Nederland Europa ~ Buitenlandse Zaken

Nu geen der politieke partijen enige visie toont op de wereld buiten Nederland, leek het me goed eens te kijken wat ons Europese beleid dan eigenlijk voorstelt. Dat kunt u overigens ook, dit boekje is gratis te verkrijgen bij het ministerie van Buitenlandse Zaken. Het ziet er werkelijk prachtig uit. De tekst is gezet uit de Trinité, en het binnenwerk werd gedrukt op 115 grams Munken Print cream 15. De omslag is van 220 grams Conqueror texture vergé.

Welk een rijkdom. Waar doen ze het toch van.

Al past wel enige waarschuwing hier. Dit is duidelijk een ‘ja maar’-boekje. Goedgekeurd door politici die niet gewend zijn inhoudelijk gecorrigeerd te worden, maar nu toch hun toon hebben moeten matigen. De uitslag van het referendum over de Europese Grondwet heeft het kabinet Balkenende diep geraakt. De klap van het massale nee is het nog niet te boven.

Ineens volstaat het niet meer om een onverschillig publiek alleen maar te zeggen dat die Europese Unie wel degelijk nut heeft. Plots zijn daar duidelijke argumenten voor nodig. En dat blijkt moeilijk te zijn.

Zelfs dit boekje bestaat nog altijd veel meer uit meningen dan uit feiten. Laat staan dat het relevante harde informatie geeft over de beperkingen van de EU.

Er prijken ook veelbetekenende zinnetjes in, voor de goede lezer:

De EU wordt steeds meer een gewone democratie. [32]

Waaruit ik concludeer: als het een gewone democratie wordt, is het dat nog niet. Wat ook wel klopt. Het is dat ik weet hoe het Europees Parlement werkt, en welke beperke bevoegdheden het heeft, want uit dit boekje was me dat niet duidelijk geworden.

In een gewone democratie controleren bovendien de nieuwsmedia wat er gebeurt. Maar die controle is er niet, en zal nooit komen. Er zijn geen pan-Europese media die een breed publiek informeren. Om slechts éen probleem te noemen.

Van de diplomaten bij Buitenlandse Zaken mag misschien ook niet verwacht worden dat politiek gevoelige zaken in een boekje als dit aan de orde komen. De noodzaak voor een Europees leger bijvoorbeeld? Dat zo’n idee zelfs maar bestaat, komt de lezer van dit werkje niet te weten. Al is het minister Bot toch gelukt, zij het wat verborgen, zijn kritiek te verwoorden op het besluit de Amerikanen te steunen bij hun illegale inval in Irak.

Ook op het gebied van buitenlands beleid moet daarom in de EU meer bij meerderheid worden besloten. [64]

Curieus dus vooral, dit ding.

Nederland Europa
Van droom naar daad

90 pagina’s
Ministerie van Buitenlandse Zaken © 2006

Peace Kills ~ P.J. O'Rourke

O’Rourke vertrok op een gegeven moment bij Rolling Stone. En ik weet niet of dit de reden is dat Peace Kills mij minder boeide dan Give War A Chance. Het kan goed zijn dat z’n nieuwe opdrachtgevers hem niet zo veel ruimte meer geven om te geiten. O’Rourke wordt bovendien ouder. Maar, ook de wereld veranderde. Alle optimisme dat er was na het einde van de Koude Oorlog verdween abrupt na 9/11. En dit boek gaat nu net over de periode erna.

Enfin, O’Rourke keek ook in Israël en Egypte in de maanden daarop. En zijn verslagen over die reizen in die landen zijn alleen al bijzonder omdat hoe vrijwel overal de enige buitenlander was. Geen toerist die zich er nog waagde.

Maar een groot deel van dit boek is gewijd aan de Tweede Golfoorlog. De oorlog die onder valse voorwendselen werd opgezet om het gevaar Saddam Hussein definitief uit te schakelen. Alleen werd het laatste stuk in Peace Kills geschreven in juli 2003, en dat is toch wat te vroeg vanuit 2007 bekeken. Niet te lang daarvoor nog, kondigde George W. Bush nog het ‘Mission Accomplished’ af, tijdens een propagandastunt op het vliegdekschip de USS Abraham Lincoln. Vier jaar later weten wij beter.

O’Rourke is na te geven dat hij zeker zijn twijfels had over de rechtvaardiging van die oorlog:

[…] claims that Saddam Hussein was cooperating with Osama bin Laden smelled of something found on the Internet late at night along with the proof that the Jews and the Rotary Club control the World Bank. [139]

Alleen maakte de kennis van dit moment, over de corruptie en incompetentie van de regering Bush, of over de burgeroorlog in Irak, dat ik dit boek niet onbevangen kon lezen. O’Rourke’s relativeringen gaan over de verkeerde onderwerpen. Weliswaar is O’Rourke’s eeuwige bewondering voor Jan Soldaat, die ook maar gestuurd wordt, heel goed na te voelen. Maar in Irak zitten niet alleen die gewone soldaten, de meeste Amerikanen daar werken als huursoldaten voor private onderneminkjes.

Ik kon die kennis niet uitschakelen, en dat kleurde mijn waardering.

P.J. O’Rourke, Peace Kills
197 pagina’s
Grove Press, 2004

Flat Earth News ~ Nick Davies

Boeklogjes worden nooit inhoudelijk nog eens aangepast achteraf. Hoogstens haal ik er nog weleens een spel- of typfout uit, of plaats ik een link. Maar dat is het wel.

Toch heb ik éen keer in de verleiding gestaan om een boeklogje geheel om te gooien. Mijn korte besprekinkje van Het zijn net mensen geeft namelijk misschien wat te goed mijn eigen ideeën over het boek weer. Ik waardeerde zeker hoe Joris Luyendijk’s zijn persoonlijke indrukken formuleerde over waarin de media tekortschiet. Punt is alleen dat hij me daar weinig nieuws mee vertelde.

Maar toen werd juist dat besprekinkje een tijdlang het meest bezochte boeklogje — ongetwijfeld omdat de auteur ineens een prestigieus TV-programma ging presenteren. En daarom heb ik in de verleiding gestaan die bezoekers toch wat beter te gaan voorlichten over de media.

Nu ik het zo formuleer, klinkt het ineens dom en lui dat ik dit toen heb nagelaten. Alleen heb ik het verhaal al zo vaak gedaan.

Nick Davies’ Flat Earth News riep dezelfde respons bij mij op als Joris Luyendijk’s Het zijn net mensen. Wat hij beschrijft, is inhoudelijk weliswaar nieuw, en soms heel interessant, maar beschrijft geen trends in de media waar ik van op kijk. Bovendien heb ik daar, ook in geschifte, al verdergaande conclusies uit getrokken als Davies doet in het boek.

Zo klaagt deze Guardian-journalist dat de meeste kranten ertoe over zijn gegaan te zeer te vertrouwen op wat de Press Association (PA) aanlevert aan nieuws. PA is zonder meer te vergelijken met een persbureau als ANP, omdat beide een semi-monopolie bezitten. Daardoor wegen de nadelen van deze nieuwsvoorzieningen nogal zwaar. Zo hebben ze wel erg weinig oog voor regionale en lokale ontwikkelingen, en zijn ze relatief gesproken sterk onderbemand.

Maar dit probleem had ik al verder doorgedacht dan Davies doet. Als kranten allemaal vooral dezelfde PA-berichten brengen, onderscheiden ze zich nauwelijks meer van elkaar. Dat komt inmiddels door mechanismen als Google News onbarmhartig aan het licht. En kranten die niets extra’s brengen, concurreren daardoor ineens met de gratis nieuwsmedia, die ook niets meer dan dezelfde PA-berichten brengen. Kan zo’n betaalde krant op den duur niet meer uit. Dit maakt het inhoudelijk gezien misschien amper een probleem dat zo’n titel verdwijnt. Toch is dit alleen cultureel al een verarming, omdat er publicatiemogelijkheden en infrastructuren verdwijnen.

