Kakafonie ~ Gerrit Komrij

Hoe lang was er al sprake van dat dit boek er zou komen? Mij viel op dat Komrij het op televisie kon aanprijzen met grapjes die hij ruim dertig jaar geleden al eens opschreef. Zoals de riedel dat hij zelf ook een petomaan is, maar wel éen met een bescheiden instrument. Daardoor lukt het hem niet om het volkslied te scheten.

Maar goed, het boek is er nu dus. En dat had ik toch niet verwacht. Mij scheen altijd dat Komrij er slechts mee dreigde. Zodat hij nog eens kon laten zien ook uit stront geld te kunnen maken. Of misschien, als bewijs uiteindelijk overal schijt aan te hebben, en aan de Nederlandse boekenwereld in het bijzonder.

In dit boek staan nogal wat vergelijkbare flauwiteiten verzameld. Laat ik daarom maar ophouden in dier voege mee te gaan, en deze encyclopedie kritisch proberen te beoordelen.

En dan moet ik zeggen dat dit boek me tegenviel. Weliswaar is het rijk geïllustreerd, en heeft Komrij uit vele bronnen geput, maar het is op zijn best een cultuurstudie. Zeker geen encyclopedie. En met het woord cultuurstudie ben ik nog mild. Een wat bijeen geraapte verzameling van krantenknipsels en overgetypte boekenpagina’s had ik ook kunnen zeggen.

Stront interesseert me als onderwerp niet eens bovenmatig. Toch miste ik nogal wat nuttige observaties in dit boek, die mij zo wel bekend zijn. Zo uit Elias’ Prozeß der Zivilisation te kopiëren is bijvoorbeeld hoe er vroeger gepoept werd, en hoe dat in de loop der eeuwen veranderde. Waardoor elke museumbezoeker voortaan anders naar al die tapijten in oude kastelen zal kijken.

Onder coprofagie mis ik bijvoorbeeld de opmerking dat stront eten tegenwoordig als gezond wordt beschouwd. Al gaat het dan om stront die verwerkt is in yoghurt, en daarna duur verkocht.

En ook ben ik in andere boeken wel andere verhalen tegengekomen, bijvoorbeeld over het moeten poepen, maar niet kunnen. Zeker in de sportliteratuur is dit geen onbekend onderwerp.

Goed, recensies horen niet te gaan over wat een boek mist, maar dienen zich te focussen op wat er wel in staat. En ik vind het boek merkwaardig oppervlakkig, doordat er zo veel in staat dat op een zelfde toon, of met dezelfde poging tot distantie geschreven is.

Dat het logo van De Bezige Bij op het omslag als pisvlieg gebruikt wordt, is misschien nog wel het drolligst.

Gerrit Komrij, Kakafonie
Encyclopedie van de stront
Omvattende de symbolische waarde, de kont,
het kakken, de kleur, de stank, de wind, het
sanitair, de liefhebbers, satire & nonsens, stront
en het boek, lexicografie, enz. enz.

328 pagina’s
Uitgeverij de Bezige Bij, 2006

Ueber den Prozeß der Zivilisation ~ Norbert Elias

Toen ik uiteindelijk geschiedenis ging studeren, was dit niet omdat de geschiedenisles op school zo leuk was geweest. Niet dat mijn herinneringen slecht waren daaraan, voor zo ver er nog herinneringen waren tien jaar later. Maar de geschiedenisles vroeg niet zo veel. Ik heb een goed geheugen voor nutteloze informatie, en kan een zin formuleren; en veel meer werd er ook niet geëist op de middelbare school.

Dat ik die studie koos, kwam mede door dit boek. Omdat het me leerde dat er ook op een andere manier naar het verleden te kijken was, dan door jaartallen te memoreren, of grote mannen te herdenken. Bovendien vertelde Elias in zijn beschouwingen over het verleden ook heel wat over het nu.

Daarbij kwam dat ik dit in sommige opzichten een heel geestig boek vond. Gek dat er nu zo zelden op dat aspect gewezen wordt.

Misschien kwam dit door Elias zelf, en diens droge uitleg later van wat hij allemaal bedoeld had. Misschien kwam dat door de serieusheid van zijn veelal Nederlandse discipelen.

