse kabinetsoverleg — waarmee Bomhoff volgens sommigen staatsgeheimen schond. Tegelijk zegt hij nauwelijks meer dan dat niet alleen Nederlandse ministers bijzonder weinig weten, en ook de ambtelijke top van de ministeries alle normale analytische vermogen mist.

Zo wordt minister Donner beschreven als een bluffertje dat heel goed kan acteren staatsman te zijn. Balkenende blijkt vooral een handige voorzitter te zijn van de vergaderingen. En per se dus geen leider. Zo vatte hij een besproken agendapunt altijd samen, zonder daarbij aan te geven waartoe nu besloten was. Balkenende’s ster rees slechts zo hoog doordat hij altijd voorzichtiger is dan anderen.

Ondertussen is ook het vierde kabinet dat zijn naam droeg ruim voor het eind van de regeertermijn gevallen.

Dan was er nog vermelding van het opmerkelijke dreigement van Gerhard Schröder tegenover Balkenende, bij de uitbreiding van de EU: “Als Nederland dwarsligt over de toelating van Polen, kijken we jullie honderd jaar niet meer aan”.

Het zal dan ook om dit boek, naast het LPF-lidmaatschap, zijn dat Bomhoff vervolgens naar het buitenland moest om zijn werkzame leven als econoom te vervolgen. Het regentendom hier kon de rijen weer sluiten; het grootste gevaar leek geweken. Waarop bleek dat ze een adder aan hun borst hadden gekoesterd door een nitwit als mevrouw Verdonk tot minister te maken; op een post zelfs waar zij zich publiek kon profileren. En toen het gevaar van haar populisme eindelijk wegdeemsterde kwam Wilders op…

Eduard J. Bomhoff, Blinde ambitie
Mijn 87 dagen met Zalm, Heinsbroek en Balkenende

176 pagina’s
Balans, 2002

Geluk! ~ Femke Halsema

Ik mag niet uitsluiten weleens op Femke Halsema gestemd te hebben. Maar een beginselverklaring, of een al te grote bekentenis, is dit niet. Ik stem altijd tegen de zittende coalitie, kies altijd voor een vrouw, en weiger steun aan de strikt confessionele groeperingen of single issue partijen. Dan blijft er vrij weinig te kiezen over wil ik nog iets van mijn stem in het parlement terugzien.

Femke Halsema is de fractieleider van GroenLinks; een fusiepartij waar ooit de communisten, progressieve katholieken, pacifisten, en nog zo wat loslopend volk in opgingen.

Nogal wat van Halsema’s partijleden zijn beangstigende drammers. En uit de tijd dat ik nog simpel verslaggevertje was, staat me bij dat er geen dommer volk te vinden was dan de raadsleden van het plaatselijke belang of die van GroenLinks. Al dit roept weleens mededogen bij me op, voor haar.

Nogal wat de Nederlanders die op GroenLinks stemmen, zijn als ik. Hoger opgeleid, met alle zekerheden en zorgen van een bestaan in de middenklasse. Niet uit te sluiten is dat een groot deel van de GroenLinks-stemmers meent aldus een aflaat te kopen voor het eigen consumptiegedrag. Wie een partij steunt die goed wil met het milieu doet zo ook een beetje goed. By proxy.

Alleen heeft GroenLinks nog nooit regeringsmacht bekleed.

Een boek als dit, van de belangrijkste politicus van een partij, is meer een manifest of een pamflet dan iets anders. En als de titel meldt dat de tekst zich tegen de hyperconsumptie gaat uitspreken, dan gebeurt dit dus ook, via voorspelbare patronen en argumenten.

Interessanter werd daarmee welke inzichten Femke Halsema heeft opgedaan in al die jaren dat ze de macht moest controleren. En die leverden helaas vooral uitspraken op waar ik niet bijzonder van op keek. De idee dat marktwerking een panacee voor alles biedt, is nogal doorgeschoten. Er is te veel bureaucratie. De publieke sector biedt slechts met standaardoplossingen, en loopt ervoor weg om maatwerk zelfs maar toe te staan. Er zijn problemen met het onderwijs. Enfin, vul de riedel maar aan.

Als een boek op twee fronten lijdt aan een slaapverwekkende voorspelbaarheid, is het erg veilig.

Het was dan ook niet boeiend om te zien wat Halsema opnoemde, maar hóe ze dit deed. Of ze nog schuldigen durfde aan te wijzen met naam en toenaam, behalve wij consumenten allemaal. Omdat zo’n analyse bijvoorbeeld toont met wie GroenLinks in een kabinet zou passen, en met wie juist niet.