Voor mij is het al ruim tien jaar de grote onbeantwoorde vraag over de media: waarom zijn uitgevers ineens allemaal zo dor winstmaximalisatie gaan nastreven? Nu staan die bedrijven daar niet alleen in. Maar toch. Mediabedrijven konden altijd comfortabele winstmarges maken. Niets van dat gesappel als uit de supermarktbranche, waar 3% marge op jaarbasis al succesvol heet.

Flat Earth News begint met te beschrijven hoe het werk van de Britse journalisten is veranderd, doordat redacties steeds meer worden afgeknepen. De deur komen de journalisten niet meer uit, verslaggeving is bureauwerk geworden. Meestal ontbreekt de tijd om verhalen goed te checken, omdat ze dagelijks zo veel meer productie moeten leveren dan dertig, veertig jaar geleden.

Dus, zo is Davies’ impliciete conclusie, treedt daardoor ook als mechanisme op dat journalisten niet meer op hun eigen waarneming kunnen vertrouwen. Evenmin kunnen ze eigen contacten aanspreken, want een persoonlijk netwerk hebben ze doorgaans nauwelijks kunnen ontwikkelen vanachter hun bureau. Daardoor kijken redacties vooral naar elkaar. Iets is mogelijk nieuws als anderen het brengen, iets is absoluut nieuws als PA erover bericht.

Dit maakt de massamedia nogal gevoelig voor spin. Als een ontwikkeling door iets of iemand gehypet wordt, zijn er nauwelijks beschermingsmechanismen om zulke desinformatie te smoren. Als iedereen zulk nieuws belangrijk vindt, dan wordt dat nieuws belangrijk.

Davies gaat vrij diep in op de medeplichtigheid van de Britse media aan de leugen dat Irak een buitengemeen gevaarlijk land was; zo gevaarlijk dat een invasie gerechtvaardigd mocht heten. Dat is begrijpelijk, maar vond ik niet zo heel interessant meer. In 2008. De onderliggende principes blootleggen, is in deze zaak informatiever dan alle oude details uitserveren.

Boeiender vond ik een paar typisch Britse zaken. Zo is de concurrentie tussen dagbladen er veel feller dan hier, omdat die het van de losse verkoop moeten hebben. Daardoor ook kon een fenomeen als The Daily Mail ontstaan; een krant met een zeldzaam schofterige eigen agenda. Nieuws over niet-blanke Britten wordt principieel niet gebracht, behalve als het de ergste vooroordelen bevestigd, en de wet is maar een lastig opstakel als het erom gaat informatie over iemand te verzamelen.

In Flat Earth News is een uiterst informatief hoofdstukje gewijd aan de ‘zwarte kunsten’ die de Britse journalisten bezigen om gegevens in te winnen; ook bij instanties die deze eigenlijk niet mogen afstaan.

Maar uiteindelijk vond ik het éen-na-laatste hoofdstuk het interessantst. Dit komt omdat het een goed tegenargument oplevert op wat mij altijd ergerde aan de kritiek vanuit het vak op Luyendijk’s Het zijn net mensen.

Journalisten hebben er enorme moeite mee commentaar op hun werk te krijgen. Dit, terwijl ze zelf zogenaamd wel altijd kritisch hun werk doen. En wat door Nederlandse journalisten in reactie telkens tegen Joris Luyendijk wordt ingebracht, is dat hij de persoonlijke problemen in zijn correspondentschap niet had mogen veralgemeniseren. Er zijn wel degelijk journalisten die, ondanks alle problemen, beter over de ontwikkelingen in het Midden-Oosten berichten dan Luyendijk deed, zo klinkt het dan.

Dit achtte ik eerder altijd wat onnozel. Door die kritiek op Luyendijk persoonlijk te richten, worden structurele problemen voor de journalistiek mij te zeer ontkend.

Maar dan laat Davies zien wat er gebeurt als een redelijk onervaren correspondent — zoals Luyendijk — plots werk krijgt in een omgeving waar hij niemand kent, en feitelijk geen netwerk heeft. Zoals Luyendijk.

In Flat Earth News gaat het dan om de parlementaire verslaggeving van The Observer. Die krant verloor door onhandig personeelsbeleid twee ervaren krachten, en kreeg daar éen jongmaatje voor terug, dat op een ander terrein gespecialiseerd was. Deze onervaren politiek journalist werd door cynische parlementariërs allerhande gebakken lucht voorgetoverd, die desondanks toch steeds de krant haalde.

Eén man, of vrouw, kan dus wel degelijk verschil maken, als het om de kwaliteit gaat van de journalistiek.

En toch toont bovenstaand voorbeeld voor mij ook het nut aan van een net wat meer abstracte benadering dan Davies biedt. Het is zinvoller om naar trends te kijken in hoe de media zich ontwikkelen, dan om alles vanuit voorbeelden te gaan bewijzen. Omdat de uitzonderingen op een algemeen falen altijd wel te vinden zijn — maar uiteindelijk niet zo veel zeggen.

Nick Davies, Flat Earth News
An Award-winning Reporter Exposes
Falsehood, Distortion and Propaganda
in the Global Media

408 pagina’s
Chatto & Windus, 2008

Confessions of an Economic Hit Man ~ John Perkins

Een favoriet boek van nogal wat complotdenkers en samenzweringsdevoten is dit. Opvallend genoeg. Merkwaardig genoeg. Want het was een heel ander boek dan ik daardoor verwacht had. Amerikaanser vooral. Op een mij niet heel aangename manier. Genant Amerikaans, zoals een TV-dominee die, na op overspel met een prostituee betrapt te zijn, dan publiekelijk boete doet door in beeld te gaan huilen, en tussen diens snikken door de hemelse Vader om vergeving te smeken.

Afgezien van wat John Perkins beschrijft, dat me wel degelijk interesseerde, komt hij namelijk zelf ook vrij nadrukkelijk voor in het boek. Als spijtoptant. En daardoor als moraalprediker. En als iemand die na 9/11 eerst nog een reisje naar Ground Zero nodig had om te beseffen dat ook hij een soldaat was geweest in het dienst van het verkeerde leger. Daarom moest en zou dit boek er uiteindelijk komen, na dertig jaar twijfel.

Zadel in een roman een hoofdpersoon met zo’n catharsis op, en het verhaal wordt er meteen ongeloofwaardig van. Want: drakerig sentimenteel.

Hadden al die vreselijk laakbare praktijken van ‘corporate America’ Perkins wel eerst financieel onafhankelijk gemaakt, bovendien.

Wat John Perkins te vertellen had, was niet geheel nieuw voor mij. Ik ken mijn Chomsky. Ik ken mijn Galeano. En zo nog wel wat meer critici van de VS, de Wereldbank, en noem de vergelijkbare instellingen maar op.

Kort samengevat komt al hun kritiek erop neer dat alle steun die zwakkere economieën krijgen hoogstens ten goede komt van een kleine elite in zo’n land. Daarnaast profiteren natuurlijk de landen die hulp geven, of royaal leningen verstrekken volop. Die krijgen alle lucratieve opdrachten om te bouwen, of materialen te leveren. Die krijgen de rechten om grondstoffen te winnen, en te exploiteren.

De VS, of ‘corporate America’, is hier ook niet uniek in. Al was bijvoorbeeld de illegale inval in Irak, en de propaganda om deze oorlog te verkopen, wel een zeldzaam brutaal staaltje om te garanderen dat Amerikaanse bedrijven lucratieve orders binnenkregen. Maar China opereert momenteel in Afrika niet anders. Dat geeft er steun, en bepaalt dan wel de voorwaarden waaronder die afbetaald wordt.

Uniek aan de Confessions of an Economic Hitman is dat er eens éen van de werkvoorbereiders aan het woord komt. Perkins had telkens als taak een land te bestuderen, en te onderscheiden waar er snel een redelijk grote vooruitgang was te boeken, met Amerikaanse steun en materieel.