Ik bedoel, dit eerste deel heeft in deze uitgave een inleiding van 82 pagina’s. Dat is meer dan een kwart van het eigenlijke boek. En deze inleiding is bovendien onvergelijkbaar veel droger en saaier dan de tekst die daarop volgt.

Elias wilde éen ding doen met zijn Über den Prozeß der Zivilisation, en dat was illustreren hoe wij een steeds groter arsenaal aan regels zijn gaan internaliseren in de omgang met elkaar. Daardoor hebben we heel andere ideeën over wat fatsoenlijk is, of hygiënisch, dan onze voorouders. En tezamen heten die ontwikkelingen dan beschaving, maar eigenlijk doet dit er al niet toe, voor mij.

Evenmin vind ik interessant waar dat verwerken van al die aangeleerde regels dan toe leidt, innerlijk gezien. Wat de psychologische gevolgen zijn.

Voor mij was interessant, en bij het herlezen bleek dit gelukkig nog steeds zo, dat veel van wat vroeger normaal was, nu nogal vreemd overkomt.

Norbert Elias gebruikte voor zijn onderzoek vooral oude etiquetteboeken, zo ongeveer beginnend bij dat van Erasmus. Daarbij het simpele uitgangspunt hanterend dat als tegen bepaald gedrag gewaarschuwd werd, dit waarschijnlijk in ruime mate voorkwam. Zo raadde Erasmus zijn tijdgenoten aan om bij het eten toch liever onder de tafel te spugen, in plaats van erop.

In dit deel gaat het over vele elementaire zaken. Wanneer begon men met een vork te eten, wanneer een servet te gebruiken. Waar deed men zijn behoefte, en wat moest de reactie zijn als er iemand in het zicht zat te poepen. Enzovoorts.

Wat ik vergeten was, is hoe zeer Elias nog tast naar vorm in de eerste hoofdstukken. Hij weet iets geheel nieuws te gaan bespreken, en daar de consequenties van aan te gaan moeten geven, en legt daarom telkenmale uit dat hoe wij nu denken niet was hoe dit toen werd gezien.

Ook was vergeten, of misschien verliep mijn kennismaking met dit boek via een andere editie, is hoeveel bronmateriaal Elias onbewerkt presenteert. Zestiende-eeuws Frans en vijftiende-eeuws Engels, of citaten in Latijn, die staan er allemaal zonder vertaling in. Daarmee terloops ook tonend wat iemand hoorde te weten, zo vlak voor de Tweede Wereldoorlog.

Meer over de ontvangst en implicaties van dit boek in een vervolg

Norbert Elias, Über den Prozeß der Zivilisation
Soziogenetische und psychogenetische Untersuchungen
Erster Band
Wandlungen des Verhaltens in den weltlichen Obersichten des Abendlandes
334 pagina’s
Suhrkamp taschenbuch 1980, oorspronkelijk 1936

Big Necessity ~ Rose George

Ik mag altijd graag de rioolwaterpomp tot grootste uitvinding van de mensheid uitroepen. Dat is dan meestal als provocatie bedoeld, zeker. Maar de rol van de simpele ingenieur in de geschiedenis van de mensheid wordt me meestal te makkelijk onderschat. Net als dat altijd de verkeerde zaken wél belangrijk worden gemaakt.

In The Big Necessity komt Rose George met een simpel statistiekje. De uitvindingen om poep zo goed mogelijk uit de buurt van het drinkwater te houden, hebben de gemiddelde levensduur van de mens met zeker twintig jaar verhoogd. Die is alleen daardoor al zo veel minder vatbaar voor ziekten.

Waar er werkende riolen zijn, of de afvoer op een andere manier goed geregeld is, zijn de mensen gezonder, wat ze productiever maakt. Of, als het om kinderen gaat, alleen daardoor gaan er meer naar school.

Dat kroonprins Willem-Alexander zo flink aan het watermanagement doet, is dan ook wat eufemistisch gesteld. Hij helpt mee om mensenpoep uit de buurt van drinkwater te houden. Willem-Alexander doet dus vooral aan poepbeheer.

Tegelijk is het onnozel om daar lacherig om te gaan doen. Cholera en tyfus zijn ziekten die vooral verspreid worden via verontreinigd drinkwater. Miljoenen kinderen sterven daardoor per jaar. Of, volgens weer een ander statistisch weetje uit het boek, een aantal dat vergelijkbaar is met het crashen van twee Jumbojets vol kinderen elke vier uur.