En dan is de conclusie toch al snel: GroenLinks wil heel erg graag regeren. Nu. Misschien omdat de partij ineens beseft een kans gemist te hebben door niet in het kabinet Balkenende IV te stappen, met CDA en PvdA; zodat een christensplinter die eer kon krijgen. Femke Halsema heeft niemand echt tegen de haren in willen strijken met dit pamflet. Behalve dan dat we allemaal ons leven moeten beteren van haar. En dus hoeft ook niemand zich persoonlijk aangesproken te voelen, behalve wij allemaal.

Femke Halsema, Geluk!
Voorbij de hyperconsumptie
haast en hufterigheid

160 pagina’s
Uitgeverij Bert Bakker, 2008

Jaren die dubbel telden ~ J. de Kadt

Het is jammer dat de politieke herinneringen van Jacques de Kadt [1897 – 1988] maar drie delen beslaan, en geen vier. Nu houden zijn memoires op in de jaren veertig. Terwijl hij daarna nog Kamerlid werd, voor de PvdA. En trouwde.

Mij intrigeert het inmiddels, wat De Kadt over de wederopbouwjaren te zeggen zou hebben gehad. Over de welvaartsgroei, en de effecten daarvan. Of over hoe de Sociaal-democraten, in ruil voor eindelijk wat macht, hun beginselen verkwanselden.

Jaren die dubbel telden gaat over De Kadt’s tijd in Indonesië. Waar hij aanvankelijk in 1940 niet binnenmocht, door het politieke onbenul van veiligheidsdienst. Dan toch werd toegelaten, als gast, vanwege de speciale omstandigheden. En toen de oorlog met Japan uitbrak wel weer geacht werd om dienst te nemen.

De Kadt weigerde, juist omdat hij niet officieel in het land was toegelaten. Daarop moest hij toch burgerdienst doen. En die kwam er op neer dat hij, dat toch zo onbetrouwbaar geachte sujet, telefoonlijnen moest afluisteren, en zo nodig censureren.

Als er éen ding naar voren komt uit dit derde deel, dan wel hoe incapabel het Nederlandse bestuur in Indië was. Al zal daar zeker wat kleuring bij zitten van De Kadt. Heel interessant is bijvoorbeeld hoe het er volgens hem tijdens de eerste maanden van de vrije republiek Indonesië voor stond. Zo had Nederland absoluut goede betrekkingen met het nieuwe bewind kunnen krijgen. Maar zowel daar, als in Den Haag, dachten de hoge heren nog als kolonisatoren. Dus werd het oorlog.

Jacques de Kadt was het al in de jaren dertig duidelijk dat verzelfstandiging van het land de enig logische ontwikkeling zou zijn.

Boeiend aan dit boek waren voor mij niet de gekende verhalen, zoals het verblijf in de Jappenkampen, maar bijvoorbeeld hoe hij na de capitulatie van Japan correspondent in Indonesië werd, voor Het Parool in Nederland — een krant die illegaal tijdens de Tweede Wereldoorlog werd opgericht. Over zijn goede contacten met de Indonesiërs toen. Hoe moeilijk het daarbij was om zijn stukken in Nederland te krijgen. Of dat hij niet wist dat er amper papier was om kranten te drukken, waardoor zijn artikelen sterk ingekort verschenen. Waarmee ook alle ruimte voor nuance verdween.

Verder verschilt dit boek op éen cruciaal punt van de eerdere twee delen. Die boeken gingen over hoe een zelfstandig denkend mens reageerde op normale omstandigheden, hoe veel mis daar ook mee was. Dit slotdeel gaat erover hoe dezelfde man reageerde op eenmalige uitzonderlijke omstandigheden. En daar zal me absoluut minder van bijblijven.

J. de Kadt, Jaren die dubbel telden
Politieke herinneringen
uit mijn ‘Indische jaren’

201 pagina’s
G.A. van Oorschot, 1978

Twintig maanden knettergek ~ Ella Vogelaar & Onno Bosma

Als iemand de wens uitspreekt om president te worden, moet er alles aan worden gedaan dat onmogelijk te maken. Mensen die willen regeren, zijn ipso facto niet in staat om dat te doen. De auteur Douglas Adams formuleerde zijn bezwaren tegen politici nog vriendelijk. Ik ben hetzelfde idee ook in cynischer bewoordingen tegen gekomen.