Hij gaf mij alleen veel te weinig echt tekende details van zijn werk. Het blijft bij verslagen van ontmoetingen die hij had.

Nu kan dit misschien niet anders. Wellicht was John Perkins niets anders dan een schrijftafelmoordenaar, en deed hij weinig meer dan rapporten met statistiekjes op te stellen voor de opdrachtgevers thuis. Wat dan niet vreselijk boeiend om te lezen zou zijn geweest.

Tegelijk maakt die tendens om in algemeenheden te blijven steken het niet raar dat dit boek na publicatie in de media is aangevallen op zijn waarachtigheid.

Al heeft Perkins ook weer gelijk dat alle massamedia in de VS in handen zijn van conglomeraten die ook flink profiteren van de eeuwige economische expansie van de VS. Daar werken niet per se neutrale journalisten.

Geloof ik John Perkins daarmee? O, jawel. Maar doordat dit boek zo veel recente geschiedenis geeft, en de VS volgens hem alleen die macht heeft omdat de dollar overal reservemunt is, werd het interessanter om te bedenken wat de recente bankencrisis voor betekenis heeft voor de Amerikaanse drang naar ‘empire’…

John Perkins, Confessions of an Economic Hit Man
303 pagina’s
Plume 2006, oorspronkelijk 2004

Nederlands / Indonesisch Conflict ~ J.A.A. van Doorn & W.J. Hendrix

Als ik een boek lees, is dat meestal zonder vooropgezet doel. Dat voorkomt zo makkelijk teleurstellingen. Maar soms is er wel een reden. Ik zou me nooit voor een boek over het grote koloniale conflict tussen 1945 en 1950 geïnteresseerd hebben, als Nederland nu niet weer in oorlog was.

Thans opereert mijn vaderland als bezettingsmacht voor een dubieus regime in een regio van Afghanistan. Een paar jaar terug bood het actief steun aan de illegale inval in een ander autonoom land, en legitimeerde het zo de Amerikaanse drang naar imperium. En telkens werden deze opvallende keuzes, want wie wil er nu burger zijn van een oorlogsvoerende natie, met leugens en propaganda verkocht.

Zo wordt bijvoorbeeld met zorg zelfs de suggestie al vermeden dat Nederland nu in oorlog zou zijn…

Want, er valt natuurlijk te twisten over de cijfers die de Nederlandse overheid opgeeft over het aantal slachtoffers, onder de burgerbevolking en onder tegenstanders, veroorzaakt door onze aanwezigheid in Afghanistan. Zijn dat er tientallen? Honderden? Feit blijft dat slechts éen Nederlandse militair in éen geval vervolgd is voor dood door schuld.

Ik ging er vanuit dat een socioloog als Van Doorn ook op dit soort mechanismen gespitst zou zijn. En het interesseerde me of hij daarbij universele onderliggende sjablonen had gevonden. Want, dat de waarheid het eerste slachtoffer in elke oorlog is, weet ik wel. Oorlogshandelingen in Indonesië heetten ook vergoelijkend politionele acties. En dat Nederlandse soldaten veel hebben mispeuterd in Indonesië, was me eveneens bekend.

Beide auteurs, Van Doorn en Hendrix, deden indertijd dienst in Indonesië. Met de Nederlandse bezetting erbij gerekend, hebben ze, maar zij niet alleen, daardoor tien jaar onder zeer uitzonderlijke omstandigheden geleefd.

Een vraag die mij daarom altijd geïntrigeerd heeft, is: waarom weigerden dan zo weinig Nederlanders, die toch net een bezetting door de Nazi’s hadden overleefd, om als bezetter dienst te gaan doen in Indonesië? Zelfs al hebben er dan duizenden geweigerd, en werd dit gegeven door de autoriteiten zo veel mogelijk gecensureerd, om escalatie te voorkomen.

Nu is dit een vraag die slechts gesteld kan worden vanuit de veilige afstand die de geschiedenis biedt. Ik kan alleen al een kolonie namelijk niet als eigen voelen. Mede omdat de geschiedenis mij heeft geleerd dat Indonesië eeuwenlang allereerst wingewest was, en er pas na de Franse tijd tot bestuurlijke kolonisering van het hele gebied werd overgegaan.

De auteurs legden mij redelijk uit hoe de Nederlandse propaganda in deze werkte. De ‘politionele acties’ waren bedoeld om Ons Indië te bevrijden van de opstandelingen. En de bevolking zou daar de Nederlanders ook zeer dankbaar voor zijn.

Wel merkwaardig dan dat diezelfde bevolking, nadat Nederland de zelfstandigheid van Indonesië had erkend, daar dan weer zo blij mee was.

Opvallend vond ik ook dat er pas nieuws over de excessen in Indonesië naar buiten kwam in 1969. De auteurs leggen daarbij niet de link met wat er op dat moment over Vietnam publiek bekend raakte, maar die zal er zijn geweest.

Interessant is daarom ook de geconditioneerde reflex van de Nederlandse politiek, en de verantwoordelijke officieren, die in eerste instantie verontwaardigd alles ontkenden. Alleen al omdat op het moment met dezelfde bewoordingen en ontkenningen nieuws over Afghanistan, of Irak, gebagatelliseerd wordt. Waarbij de media zich ook de afgelopen jaren opnieuw zonder meer kritiekloos leenden voor alle propaganda.

Maar enfin, zo las ik dit boek dus; om antwoord op een tal vragen te krijgen.

Goed aan dit herziene boek — de oorspronkelijke studie heette Ontsporing van geweld — is dat Van Doorn en Hendrix parallellen trekken met de dekolonialisatie elders. Omdat de excessen in Portugese en Franse kolonies nog aanzienlijk veel groter waren geweest. Maar tegelijk geldt daarbij ook dat die landen zich deze gebieden op een andere manier eigen hadden gemaakt, en bestuurd.

Voor de rest is dit boek een opvallend geslaagde poging om sociologie te vermengen met historische feiten. Algemene uitspraken over bestuur, en het geweldsmonopolie van bestuur, en leger, worden telkens verduidelijkt met details over wat er in Indonesië gebeurde.

Daarbij is een conclusie dat, gezien alle omstandigheden — het geringe aantal troepen, de aard van de tegenstand — buitensporig geweld niet te voorkomen was. En ik vind het huiveringwekkend hoe makkelijk zo’n fuik blijkbaar kan ontstaan.

J.A.A. van Doorn & W.J. Hendrix,
Het Nederlands/Indonesisch Conflict
Ontsporing van geweld

363 pagina’s
De Bataafsche Leeuw, 2e aangevulde druk, 1983

Rapport Commissie Van Onderzoek Besluitvorming Irak ~ W.J.M. Davids (vz.)

Eind 2001 viel de VS het land Afghanistan binnen, onder meer om het zittende Taliban-bewind te kunnen vervangen door een centrale marionettenregering. De plannen hiertoe waren al opgesteld voor 9/11, maar die rampdag excuseerde de VS in de ogen van de rest van de wereld volkomen voor wat een illegale inval is.

De inval in Afghanistan is volgens mij een even grote oorlogsmisdaad als de invasie van Irak, maar het verschil tussen beide oorlogen is dat de eerste gedekt wordt door VN-resolutie 1368. Die erkent dat de vliegtuigkapingen op 9/11, en wat daarop volgde, een vijandige aanval waren, wat de VS het recht gaf zich te verdedigen tegen de agressor. Alleen stamde geen van de terroristen uit Afghanistan, wat het wel vreemd maakt juist dat land te laten boeten. En zeg nu niet dat het deze mensen toch gastvrij onderdak heeft geboden, en dit niet mocht; Duitsland bood de voornaamste daders niet alleen gastvrij onderdak, dat land gaf ze nog een opleiding ook.

De al ruim voor 9/11 spelende reden om Afghanistan binnen te vallen, was omdat het weigerde enkele mensen, waaronder ene Osama Bin Laden, zo maar uit te leveren om wat verdachtmakingen. Zij hadden in dat land niets misdaan dat om vervolging vroeg. Maar de Amerikaanse regering bleef aandringen, en stelde op 10 september 2001 [!] een ultimatum.