En, zoals Rose George schrijft, zolang 2,3 miljard mensen op de wereld niet over fatsoenlijke sanitaire voorzieningen kunnen beschikken, is poep een doodserieus onderwerp.

De auteur van The Big Necessity is journalist. Voor het boek betekende dit dat ze telkens overal gaat kijken, in plaats van achter de schrijftafel over het onderwerp te filosoferen. Dus mag de lezer mee op onderzoek in het riool in Londen en New York, en naar rioolwaterzuiveringen. Leert de lezer ook hoe publieke toiletten eruit zien — in China zijn dat een soort gemeenschapsruimten waar iedereen alles van elkaar zien kan. Ook worden arme gebieden in India bezocht; waar het kastestelsel op sommige plaatsen alle normale ontwikkelingen tegenhoudt. Fatsoenlijke mensen praten namelijk niet over poep.

Dit had gezien alle problemen die aan het onderwerp kleven makkelijk een prekerig boek kunnen worden. Maar knap is alleen al dat Rose George zelfs in de meest ellendige omstandigheden nog de humor van situaties weet te vinden. Want, wat is de etiquette als je in een veld zit te poepen, en er komt een auto langs? En hoe veranderde dat met de toename van het wegverkeer?

Bovendien is dit boek bijzonder informatief. Zelfs over de technische ontwikkelingen. Er staat veel in, en dan altijd goed in een context geplaatst. Ik zou normaal ook niet geïnteresseerd zijn in de vraag wat biogasinstallaties voor het Chinese platteland kunnen betekenen. Maar, als een bekwaam auteur zo’n onderwerp oppikt, wordt het interessant, en stelt het wezenlijke vragen; zoals nu. Want, als zo’n biogasinstallatie alleen werkt bij voldoende aanvoer, moeten mensen er dan maar varkens bij gaan houden?

Mooiste hoofdstuk vond ik evenwel dat over de Japanse hightech-WC’s; met hun ingebouwde warmwaterdouche. Al blijft wel de vraag open waarom deze technologie niet wil aanslaan buiten het land.

Dat hoofdstuk leerde me bijvoorbeeld dat er een tijd toiletten gesmokkeld zijn, vanuit Canada naar de VS. Toen Amerikaanse wetgeving had opgelegd dat toiletten nog maar zes liter drinkwater mochten gebruiken voor het spoelen, in plaats van de twaalf tot dertien van voordien. Fabrikanten hadden toen lang moeite toiletten te leveren die met minder water even goed werkten.

Laatste staatje: maar 2% van alle water op aarde is drinkwater, en over tweederde daarvan kan niemand beschikken omdat het bevroren is. We gebruiken hetzelfde beetje water telkens weer, noodzakelijkerwijs, en het is zo makkelijk om dat water gedachteloos te verontreinigen.

Rose George, The Big Necessity
Adventures in the World of Human Waste

326 pagina’s
Portobello books, 2008

Pest in de geschiedenis ~ William H. McNeill

Voor de zestiende eeuw kwam de ziekte malaria niet voor de Amerika’s. En nu deze plaag daar wel is, wordt die op minder manieren verspreid dan in Europa, Azië en Afrika; wat nog een extra evolutionair bewijs is dat het probleem daar niet ontstaan kan zijn.

En zo waren er veel meer ziekten die in Europa en Azië hoogstens een tijdelijke plaag waren, of alleen de kinderen troffen, en in Zuid-Amerika ongenadig hard toesloegen. Naar schatting bleef slechts 1 op de 20 tot 25 oorspronkelijke inwoners in leven, nadat er contact kwam met de Europeanen; sinds Columbus.

Ook ik leerde tijdens de traditionele geschiedenisles nog net dat de Europeanen de Amerika’s konden veroveren met hulp van de ziekten die met hun meekwamen. Dat de Europeanen immuun waren, was een gegeven. En getallen werden al evenmin niet genoemd.

Maar zulke lacunes in kennis vallen pas op bij het lezen van een boek als Plagues and people, van de Canadese historicus William H. McNeill. Bij hem doen er, prettig genoeg, redelijk toevallige details niet toe, als wie wanneer wat veroverde. Bij hem gaat het om de constanten in de geschiedenis.