Iedereen die publiekelijk ambieert om president van de VS te worden, moest onmiddellijk ontoerekeningsvatbaar worden verklaard.

En dan lijkt de situatie in Nederland, met zijn eeuwige coalitiekabinetten, minder extreem dan in de VS of het VK; waar éen partij doorgaans de macht krijgt na de verkiezingen. Dan nog deugt er heel wat niet aan de boven ons gestelden. Die maken opvallend basale fouten. En merkwaardig genoeg is juist dit simpele probleem een taboe. Want daar gaat het nu net nooit over in discussies over de politiek.

Neem het ministerschap van Ella Vogelaar [PvdA] in het vierde kabinet Balkenende — het vierde kabinet ook overigens onder leiding van deze man dat voortijdig sneuvelde.

Vogelaar was iemand met tot dan vooral bestuurlijke ervaring; in de vakbeweging onder meer.

Toch besloot de PvdA juist haar te vragen voor éen van de moeilijkste posten denkbaar. Die van minister voor Wonen, Wijken en Integratie.

Daarbij wegen verschillende zaken mee. Nederlandse kabinetten kennen namelijk twee soorten ministers. De ministers ván iets, en de ministers vóor iets. Die ván iets hebben een portefeuille, ofwel een eigen budget. De ministers vóor wat moeten het doen met al dat ze toegeschoven krijgen van een minister die wel over eigen geld kan beschikken.

Alleen vergat PvdA-fractieleider Wouter Bos bij de kabinetsformatie te regelen dat Ella Vogelaar een fatsoenlijk budget zou krijgen voor haar taken. En helaas wordt in de regeerakkoorden alles meteen voor jaren dichtgetimmerd.

Ella Vogelaar was bovendien de directe opvolgster van de toenmalige VVD-bewindsvrouwe Rita Verdonk. Die een nogal uitgesproken rechts populiste was — tot ook zij uiteindelijk een voetnoot werd in de parlementaire geschiedenis. Maar als minister voor Integratie had zij haar ideeën nooit verbloemd; of deze nu uitvoerbaar waren of niet.

Dus zouden er in de politiek en daarbuiten al meteen vergelijkingen worden getrokken tussen Verdonk en Vogelaar.

Was daar ook nog de populist Geert Wilders, en zijn kudde parlementair stemvee — opvallend genoeg de enige constante factor in de Nederlandse politiek van de afgelopen tien, twaalf jaar — wiens wereldbeeld nog eenvoudiger in elkaar steekt als dat van Verdonk. Alle problemen in Nederland zijn volgens hem ontstaan door mensen die hier niet horen, en daarom terug moeten naar hun eigen land.

Nogal wat van de mensen die Wilders weg wil hebben, wonen in de grote steden. In de achterstandbuurten die onder het bewind van Ella Vogelaar eufemistisch krachtwijken gingen heten.

Bovendien nemen de Nederlandse media al Wilder’s uitspraken nogal serieus — want zelfs wie er telkens badinerend commentaar op levert, schenkt aandacht aan al zijn holle gebral; en wordt aldus diens megafoon. Daardoor is er geen enkele serieuze discussie mogelijk over nogal wat onderwerpen. De populist heeft die gekaapt; want iedereen geeft hem deze ruimte.

Ofwel, zelfs al zou Ella Vogelaar tot het mirakel in staat zijn geweest om zonder eigen budget in éen keer veertig jaar aan nalatigheid in het overheidsbeleid te vereffenen, dan nog zou ze niets goeds hebben kunnen doen in de ogen van velen.

Een schaker die deze beginstelling overziet, zou nu misschien oordelen: Vogelaar was voor de PvdA dus niet meer een pion die makkelijk geofferd kon worden.

Maar waarschijnlijk is dat toch net te negatief gedacht. Bij alle handelen van mensen speelt ijdelheid en onbenul nu eenmaal een veel grotere rol dan kille berekening. Wouter Bos was oprecht blij te kunnen gaan regeren met de PvdA. Zelfs al moest hij daarvoor in de onderhandelingen met Balkenende’s CDA bijvoorbeeld toestaan dat er vervolgens nooit iets gezegd kon worden over de Nederlandse bijdrage in de illegale invasie van Irak.