Alleen was de VS jaren daarvoor onder Clinton ook al stevig bezig geweest meer stabiliteit in Afghanistan te krijgen, wat toen juist gebeurde door de Taliban te steunen. Doel van die exercitie? In naam was het onderdeel van de ‘War on drugs’. Maar de aanwezigheid van bepaalde mensen en bedrijven in het land wijst op inspanningen om probleemloos olie met pijnlijnen uit Tadzjikistan te kunnen doorvoeren, via vervolgens Pakistan; een land dat wel al netjes meespeelde.

Controle over olie, en een gegarandeerde olietoevoer, helpt de VS enorm als economische macht; zeker nu het zo veel minder producten uitvoert als voorheen. Olie wordt verhandeld in dollars. En nu ook nieuwe economische grootmachten zoals China olie moeten importeren, maakt het uit om daar iets over te zeggen te hebben.

Olie was daarmee ook de reden om Irak binnen te vallen. En verder heeft het land strategisch gezien een centrale positie in het Midden-Oosten. Het loont om in zo’n land sterke militaire bases te hebben. Of dat vervolgens nu democratisch is, of niet.

Alleen kon de Amerikaanse regering deze wens tot nog verdere uitbreiding van zijn invloedssfeer natuurlijk niet openlijk uitspreken. Dus werden er excuses bedacht die een oorlog tegen Irak konden rechtvaardigen. Pogingen zijn bijvoorbeeld gedaan om ook de toenmalige Iraakse dictator Saddam Hussein aan 9/11 te linken — een verband dat er niet is, maar waarvan een groot deel van het Amerikaanse publiek tot op vandaag zeker weet dat het bestaat. Maar uiteindelijk werd de invasie gemotiveerd met als reden dat Irak massavernietigingswapens had, deze verborgen hield voor VN-inspecteurs, en dus het onderzoek saboteerde, terwijl Londen daarmee wel degelijk binnen 45 minuten biochemisch getroffen kon worden.

De Verenigde Naties was niet onder de indruk van deze leugens. Dus kreeg de VS geen volkenrechtelijk mandaat om Irak te bezetten. Te stellen is zelfs dat alle vergeefse pogingen om de VN over te halen om een mandaat te geven, slechts maakten dat de invasie illegaal werd. Wat de regering Bush overigens niet veel uitmaakte, en de standaardbondgenoten evenmin.

Tot deze bondgenoten hoort Nederland. En daardoor hielp het land mee aan het plotten van een illegale oorlog tegen een autonoom land. Waarmee het een oorlogsmisdaad beging, naar de letter van het Volkenrecht.

Speculatie was er direct al of Nederland niet meer had gedaan dan enkel plotten, en morele steun bieden. Maar voor het ernst van het feit maakt dit niet uit. Een klein land als Nederland, dat bovendien de juridische hoofdstad van de wereld wil zijn, kan het zich slecht verantwoorden het Volkenrecht zo makkelijk te negeren. Zelfs al doet dit recht er betrekkelijk weinig toe, wanneer een partij als de VS zich er niets aan gelegen laat.

Bovendien was het merkwaardig dat Nederland zo tegen de opinie inging van zo veel landen waarmee het een Europese Unie vormt.

Daarbij zij opgemerkt dat mijnheer Balkenende, de minister-president onder wie de Irak-kwestie plaatsvond, in de rechtsgeleerdheid is gepromoveerd; wat het gemak waarmee hij regels negeerde een cynisch tintje geeft.

De meeste leugens over de invasie van Irak kwamen al snel uit. Bovendien bleek het Amerikaanse leger zich niet te hebben voorbereid op wat bezetting van het land vereiste. In zowel de VS als Groot-Brittannië moesten politici al snel hun woorden inslikken.


click image to play. 2.46 minutes

Zo niet in Nederland. Waar premier Jan Peter Balkenende halsstarrig bleef vasthouden aan opinies uit 2002, die overal elders al als leugen waren ontmaskerd.

En erger nog. Toen bij een nieuw kabinet Balkenende een andere coalitie noodzakelijk werd, bleken ook deze partijen bereid voortaan de invasie van Irak te negeren; een stilzwijgen dat wel heel makkelijk gekocht werd in ruil voor wat regeringsmacht.

Maar de kritiek op Balkenende bleef. Waarop hij uiteindelijk toch begin 2009 een Commissie onder leiding van een hoge jurist — Willibrord Davids, oud-president van de Hoge Raad — verzocht om éen en ander uit te zoeken.

Dit leek toen vooral een vlucht naar voren. Door instelling van de ‘Commissie Davids’, voorkwam Balkenende dat er een parlementaire enquête tegen hem werd ingesteld, met alle TV-uitzendingen, en media-aandacht annex.

Alleen is er nu een grote kans dat er alsnog zo’n enquête zal volgen. [1]

Davids presenteerde op 12 januari 2010 de bevindingen, geformuleerd in dit rapport, om daarbij tot de volkomen overbodige conclusie te komen dat de inval in Irak tegen het Volkenrecht inging. Toch was dit voor de Nederlandse media nieuws.

Verder bleek de beslissing om de VS blind in alles te volgen tussendoor in drie kwartier genomen te zijn door wat mensen op het ministerie van Buitenlandse Zaken. Al is nog opmerkelijker dat dit haastbesluit vervolgens immuun bleef voor alle bewaren en tegenwerpingen, zoals van de eigen juristen.

Ook werd Balkenende door de Commissie Davids gebrek aan leiding verweten, en stelt deze dat de Tweede Kamer verkeerd is geïnformeerd.

Enfin. Ik nam dit rapport door om nog wat details helderder te krijgen. En daarbij viel me dat de tekst behoorlijk wat kritischer is dan de 49 conclusies, die al zo uitgebreid publiciteit kregen. Allerlei ‘checks and balances’ kunnen genegeerd worden, als dit zo uitkomt.

Maar, er speelt meer. Het Nederlandse leger is nog altijd in Afghanistan actief, als bezettingsmacht voor een dubieus bewind, in iets dat eufemistisch een ‘opbouwmissie’ heet. Ik sprak op boeklog eerder mijn verbazing uit over de propaganda waarmee ons dat verkocht wordt.

Het voornaamste dat het Rapport Commissie van Onderzoek Besluitvorming Irak bij me oproept, is grote huiver over het gemak waarmee dus in Nederland beslissingen genomen worden die de levens van honderdduizenden kunnen verwoesten. En hoe de beslissingnemers vervolgens blijven ontkennen lichtvaardig gehandeld te hebben. Hoe zij daar mee weg blijven komen. En hoe zelfs een schijnbaar objectief rapport, van een commissie waarin voor de verandering eens geen politici zaten, toch blind is. Het negeert de brede context van de Amerikaanse drang tot imperium; en dus negeert het rapport dat het toevallig afhangt van welke president daar zit welk buitenlands beleid Nederland nu weer ontwikkelt.

Terwijl ons land toch al sinds eind 2001 in oorlog is, samen met de Amerikanen, in die regio. Zoals slechts zijdelings aan de orde komt bij de Commissie Davids, in éen enkel hoofdstukje.

** update: er volgde enige tijd later nog een kabinetsreactie op dit rapport. Daarna is er nimmer meer iets van vernomen.

W.J.M. Davids (vz.)
Rapport Commissie van Onderzoek Besluitvorming Irak
550 pagina’s
Boom, 2010
  1. update: hoe naïef kan een mens zijn om te geloven dat in de Nederlandse politiek iemand ook ooit maar ergens voor verantwoordelijk zal worden gehouden []

Ethics and War in the 21th Century ~ Christopher Coker

Zoals de manieren van oorlog voeren drastisch veranderden in de negentiende en twintigste eeuw, zo ook veranderden de ideeën daarbij. Maar wat betekent dat voor dit moment?