Waar kwam een plaag als de pest weg, bijvoorbeeld? En wat was er nodig om de ziekte zo veel mensen te laten doden?

Want, alleen een dodelijk virus, of een fataal uitpakkende bacterie, volstaat nog niet.

De macht van de Griekse stadstaat Athene werd gebroken door een dodelijke koorts, zo leert McNeill me. Maar eerder of later in de geschiedenis lijkt dezelfde koorts nergens op te treden. En dan geldt ook: als een ziekte iedereen dood maakt die er aan lijdt, is er niets of niemand meer over om de plaag verder te verspreiden.

En bij de pest waren het de zwarte ratten, en hun vlooien, die aan de verspreiding bijdroegen.

In Europa waren dan weer de huizen zo weinig schoon dat zulk ongedierte er in kon overleven. McNeill verklaart het wegebben van pestepidemieën na de zestiende eeuw mede door de toegenomen hygiëne. De huizen kregen glazen ruiten; daardoor werd de vuiligheid binnen zichtbaar, en verwijderd.

Veel van de plagen die de mensheid troffen, kwamen tot ons via een tussengastheer. De variant van de pokken die tot en met de twintigste eeuw zo dodelijk was, bereikte ons waarschijnlijk via een kameel. De pestbacil kwam de wereld in via marmotten, en hun vlooien, die dan weer andere kleine knaagdieren besmetten.

In Amerika ontbreken de meeste van zulke tussengastheren. Vandaar dat het zo veel ziekten nog niet kende, tot Columbus hun kant op kwam. Tegelijk waren er wel zulke bevolkingsconcentraties dat een enkele plaag er fataal kon toeslaan.

En mede door al die beesten, in de omgeving van de mens, zullen er nieuwe ziekten blijven ontstaan, en zullen fatale kwalen de wereld blijven kwellen, zo schreef McNeill.

Toen hij die conclusie verwoordde, was AIDS nog niet eens bekend.

En goed, de soesa die er nu gemaakt wordt bij elk willekeurige griepvariant die te zeer afwijkt van de standaard, is weer een andere uiterste.

Maar dankbaar ben ik voor boeken als deze uitgave. Dankbaar omdat de oppervlakkigheid van de doorsnee evenementiële geschiedenis er zo duidelijk mee wordt aangetoond. Of anders is het wel de immer zo Westers-geöriënteerde positie van zulke geschiedenisboeken.

We kunnen wel druk doen over de uitvinding van het pokkenvaccin, bijvoorbeeld — en geschiedenisboeken genoeg waarin de introductie daarvan nog groot gebracht wordt. Moslimculturen, en de Chinezen, kenden zoiets toen al eeuwen.

William H. McNeill, De pest in de geschiedenis
372 pagina’s
De Arbeiderspers, 1986
vertaling door Tinke Davids van: Plagues and peoples, 1976

Ghost Map ~ Steven Johnson

Karel van het Reve sprak er eens met bewondering over. Hoe knap het was dat iemand de grote cholera-epidemie van 1854 in Londen had weten te herleiden tot de besmetting van een waterbron. Want, voor wie dat verband tussen besmet water en cholera eenmaal kent, lijkt het allemaal zo simpel. Maar kies zonder deze kennis uit alles wat een dodelijke ziekte verspreiden kan maar eens het juiste medium.

The Ghost Map van Steven Johnson is het verhaal van die wetenschapper, en zijn speurtocht naar die verdachte waterbron.

En daarmee is het ook een verhaal over gevestigde belangen, die onderzoeksresultaten bagatelliseren. Of de onderzoeker verdacht maken.

Want, weliswaar vond de medicus John Snow de besmette pomp al gauw. Hij had ook al een tijd de theorie dat besmet water een rol speelde bij cholera. Vervolgens werden zijn onderzoeksresultaten jaren genegeerd. De vigerende theorie was namelijk dat ziekten verspreid werden door vieze lucht. Zelfs al waren de mensen die dagelijks met grote stank in aanraking kwamen, als de doodgravers, de beerputlegers, of de rioolwerkers doorgaans opmerkelijk gezond.