Bos vergoelijkte een oorlogsmisdaad om zelf een goede positie te krijgen — dus principes verwachten van een zo machtsgeil iemand, laat staan ideeën, lijkt me werkelijk te veel gevraagd. In zijn autobiografie nietste het niets ook al zo opvallend.

En Ella Vogelaar was ooit oprecht vereerd om gevraagd te worden voor een ministerspost.

Twintig maanden knettergek biedt een kroniek van wat deze beslissing betekende voor haar en haar partner. Deze schreef dit dagboek vanuit een opvallend perspectief; door al wat Ella Vogelaar deed of dacht in de tweede persoon te zetten.

Vanochtend ben je, zoals elke week, om half acht present in de gymzaal van één van de departementen. Je slaapt elke donderdag, na het bewindsliedenoverleg in het Parkhotel in Den Haag, zodat je de volgende ochtend kan gymmen. Je maakt daar deel uit van de Rouvoet Angels, dat zijn de vijf vrouwelijke bewindslieden die vrijdagochtend met Rouvoet als enige man gymmen. De term is door jou bedacht en inmiddels gemeengoed geworden. [70]

Dit boek bevestigde voor mij twee vooroordelen over de Nederlandse politiek. Waarvan de eerste is dat de politieke partijen hier zelf opvallend weinig democratisch zijn. Vogelaar moest als minister na twintig maanden aftreden, omdat ze uit de gratie was gevallen bij de partijleiding. Niet omdat het parlement haar handelen had afgekeurd, of er andere echt wezenlijke problemen speelden.

Dat Vogelaar al voor haar aantreden in een onmogelijke positie was geplaatst, waarbij de partijleiding zelf nogal wat te verwijten viel, speelde daarbij dus geen enkele rol.

Nu, de supermarkt op de hoek heeft nog een beter personeelsbeleid.

Het tweede vooroordeel dat ik bevestigd zag, is dat de politiek en de politieke pers hier te innig verstrengeld zijn. Twintig maanden knettergek gaat opvallend vaak over het beeld dat er van Ella Vogelaar bestaat in de media. En omdat dit beeld op een gegeven moment niet meer zou hebben gedeugd, beschadigde zij de PvdA, en moest ze weg.

Nu blijft het waarschijnlijk een ijdele gedachte om van politici te verlangen dat ze leren van fouten uit het verleden — die problemen in de krachtwijken zijn ook door falend beleid ontstaan — of dat ze eens zouden durven aangeven geen oplossingen te hebben die dit jaar al zullen werken. Maar dat het politieke handwerk zo knullig verricht wordt als dit boek toont, slaat mij met een enorm cynisme.

Ella Vogelaar & Onno Bosma, Twintig maanden knettergek
Dagboek van een ministerschap

347 pagina’s
Balans, 2009

Hoed u voor mensen die iets zeker weten ~ Jan Terlouw

Peter Buwalda’s succesroman Bonita Avenue vond ik ongeloofwaardig, simpelweg omdat de hoofdpersoon niet kon bestaan. De schrijver heeft namelijk onverenigbare grootheden in dat personage verzameld. Want iemand die een briljant wiskundige is, houdt het domweg nog geen half uur vol in de typisch Nederlandse vergadering. Laat staan dat die carrière kan maken, karakterologisch gezien, in een politieke cultuur die aaneen hangt van polderen, en waarin zwart ook ineens wit kan zijn; als dat toevallig beter uitkomt.

Maar Jan Terlouw dan? Zo werd mij vervolgens aangewreven. Verzamelde Terlouw niet de oncombineerbare eigenschappen in zich om én natuurkundige te zijn, én schrijver, én politicus van D66 — de partij die zo vaak een regeringscoalitie aan een meerderheid hielp?

En ik geef toe dat Jan Terlouw voor mij een raadsel is. Al ken ik verder niemand die hem een briljant natuurkundige heeft genoemd — want dat iemand een exact wetenschappelijke achtergrond heeft, zegt daarmee niet per se iets over zijn capaciteiten op dat gebied.

Bovendien kan voor Terlouw heel goed hetzelfde hebben gegolden als voor een Ronald Plasterk; een Nederlands politicus die eveneens uit de harde wetenschap komt. Zij waren actief in een discipline die in gezamenlijkheid plaatsvindt, waarin al het onderzoek tegenwoordig uit een teamprestatie bestaat. Sociale vaardigheden om carrière in dat métier te maken, zijn vervolgens broodnodig.

Pure wiskunde daarentegen moet iemand in zijn eentje doen, zonder daarbij meer nodig te hebben dan potlood en papier.