Christopher Coker schreef met Ethics and War in the 21th Century een kort maar krachtig boek, dat me in sommige opzichten de ogen opende. Ik heb het dan ook niet op oorlogsvoeren; was zo’n vervelende dienstweigeraar; en koos tijdens mijn geschiedenisstudie altijd die vakken waar het niet om jaartallen en veldslagen ging.

Tegelijk begrijp ik vele zaken die er nu spelen helemaal niet. Hoe kan een Amerikaanse regering ineens het martelen van gevangenen in Irak goedpraten? En waarom laat elk Nederlands kabinet zich tot alles dwingen door wie er maar de macht heeft in Washington? Zelfs als het om een illegale inval in een autonoom land gaat? En wat spreekt er voor om bezettingsmacht te willen spelen ergens, in dienst van een totaal corrupt regime?

Waarom moeten Nederlands belastingbetalers de straaljagers bekostigen die allereerst verborgen Amerikaanse belangen dienen?

Coker beschouwt al zulke ontwikkelingen vanuit een prettig breed en diep perspectief; mede door daarbij aan te halen wat grote denkers zoal over oorlog zeiden.

Want, weliswaar schijnen we nu dan te leven in het tijdperk van de oorlog tegen het terrorisme, en schaffen allerlei landen daarom zo maar burgerlijke vrijheden af. Niemand heeft nog goede argumenten kunnen aanvoeren waarom een strijd tegen terreur ook een strijd tegen de eigen bevolking moest worden. Laat staan waarom het martelen van gevangenen, of alleen het oppakken al van mensen zonder hen ooit te berechten, juist zou zijn.

Het meest zullen me van dit boek de terloopse opmerkingen bijblijven — zoals dat het Israëlische leger altijd aanvalsoorlogen voert, buiten het eigen grondgebied; domweg omdat het land te klein is als strijdtoneel.

En dan was er nog het gegeven dat de die illegale inval in Irak onder Bush jr. aanvankelijk Operation Iraqi Liberation (OIL) heette.

Maar Coker is het best als hij de morele voosheid laat zien, achter nogal wat overheidspropaganda van deze tijd. En ook, hoe daarbij de taal verkracht wordt. Omdat je in woorden wel afstand kunt nemen van je eigen acties — noem het doden van onschuldige omstanders ‘collateral damage’, en alles lijkt een stuk minder erg — maar zelfs die taal kan de kritiek op deze daden hoogstens uitstellen.

En dan is ethiek bij Coker in een aantal van zijn argumenten moraalpolitiek. Mij lijkt het niet verkeerd om aan te geven dat er grenzen bestaan; alleen al omdat we die hebben afgesproken; en dat het niet zonder betekenis blijft dat sommige grenzen zo makkelijk overschreden zijn.

Christopher Coker, Ethics and War in the 21th Century
LSE International Series

202 pagina’s
Routledge, 2008

Naar een nucleaire wereldorde ~ Godfried van Benthem van den Bergh

Merkwaardig pamflet. En dan niet om het merendeel van de inhoud. Want de politicoloog Godfried van Benthem van den Bergh heeft op zich een gedegen overzicht geschreven van alle internationale afspraken die er na 1945 gemaakt zijn over wapenbeheersing.

Maar, de auteur heeft een these. En die luidt dat, hoe verschrikkelijk atoomwapens ook zijn, ze wel degelijk een groot nut hebben. Als afschrikwapen.

En zolang ze maar niet ingezet worden. Natuurlijk.

Want, als oorlog een te verschrikkelijk idee wordt om over na te denken, zal er alles aan gedaan worden die oorlog te voorkomen. Zoiets. Alleen vind ik die these wat in het luchtledige hangen. Omdat de voornaamste verdediging voortkomt uit hoe de geschiedenis verlopen is sinds 1945 — of eigenlijk vanaf de Cuba-crisis van 1962.

Al snel werd duidelijk dat een atoomaanval slechts een tegenaanval zou uitlokken. En dat daarmee slechts wederzijdse vernietiging zou volgen; ofwel mutual assured destriction [MAD].

Dus is Van Benthem van den Bergh allereerst pragmatisch, in zijn betoog. En is het kernwapen als de waakhond die nooit zal aanslaan, maar van wie de aanwezigheid volstaat. Daar kan ik moeilijk iets op tegen hebben. Behalve dan dat aan zijn these kleven blijft dat hij niet echt lijkt te hebben nagedacht over alternatieven. En ook dat het georganiseerde protest tegenover kernwapens door hem wel erg kort wordt afgedaan als irrelevant.

Het interessantst wordt dit boek nog als het probeert te beschrijven hoe de wereld er nu bijligt. Want, er zijn waarschijnlijk negen landen met atoomwapens. Vijf daarvan hebben zich verplicht aan het non-proliferatieverdrag, om het tal wapens niet uit te breiden — niet helemaal toevallig zijn dit de permanente leden van de VN-veiligheidsraad — en India, Pakistan, Noord-Korea en Israël doen dit niet.

Maar daar, waar het interessant wordt wat het bezit van kernwapens betekent als het ene land het andere bijvoorbeeld wil corrigeren op mensenrechten, dan schrijft de auteur daar wel pesterig weinig over.

Dus houd ik aan dit pamflet over dat het eigenlijk nadenken over dit onderwerp nog beginnen moet; dit was hoogstens een ordening van problemen.

Godfried van Benthem van den Bergh, Naar een nucleaire wereldorde
158 pagina’s
Mets en Schilt, z.j. [2008]

Three Trillion Dollar War ~ Joseph Stiglitz & Linda Bilmes

Belangrijkste vraag voor het lezen van dit boek was voor mij: heeft de zeldzaam domme dadendrang van de jonge Bush in 2003 de huidige kredietcrisis mee helpen veroorzaken? En Stiglitz kan daar dan geen direct antwoord op geven, omdat de banken pas gingen wankelen toen hij The Three Trillion Dollar War al bijna af had.

Maar in het nawoord staat er dan toch iets. De oorlog tegen Irak is bekostigd met geleend geld — waardoor de Amerikaanse staatsschuld sterk toenam. Bovendien stegen de olieprijzen dramatisch door deze illegale invasie, en de daarop volgende bezetting. Om de eigen economie draaiende te houden, heeft de Fed daarom nogal wat dollars moeten bijdrukken. En op zijn minst is daarom te zeggen dat de Irak-oorlog het de Amerikaanse overheid een stuk moeilijker heeft gemaakt om adequaat te reageren op de crises in de financiële markten.

Grote schokken, zoals de forse financiële verplichtingen van een oorlog, zoals een bankencrisis, kunnen bovendien systemen voor altijd ontwrichten.

Het boek The Three Trillion Dollar War is allereerst een poging van Nobelprijswinnaar Joseph Stiglitz en Linda Bilmes om te becijferen wat een oorlog kost. Waarbij de schattingen expres laag zijn gehouden. Drieduizend miljard dollar moeten nog eens worden opgebracht door Amerikaanse belastingbetalers. En Bush verlaagde daarom de inkomstenbelastingen.

Opvallend is namelijk dat politici dergelijke rekensommen niet wensen te maken. De begroting van de Amerikaanse defensieministerie deugt al zeker een decennium niet. Geen accountant durft er zijn goedkeuring aan te verlenen.

Bovendien zijn er nogal wat verborgen kosten verbonden aan het voeren van oorlog. Je mensen slijten er nogal van. Zeker dertig procent van de uitgezonden soldaten komt thuis terug van het front met een trauma. De grootste uitgaven waartoe een overheid zich uiteindelijk verplicht, zijn die van de zorg voor de veteranen. Op het moment van schrijven, genoten in de VS nog altijd enkele veteranen uit de Eerste Wereldoorlog een invaliditeitspensioen.

Stiglitz gaat verder nauwelijks in op de wat de VS voor nuttiger zaken had kunnen doen, met het uitgegeven geld; maar hij geeft wel aan dat er opportuniteitskosten spelen.