Pas in 1858 toen de Theems zo walgelijk stonk dat het vergaderen in het Britse parlement vrijwel onmogelijk was geworden, werd het mogelijk te twijfelen aan de theorie van de slechte lucht. Omdat er niet meer mensen doodgegaan waren dan normaal, ondanks de ‘Big Stink’.

Dus verwijt Johnson terloops de eigenaren van de waterbedrijven dat deze te lang de autoriteiten beïnvloed hebben niet over de kwaliteit van water na te denken.

Grote delen van het verhaal dat op The Ghost Map volgt, zijn algemeen bekend. Toen eenmaal duidelijk was beerputten niet gezond waren, en drinkwater zo zuiver mogelijk moest blijven, werd met de riolering onder Londen begonnen. De bouw daarvan is een wonder, dus dat verhaal wordt veel vaker verteld.

Daarom vreesde ik vooraf ook een voorspelbaar boek te lezen te krijgen. En dat was dit toch niet.

Verbluffend bleek bijvoorbeeld de rijkdom van het historische materiaal te zijn. Door de onderzoeken uit die tijd is na te gaan dat de besmetting met cholera begon, nadat een baby de ziekte opliep, en de moeder van het kind het waswater van de poepluiers in de beerput bij haar huis gooide. Die beerput lekte. Naar een bron. En toevallig was de pomp die uit deze bron putte een heel populaire bron, vanwege het frisse water.

Goed is ook wat Johnson aandraagt over de manier van denken uit de tijd, en waarom dr. John Snow zo’n bijzondere wetenschapper was — doordat hij methodisch werkte in een tijd waarin men nog niet aan wetenschappelijke bewijzen deed.

En zoals altijd met dit soort verhalen denk ik: hoe zouden mensen over honderdvijftig jaar kijken naar al wat wij voor waar aannemen?

Steven Johnson, The Ghost Map
The Story of London’s Most Terrifying Epidemic–
and How It Changed Science, Cities, and the Modern World

320 pagina’s
Riverhead, 2007

Koninkrijk vol sloppen ~ Auke van der Woud

De geschiedenis wordt geschreven door de overwinnaars, zo luidt het cliché. En een andere dooddoener is dan dat historici tot voor kort ook het liefst over winnaars schreven.

Tegelijk hebben de meest waardevolle stukken in archieven en musea vaak een opvallend bescheiden afkomst. Prullaria genoeg die van prinsen en prinsessen bewaard is gebleven. Maar zoiets als de onderkleding van een werkvrouw uit de negentiende eeuw? Daar dacht niemand ooit aan om zoiets te bewaren.

Architectuurhistoricus Auke van der Woud beschrijft in Koninkrijk vol sloppen een geschiedenis van de onaanzienlijken. Hij biedt onder meer het verhaal van hoe de meeste mensen leefden in de steden van de negentiende eeuw. En daarmee hoe ellendig wij die woonomstandigheden vanuit onze luxe zouden vinden.

Nederland was arm in die tijd. De dienstplichtig soldaten waren de kleinste in Europa — door slechte voeding in hun jeugd. Ik heb het voorbeeld vaker gebruikt, ook al omdat de Nederlanders tegenwoordig juist de langste mensen zijn ter wereld.

Eén staatje uit dit boek kende ik niet zo in detail:

De Limburger leeft gemiddeld 40 jaar, de Geldersman, de Fries, de Drenthenaar, de Noordbrabander, de Overijsselaar, de Groninger ongeveer 38 jaar, maar […] in Utrecht leeft men niet langer dan ruim 29 jaar, in Noord-Holland 27 jaar, in Zeeland 26 jaar, in Zuid-Holland slechts 25 jaar.

[De Economist, 1856]

En dan is eigenlijk nog niet eens het interessantst in welke ellende de meeste mensen leefden. Sinds de welvaart hier toenam, is dezelfde armoede domweg geëxporteerd naar telkens andere landen in de wereld. Het productiewerk in de ‘lagelonenlanden’ vond ooit hier plaats in de steden, onder even erbarmelijke omstandigheden.

Mij interesseerde aan dit boek het meest wat er gedaan werd om de ergste uitwassen te verminderen. Hoe zoiets als een verzorgingsstaat kan ontstaan in Nederland, doordat er sociale wetgeving kwam.