Had Buwalda dus een natuurkundige gemaakt van zijn romanpersonage — wat volgens mij simpel had gekund, was zijn boek aanzienlijk beter geworden. De geloofwaardigheid van romans schuilt hem altijd in de details. Auteurs die gaan fantaseren, negeren me te makkelijk dat ze zich daarmee ook kunnen begeven op terreinen waar anderen wel expertise hebben.

Van Jan Terlouw las ik enkele jeugdboeken ooit, waarschijnlijk zonder te weten dat deze behoorlijk moralistisch zijn. Later publiceerde hij onder meer politieke herinneringen, en thrillers, die hij samen met zijn dochter schrijft.

Hoed u voor mensen die iets zeker weten las daarmee eigenlijk als een eerste kennismaking met deze auteur. En vooraf aan het lezen van deze bundel waren mijn vooroordelen groot. Politici zijn al de grootste misdadigers in het gebruik van het woord — ik geloof nooit iets van wat ze zeggen. Laat staan dat ik een politicus zou kunnen vertrouwen die zich ook heeft bewezen als auteur.

Toen viel een aardig deel van de inhoud me niet eens tegen. De portretjes die Terlouw bijvoorbeeld gaf van de politici waarmee hij samen had gewerkt, als Joop den Uyl en Dries van Agt, maakten duidelijk dat ook zijn politieke memoires interessant kunnen zijn om nog eens te lezen.

En Jan Terlouw heeft zich als politiek bestuurder met terreinen beziggehouden — zoals het milieu, en het verkeer — waarover hij ook nog weleens een inhoudelijke mededeling deed die nieuw voor mij was. Verder maakte hij nuttige observaties over leiderschap.

Dus, op het moment dat ook deze auteur zich uitspreekt over zaken die hij uit eigen ervaring kent, geloof ik hem, en boeit hij. Terlouw is daarin niet anders dan een Buwalda in zijn debuutroman.

Blijft alleen staan dat de schrijver niet kan verbloemen een domineeszoon te zijn, en dat deze bundel toch wel veel gelegenheidsteksten bevat die op preken lijken. Alleen rust op preken wel nog de zekerheid dat er een God zou zijn, die bedoelingen heeft. Jan Terlouw komt doorgaans niet verder dan het signaleren van problemen in algemene zin, en het geven van hints naar mogelijke oplossingen.

Terwijl hij toch jarenlang in het kamp heeft gewerkt die oplossingen mogelijk moet maken. Zelfs al noemt ook hij politiek de kunst van het haalbare.

Het boek is daarom te dik.

Jan Terlouw, Hoed u voor mensen die iets zeker weten
376 pagina’s
Lemniscaat, 2011

Pluche ~ Femke Halsema

Ruim twaalf jaar in de politiek, en wat heeft het opgeleverd? Dat is de vraag waar Femke Halsema mee worstelt als ze de Tweede Kamer verlaten heeft, en de fractie die zij achterliet vrij snel vervalt in onderling geruzie. Is al haar werk om GroenLinks te positioneren als een serieus te nemen politieke partij dan voor niets geweest?

Femke Halsema ging eind 2010 weg, na Kamerlid te zijn geworden in 1998.

Toch lijkt pas in het voorjaar van 2017 haar laatste nog lopende inspanning om tot structurele veranderingen te komen in Nederland te zijn vastgelopen. Want dan stokt het, waar het Halsema in 2004 nog lukte om de grondwetswijziging voor de eerste keer door de Tweede Kamer te loodsen die beoogde om het voor rechters mogelijk te maken wetten aan de constitutie te toetsen.

Beschaafde landen hebben gewoon een Constitutioneel Hof. In Nederland mogen de politici net doen alsof zij juridisch alwetend zijn. Met als gevolg bijvoorbeeld dat al decennia toch vrij basale grondrechten hier stelselmatig zijn ingeperkt door de grote partijen VVD, CDA, en PvdA. Zo is onze privacy om zeep gebracht door duizend kleine sneetjes.

Over grondwetswijzigingen moet alleen het hele parlement twee keer beslissen, met tweederde meerderheid. Daar zit dan doorgaans een verkiezing tussen, waarop een heel nieuwe zetelverdeling volgt. En die tweede keer was Halsema er zelf niet meer bij.

In Pluche krijgt deze constitutionele kwestie amper aandacht. Al merkt Femke Halsema er nog wel over op verder te zijn opgeschoten met deze zaak dan wie ook in het parlement sinds 1848 lukte.