Al evenmin is goed te berekenen wat de imagoschade kost die het land heeft opgelopen. Wat niet wegneemt dat het boek wel opsomt wat er allemaal niet deugt aan het internationale beleid van de Amerikanen.

Een politiek pamflet is dit daarmee niet. En tegelijk kan een tamelijk boekhoudkundige opsomming van onweerlegbare feiten wel degelijk die indruk wekken.

Joseph Stiglitz & Linda Bilmes
The Three Trillion Dollar War
The True Cost of the Iraq Conflict

357 pagina’s
Penguin Books, 2008

Ruwe wereld ~ Peter Maass

De oorlog in Irak ging om de olievoorraden in het land. Daar is geen twijfel over mogelijk. Alleen. Waarom deden de Amerikanen vervolgens zo weinig met die olie, toen ze eenmaal het bestuur hadden overgenomen in Bagdad?

De journalist Peter Maass weet vele vragen te beantwoorden, over de betekenis van olie in de twintigste eeuw, en wat oliemaatschappijen of staten eraan deden om macht te krijgen over deze grondstof. Maar op niet alle vragen is een antwoord mogelijk.

Het best is de monografie Ruwe wereld als het boek de vloek beschrijft die een olievondst brengt. En Maass ter plaatse gaat kijken hoe het zit met milieuschade, of de ontwrichting van het politieke systeem in een land.

Economen gebruiken daar de term ‘Dutch disease’ voor — omdat de plotselinge inkomsten uit de aardgasbaten hier fnuikend zijn geweest voor de normale bedrijvigheid. Al vond sindsdien wel enig herstel plaats.

Noorwegen is het enige land in de wereld gebleken dat niet ontwricht werd door alle plotselinge rijkdommen na de ontdekking van een bodemschat. Wat simpelweg komt omdat de regering zich aan de wijze raad hield om alle olie-inkomsten in verdere winning te investeren, en als reserve achter de hand te houden.

In alle overige landen ging het mis. Als het land al niet een dictatuur was, en de corruptie niet nog verder werd verstevigd.

Zo bezien zijn oliemaatschappijen, die honderden miljarden aan misdadige regimes hebben gegeven, en hielpen hen in het zadel te houden, misschien wel de meest kwalijke bedrijven ter wereld. Wat dan weer een nieuwe blik werpt op oliemannetjes als de politici Bolkestein en Bos; die allebei een Shell-verleden hebben.

Overigens geldt dan ook weer dat olie de val van de Sovjet-Unie kan hebben versneld. Eén van de problemen waar Gorbatsjov in de jaren tachtig mee te maken kreeg, was dat de inkomsten van zijn land uit de verkoop van ruwe olie nogal terugliepen. Waardoor het land harde valuta misliep.

Maass wil hebben dat een complot van de CIA daar achter zat. De toenmalige koning Fahd van Saudi-Arabië verhoogde indertijd sterk de productie van zijn land, zodat de olieprijzen op de wereldmarkt dramatisch zakten. Ook omdat de CIA erop gewezen had dat verder geen enkele OPEC-lid zich aan de afgesproken productiequota leek te houden.

En ziet, als politieke geschiedenis zo beschreven wordt, met aandacht voor alle economische belangen, dan is die wel degelijk heel interessant.

Peter Maass, Ruwe wereld
Geweld en corruptie in de nadagen van het olietijdperk

293 pagina’s
Ambo, 2009
Vertaling door Rob Hartmans van Crude World

Report of the Iraq Inquiry ~ Report of a Committee of Privy Counsellors

Ruim 2,6 miljoen woorden telt het Britse Chilcot-report — de weerslag van het in 2009 begonnen onderzoek naar de Irak-oorlog dat deze maand eindelijk verscheen. En die heb ik zeker niet allemaal gelezen. De samenvatting volstond wel, en een detail hier en daar. Al is zelfs die samenvatting nog altijd een kleine honderdvijftig pagina’s lang.

Bestaat er bovendien nog Chilcot’s eigen samenvatting van de samenvatting, van twaalf bladzijden [pdf] lengte.

Teruggebracht tot een tweet luidt het oordeel:

Blair lied, people died.

Alleen wist ik dat al. Net als dat geen van Chilcot’s harde conclusies nieuws brachten, voor mij:

Saddam Hussein was geen directe bedreiging voor het Verenigd Koninkrijk in 2003. Dus was een invasie van zijn land niet nodig.

De claim dat Hussein over massavernietigingswapens (WMD’s) beschikte, werd door de Britse premier Blair en de Amerikaanse president Bush met een zekerheid gebracht die volkomen ongerechtvaardigd was. Er is de afgelopen dertien jaar ook geen WMD aangetroffen in Irak.

En Blair misleidde zijn kabinet, door ze lang alles niet te vertellen. Alleen daardoor al ontbrak alle normale democratische controle op het besluit om een ander land binnen te vallen.

Maar zelfs dat laatste aspect, van dat gebrek aan controle, was niet nieuw. In Nederland had de Commissie Davids begin 2010 al over dezelfde invasie geoordeeld dat het besluit tot deze oorlogsmisdaad wel erg lichtvaardig was genomen.

En toch is The Report of the Iraq Inquiry niet helemaal een overbodig stuk, dat net als de studie van de Commissie Davids wel spoedig ergens in een la zal belanden om er nooit meer uit te komen. Zo hebben de onderzoekers de correspondentie weten te verkrijgen die er was tussen Blair en Bush. En die maakt onder meer duidelijk dat er al in 2002 besloten was tot invasie. Tony Blair zou de Amerikaanse president in alles volgen:

Alleen moest daartoe enkel nog een aanleiding worden gefantaseerd.

Net als dat het leuk was geweest als de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties wel hun toestemming hadden gegeven voor een inval. Al schijnt Bush daar vrij onverschillig tegenover te hebben gestaan. Het waren allereerst de Britten die toch liefst wel een mandaat hadden voor de invasie van een autonoom land.

Enfin. Lezing van het Chilcot-report moest op boeklog aangetekend worden, omdat ik de afgelopen weken nog zoveel meer las om deze publicatie heen. Hoeveel doden bijvoorbeeld, heeft de drieste geldingsdrang van Bush en Blair veroorzaakt? Mij was al onderzoek uit The Lancet bekend uit 2006, dat toen het getal van 650.000 noemde. Ondertussen raamt de organisatie Physicians for Social Responsibility dit aantal op ruim 1 miljoen doden. Conservatief geschat. Het kunnen er ook 2 miljoen zijn. Helemaal als de slachtoffers in de ‘War on Terror’ in Afghanistan en Pakistan mee worden geteld.

En het gaat me veel te ver om ook mijzelf tot indirect slachtoffer te maken van al die politieke dadendrang. Feit blijft wel dat ik voor mijn inlichtingen over politieke besluiten doorgaans aangewezen ben op de massamedia. En dat deze massamedia in de aanloop naar de Irak-oorlog van 2003 voornamelijk meeheulden met de toekomstige oorlogsmisdadigers. Toegegeven, dat was een groter probleem in het Verenigd Koninkrijk dan hier — dat land is ook veel militaristischer. Maar dan nog.

Als politici grote dadendrang vertonen, lijkt me dat de belangrijkste vraag meteen moest zijn: waarom?

The Report of the Iraq Inquiry
Executive Summary

Report of a Committee of Privy Counsellors
HC 264
145 pagina’s
Printed in the UK by the Williams Lea Group on behalf of the Controller of Her Majesty’s Stationery Office

Grunt ~ Mary Roach

Oorlog is goed voor de wetenschap. Nu ja, sommige wetenschap. Al zijn er altijd onverwachte doorsijpeleffecten. En daardoor is zelfs te beargumenteren dat oorlog de mensheid vooruit helpt. Al vind ik deze gedachte dan weer te vreselijk om ooit zelf te gebruiken.

Door oorlog komt er namelijk ineens veel geld vrij om acute problemen op te lossen. En zo’n injectie, met de bijbehorende prestatiedruk, kan de wetenschap plots behoorlijk vooruit helpen. Tot de oorlog uiteindelijk afloopt, en de gulle geldstroom ineens opdroogt, en alles weer stagneert.