En ik vind het dan jammer dat zulke wat abstractere onderwerpen buiten dit boek zijn gebleven.

Al is het tegelijk te billijken dat een politicus die heel haar actieve leven nooit enige regeringsmacht heeft gehad, liever niet al te rechtstreeks in gaat op wat een geploeter het is om telkens weer in de oppositie terecht te komen; en daarmee eigenlijk nauwelijks nooit eens ergens invloed op te kunnen uitoefenen.

Femke Halsema [1966] bewaart haar abstracte politieke ideeën in het boek enkel voor de momenten als getoond wordt waar zij meende dat het met GroenLinks naartoe moest. Als ze toch nog even partijpropaganda bedrijft.

Pluche is daarmee als boek nog het meest gewoon de kroniek: Mijn jaren in de Tweede Kamer 1998-2010; en wat er al die tijd zoal passeerde. Van hoe zij als onbevangen Kamerlid, die nog veel te openhartig was in haar eerste interviews, uitgroeide tot een bekende Nederlander, die in haar positie als fractieleider soms eerder als analyticus bezig was dan een puur partijpoliticus. Was er pas op het laatst een mogelijkheid om mee een kabinet te gaan vormen. Mark Rutte (VVD) en het CDA regeerden echter liever met de rechts-extremist Geert Wilders en diens stemvee.

Kreeg ze in die jaren een tweeling.

Meende menig dappere Vaderlander ondertussen ook nog haar met de dood te moeten bedreigen.

En de Nederlandse politiek veranderde in de jaren 1998-2010. Zelfs al werd pas met de kamerverkiezingen van 2017 goed zichtbaar waar deze veranderingen toe zouden leiden. Want de kiezers raakten op drift. En zelfs de drie grote partijen — CDA, PvdA, en VVD — die altijd in de regering zaten, hebben inmiddels tezamen al geen meerderheid meer in het parlement.

Daarentegen zijn enkele kleintjes, waaronder GroenLinks, plots uitgegroeid tot partijen die ineens de dubbele cijfers haalden aan zetelaantallen.

En zo bezien beschrijft Femke Halsema misschien wel het einde van het tijdperk — van een laatste periode van vanzelfsprekende stabiliteit. Van toen de traditionele regeringspartijen onbeschoft machtspolitiek konden voeren als ze in het kabinet zaten; en dan gauw eens om daar enkel zelf beter van te worden.

Halsema stipt enkele ontwikkelingen wel aan, terloops, in haar kroniek. Ze zag de LPF opkomen en ondergaan, en Geert Wilders de onbeschofte one-liner introduceren in het parlementaire discours. Ze maakte mee hoe de toch al zo matige kwaliteit van de parlementaire pers nog verder verslechterde omdat de specialisten wegbezuinigd werden bij de kranten.

Pluche laat bovenal voortreffelijk zien welk enorm belang beeldvorming heeft in de Nederlandse politiek. Femke Halsema is eerlijk over enkele verbale uitglijers die zij zelf maakte, en die vervolgens nogal opgeblazen werden. En er speelde de affaire Duyvendak, die er toe leidde dat dit Kamerlid van GroenLinks weg moest, omdat zijn imago van radicaal activist de partij schade toebracht.

De ietwat ingevoerde lezer weet alleen: sindsdien is het enkel erger geworden. Politiek gaat straks helemaal nergens meer over; behalve dat mensen daarmee een platform krijgen om zichzelf te profileren als sterke man of vrouw — exploitanten worden van alle eeuwige ontevredenheid — wat ze dus totaal ongeschikt maakt voor een democratie waarin geen enkele partij ooit een absolute meerderheid haalt; en het dus altijd aankomt op de edele kunst van het compromissen sluiten.

En helaas is Pluche ook zo eerlijk geschreven, dat ik me afvraag waarom iemand zichzelf nog een positie in de Nederlandse politiek aan zou willen doen — behalve als rite de passage van hoogstens een jaar of tien, onderweg naar een leuk baantje ergens in de publieke sector. Als er altijd over alles overlegd moet worden. Als ontevredenheid altijd weer oplaait, na tijden als een veenbrand ondergronds te hebben gesudderd. Als het zo zelden lijkt te gaan over zoiets als een algemeen belang.

Femke Halsema, Pluche
Politieke memoires

392 pagina’s
Ambo | Anthos, 2017