Meest cynische voorbeeld dat ik ken, is dat er in de jaren zestig plots heel veel geld ging naar het onderzoek tegen malaria; omdat de Amerikanen indertijd meenden in de Vietnamese jungle te moeten vechten. Die research leverde het middel op dat uiteindelijk Lariam ging heten. Daarna zou het decennia duren voor er nieuwe geneesmiddelen werden bedacht tegen de ziekte. Terwijl toch hele werelddelen onder malaria lijden.

Het welzijn van Amerikaanse soldaten was voor de farmaceutische industrie alleen een stuk belangrijker dan dat van die talloze veel miljarden mensen elders. Want die soldaten hadden tenminste een regering die even geld in hun welzijn investeerde.

In Grunt van Mary Roach ontbreekt het grote verhaal over oorlog en vindingrijkheid helaas. Roach koos voor een praktische blik.

Van oorlog slijten je mensen nogal. En de econoom Joseph Stiglitz heeft daarom vrij overtuigend becijfers hoe duur en onnozel het daarom is om oorlog te voeren. Maar Mary Roach negeert in haar boek nu net ook dat oud-soldaten met enorme geestelijke problemen te kampen kunnen krijgen.

Online worden nogal eens staatjes gebruikt, waarin het tal tijdens hun dienst gesneuvelde Amerikaanse soldaten is afgezet tegen het veel grotere tal veteranen dat later zelfmoord zal plegen. En daaruit blijkt dan op zijn minst dat soldaat zijn niet vreselijk goed is voor de geestelijke gezondheid.

Negeert Mary Roach ook nog de ontwikkeling van wapentuig in haar boek — en van de weeromstuit wordt een uitgave als Grunt dan dus relatief onschuldig en daarmee bij tijden zelfs grappig.

Ze hield het klein. En keek daarom onder meer wat de legerautoriteiten hebben gedaan tegen gehoorbeschadiging. Geweren gaan nogal van boem. Of welke ontwikkeling de kleding van soldaten zoal heeft doorgemaakt. Want ook de uniformen zijn tegenwoordig high-tec. Of hoe militairen tegen de hitte strijden.

Over penisreconstructies gaat het, want die hele plastisch chirurgie komt voort uit de wens beschadigde soldaten weer wat toonbaarder te maken.

En de laatste hoofdstukken van dit boek behandelen de specifieke problemen van het bestaan in een onderzeeër. Hoe slaap je daar?

Vanzelfsprekend bevat dit boek dan hilarische hoogtepunten, want Mary Roach schrijft nu eenmaal altijd luchtig tussen alle informatie door. Grunt heeft bijvoorbeeld een heerlijk gesprek met een stoer bebaarde superman van ‘special ops’, die niet goed begrijpt waarom de vrouw die hem interviewt het per se over diarree wil hebben. En wat die dan met je doet ver weg in vijandelijk gebied.

Dus heb ik me zeker vermaakt met dit boek. Behalve dan dat er altijd de wetenschap was dat er nog zo veel meer onderwerpen waren geweest om over te schrijven, die nu zo tergend buiten deze uitgave zijn gebleven.

Heroïne bijvoorbeeld, kijk naar de naam, of speed, zijn toch middelen ooit bedacht om mensen tot betere soldaten te maken. Daar had ik ook graag over willen lezen. De externe skeletten die op het moment ontwikkeld worden om mensen meer te laten tillen, of langer te laten lopen… Etc., etc..

En die Terahertz-scanners waarmee de Letterenfaculteiten straks oude papyri kunnen lezen, of boeken zonder die te openen, kwamen er toch allereerst omdat met zulke scanners snel te bekijken was of mensen een wapen op zich droegen. Het onderwerp wetenschap en oorlog, of wetenschap en veiligheid, is domweg erg groot.

Mary Roach, Grunt
The Curious Science of Humans at War

285 pagina’s
W.W. Norton & Company, 2016

Tribe ~ Sebastian Junger

Opvallend genoeg riep Tribe van Sebastian Junger nog het meest associaties op met Kurt Vonnegut. En dan niet met de laconieke Vonnegut, van ‘so it goes’. Maar veel meer met de verzuurde door de oorlog beschadigde veteraan, die eenmaal weer thuis merkte dat werkelijk niemand geïnteresseerd was in het nutteloze bombardement op Dresden. Hoe verschrikkelijk dat ook was geweest voor wie daar midden in had gezeten. Of voor de honderdduizenden doden daar.

In meer dan éen boek stelde Kurt Vonnegut daarom dat we voor ons gezond familie nodig hebben. Uitgebreide familie. Een stam. Mensen in onze omgeving met wie het contact vanzelfsprekend was, vanwege die ene misschien wel toevallige band.

Dat wordt zelfs een wat vervelend stokpaardje, op den duur.

En verdomd. Sebastian Junger betoogt eigenlijk hetzelfde, om vergelijkbare redenen ook nog. Zij het dat hij Vonnegut’s conclusie nooit helemaal rechtstreeks uitspreekt.

Junger heeft sinds zijn vuurdoop in Sarajewo 1991 meerdere oorlogen verslagen als journalist. Die ervaringen hebben hem beschadigd. Net als Kurt Vonnegut leed hij aan een posttraumatische stressstoornis (PTSD).

Punt is alleen dat geen PTSD hoeft te blijven duren. Als de omgeving tenminste een beetje medeleven toont, op de goede manier.

En dan blijken er ook landen te zijn waar PTSD voor slechts een heel gering percentage van de veteranen onoverkomelijke problemen blijft opleveren. Het helpt nogal als vele anderen, zoals in Israël, ook hun militaire dienst hebben verricht; zodat iemand daar niet alleen staat met zijn of haar ervaringen.

Maakt Junger verder nog een heel nummer over de strijders onder de oorspronkelijke Amerikanen — de indianen die ondanks alles wat de VS hen en hun voorouders had aangedaan toch dienst namen om overzees te gaan vechten. Omdat zij nu eenmaal krijgers waren.

Onder hen lag het percentage veteranen met onoverkomelijke PTSD-problemen toch ook niet heel hoog. Omdat ze uit een omgeving kwamen van strijders, die eveneens hadden meegemaakt.

En die boekgedeelten hadden voor mij dan weer wat een te hoog ‘nobele wilde’-gehalte.

Enkel als essay over Junger’s persoonlijke ervaringen had dit boek wel iets. En ook als kritiek op de VS, in wat het betekent dat een samenleving zakelijk en individualistisch is ingesteld, zodat iedereen het zelf maar uitzoeken mag, had Tribe zijn momenten.

Verder geldt toch allereerst dat ik geen vreemder boek las dit jaar tot nu toe. Elke samenvatting normaliseert het.

Sebastian Junger, Tribe
On Homecoming and Belonging
168 pagina’s
4th Estate, 2016

Zorg dat je een gekkenbriefje krijgt ~ Ger Verrips

In een recent opiniestuk over de laffe braafheid van Nederlandse auteurs, die daarom wel nooit de Nobelprijs voor literatuur zullen krijgen, stond éen zin die mij tot nadenken stemde.

Wie van onze schrijvers nam eigenlijk een moedig standpunt in over onze koloniale oorlog in Nederlands-Indië?

Ook al omdat het mij vrij moeilijk lijkt om schrijvers, van boeken, die tijd vergen om te rijpen, in hun romans beslissende opmerkingen te laten plaatsen over actuele ontwikkelingen. Die immers soms hoogstens even duren.

Wie van onze schrijvers nam eigenlijk een moedig standpunt in over de kwestie zwarte piet?

Er spelen grote problemen in deze tijd, die om een intelligente reactie vragen, en waarvan ik me afvraag of de litteratuur werkelijk nog het aangewezen middel is om de goegemeente nu eens echt te informeren. Zelfs niet als je het standpunt inneem — wat ik niet doe — dat kunst de nobele taak heeft om mensen beter te laten kijken.

Ja, Jan Terlouw kon indertijd nog een jeugdroman wijden aan een miniem onderdeeltje van de Deltawerken — moest die Oosterschelde helemaal afgesloten worden, of niet? Maar een roman die neutraal informeert over de gevolgen van de opwarming van de aarde, en de mogelijkheden daar nog iets tegen te doen, lijkt me onmogelijk te schrijven.

Moest zo’n boek bovendien in de publieke opinie strijden tegen een georganiseerd kamp wat ontkent dat menselijk handelen het klimaat verandert; en dat met miljoenenbedragen gesteund wordt door de olie-industrie.

Schrijvers blinken voor mij allereerst uit in terugblikken. In het daarbij samenballen van gebeurtenissen en ervaringen tot een lopend verhaal; wat dan orde schept uit chaos. En door dat opiniestuk ging ik me dus wel afvragen wat voor mij dé roman is over wat de Nederlanders misdeden in Indonesië tijdens de onafhankelijkheidsstrijd daar.

Wil ik overigens niet suggereren een overzicht te hebben van alles dat over dit thema verscheen.

Achteraf.

En dan lijkt me Ger Verrips kleine roman, Zorg dat je een gekkenbriefje krijgt, niet de minste poging. Mede omdat dit boek net iets later in de tijd speelt. Rond 1950. Toen de Korea-oorlog uitbrak.

Verrips verwerkte in deze uitgave het autobiografische gegeven dat hij per se niet naar Indonesië uitgezonden wilde worden, of naar Korea; om daar dan zij-aan-zij met oud-SS’ers voor het vaderland te vechten. Alleen zag hij slechts éen mogelijkheid om daar onderuit te komen. Hij moest afgekeurd worden, om zijn geestelijke stabiliteit.

Extra probleem daarbij was dat hij al dienst genomen had.

En dan bleek het nu niet het verhaal van de dienstplichtig soldaat Jeroen van Jossen te zijn in deze roman dat mij interesseerde. Terwijl dit boek toen ik dienstweigerde toch wel degelijk groot nut heeft gehad om vorm te geven aan mijn weerzin tegenover de onterechte plicht. Misschien hoort deze uitgave daarom zelfs wel thuis in het bescheiden rijtje van bepalende boeken.

Van Jossen’s verhaal verloopt rechttoe-rechtaan, was daarom niet heel interessant om te herlezen, en pakte voor mij nog het boeiendst uit als er persoonlijke herinneringen worden ingebracht over wat dit personage meemaakte tijdens de Tweede Wereldoorlog.

Zorg dat je een gekkenbriefje krijgt bleek nu vooral interessant te zijn om het decor waarin dit boek zich voor een deel afspeelt. Dat militaire ziekenhuis voor zenuwlijders. Waar veteranen van verschillende oorlogen dan, en van het Koninklijk Nederlandsch-Indisch Leger (KNIL), terecht zijn gekomen. En waar steeds flarden aan verhaal doorklinken van de gruwelen die hen waarschijnlijk een posttraumatische stressstoornis opleverden.

Zulke terzijdes volstaan de goede lezer wel. Lang alles niet hoeft te worden uitgespeld.

Ger Verrips publiceerde zijn roman in 1973. De Excessennota, over wat Nederlandse militairen misdaan hadden in Indonesië, dateert uit 1969. Dat deze nota ietwat negeert dat ‘ons’ hele leger daar oorlogsmisdaden pleegde, volgens een historicus, leverde in september 2016 nog weer grote krantenkoppen op.

Ik sta alleen van niets te kijken over wat daar al dan niet kan hebben plaatsgehad. En dat komt toch door Ger Verrips. Moest ik wel toegeven dat er ook een film bestaat naar diens verhaal, en ik niet weet wat me eerder onder ogen kwam. Film, of boek? Deze uitgave was voor mij in elk geval waardevol genoeg om te kopen indertijd. En dat gebeurde toen nog niet zo vaak. Daartoe moest een titel zich al bewezen hebben.

Ger Verrips, Zorg dat je een gekkenbriefje krijgt
144 pagina’s
Manteau 1986, oorspronkelijk 1973

Mannen die niet deugden ~ Ger Verrips

De vraag drong zich ineens op hoe militaristisch mijn opvoeding eigenlijk was. En dan niet om wat mijn ouders dachten, want die dachten niet zo. Maar hoe zat het met de algemene cultuur in de jaren zeventig?

Werd van mij als jongetje nog altijd verwacht dat ik soldaat moest worden? Om de eer nog eens te mogen sneuvelen voor het Vaderland? En als dit zo was, wat bestendigde dat idee dan zoal?

Ik ben geneigd de bizar grote aandacht voor de Tweede Wereldoorlog tijdens mijn schooltijd te zien als passend in dit patroon. Want dat mocht allemaal nooit meer gebeuren.

Sindsdien kreeg een politieke partij waarvan de leider zich telkens weer fascistisch uit alleen wel regeringsmacht, als partner van een coalitie tussen VVD en CDA.

Interessantste opmerking in Mannen die niet deugden komt van een pelotonscommandant. Die constateert dat het Nederlandse leger uit verliezers bestaat. In 1940 hielden ze geen stand. In 1948 streed het voor de verkeerde zaak; omdat onze politici geen realiteitszin hadden over Indonesië. En beter werd het daarna niet, vul ik dan aan.

Want zo’n opmerking pleit bijvoorbeeld tegen het idee dat de Nederlandse samenleving militaristisch zou zijn — vechten kunnen we niet.

Die pelotonscommandant vond dat Ger Verrips eens praten moest met de beste soldaat die voor hem gediend had in Indonesië. Enige schoonheidsvlekje aan deze man was alleen dat hij als vijftienjarige dienst nam bij de Waffen-SS, en aan het Oostfront had gestreden.

Toen diens eenheid de terugtocht dekte van andere Duitse troepen, werd hij gevangen genomen. Daarop had hij enkele jaren te overleven in de Russische kampen.

Eenmaal terug in Nederland kreeg hij een voorwaardelijke straf voor het in vreemde krijgsdienst gaan. En een paar weken later lag er een oproep van de Nederlandse militaire dienst, om uitgezonden te worden naar Nederlandsch-Indië. Alwaar er node gebrek was aan soldaten met praktische gevechtservaring.

Verrips wist ook na meerdere gesprekken met deze man, die enkel Sjeng heet in het boek, nog altijd niet wat hij met diens levensverhaal aan moest. Tot hij bij Szymborska las:

Na elke oorlog
moet iemand opruimen.
Min of meer netjes
wordt het tenslotte niet vanzelf.

Mij viel op dat Mannen die niet deugden pas iets had als het boek niet over dat levensverhaal ging van Sjeng. Want, hoe treurig ook, dat was redelijk voorspelbaar. Wie Babel heeft gelezen, plus een twee boeken over het overleven in een kamp, staat dan van weinig meer te kijken.

Hoe Sjeng en zijn pelotonscommandant de biografie van Hans Andreus lazen bijvoorbeeld, bood iets extra’s. Want volgens die uitgave bleek deze bekroonde dichter fout te zijn geweest in de oorlog — wat bijvoorbeeld nu niet eens op diens Wikipedia-pagina vermeld wordt. Sjeng, als praktijkdeskundige, geloofde niets van Andreus’ verhalen over diens tijd aan het Oostfront. Daar had iemand zich veel heldhaftiger voorgedaan dan hij geweest kon zijn.

Voor de rest wreekte zich te zeer dat dit boek slechts over éen man ging — daardoor bleef het te zeer een lang interview, en geen doorleefde tekst.

Was er bovendien in de Nederlandse literatuur Montyn al, waarin Dirk Ayelt Kooiman het verhaal optekende van iemand die als jonge jongen aan het Oostfront vocht

Ger Verrips, Mannen die niet deugden
Een oorlogsverleden

184 pagina’s
Balans, 1998