Het laatste gedeelte van Koninkrijk vol sloppen bood bovendien uitgebreid feitenmateriaal over de aanleg van de rioolstelsels in verschillende grote steden. Want, ook al heb ik vaak de uitvinding van de rioolwaterpomp éen van de grootste triomfen van de mensheid genoemd, het was raar om wel te weten hoe men uiteindelijk in Londen en Parijs van zijn poep en pies afkwam. En vervolgens geen idee te hebben wat over dit onderwerp in bijvoorbeeld Groningen had gespeeld.

Groningen was overigens laat met een riool. Wat kwam omdat de gemeente zo goed verdiende aan het tonnetjesstelsel. De klus om alle feces te verzamelen was uitbesteed aan de hoogste bieder. En die verkocht het bruine goed vervolgens weer voor flink wat geld aan de landbouw.

Dat het door de tonnetjes overal naar stront rook, omdat de mannen die de boel verzamelden er vaak mee door de woningen moesten lopen. Ach, dat was nu eenmaal zo.

Net zo was het vreemd om wel over de bestrijding van de cholera in Engeland te weten, en niet hoe zulke ziekten in Nederland werden aangepakt.

Want, hoewel het meest uit Koninkrijk vol sloppen me in grote lijnen wel bekend was, wist dit boek me wel degelijk met regelmaat te verrassen. Geschiedschrijving gaat nu eenmaal, voor mij, allereerst om wat als normaal ervaren wordt in een gegeven tijd. En dat ligt toch altijd anders dan gedacht.

Auke van der Woud, Koninkrijk vol sloppen
Achterbuurten en vuil in de negentiende eeuw

440 pagina’s
Uitgeverij Bert Bakker, 2010

Gulp ~ Mary Roach

Een boek als Gulp heeft slechts éen nadeel. Het is waarschijnlijk niet eeuwig te herlezen. Er komt een moment waarop de kennis die Mary Roach biedt te zeer verouderd is.

Zelfs al maakt dit boek over de menselijke spijsvertering ook duidelijk dat heel weinig wetenschappers zich geroepen voelen om daar onderzoek naar te doen. Er spelen te veel taboes. Wie interesseert het wat speeksel doet? Wie durft het aan om over poep te schrijven? De vorming van gas in de darmen? Of hoe veel materiaal mensen rectaal ergens naar binnen kunnen smokkelen?

Mary Roach bekommert zich zelden om zulke taboes. Haar boeken laten telkens een prettige nieuwsgierigheid zien naar zaken waar de meeste mensen liever aan voorbij gaan.

Misschien was het daarom enkel een kwestie van tijd voor ze zich ook met poep ging bezighouden.

Tegelijk is het veel te simpel om haar boeken samen te vatten als verkenningen van culturele taboes. Wat haar werk zo goed maakt, voor mij, is dat ze vele meters aan wetenschappelijke rapporten samenbalt tot de nuttige inzichten daarin. En deze dan vaak ook nog zo humoristisch verwoordt dat ze me bijblijven. [1]

Op een gegeven moment ben ik boeken als deze beter gaan vinden dan welke roman ook. Omdat ze me naar iets bekend laten kijken, en dan tonen hoeveel daaraan nog onbekend is. Omdat ze dus tot verwondering aanzetten, en daarmee automatisch tot doorlezen dwingen.

En omdat ze dus bij uitstek voldoen aan het allerbelangrijkste boekengebod: geef me iets te lezen dat ik nog niet kende.

Gulp is opgezet als een reisverslag door het spijsverteringskanaal. Het boek begint met de reuk — omdat die zo veel aan smaak bepaalt. Het boek eindigt bij de kringspier onderaan; en wat daar zoal passeert.

Of niet.

Roach onthult onder meer dat Elvis ‘The King’ Presley zijn leven lang aan ernstige verstopping leed — wat zijn liedjes ineens toch anders maakt. Misschien is het daarom goed dat hij zo weinig blues zong.

Die eeuwige constipatie maakte ook dat zijn dikke darm abnormaal vergroot was.

Zo ik nog iets aan moest merken op dit boek, dan toch dat de laatste hoofdstukken te veel over hetzelfde gaan. En dat er juist het laatste jaar opvallend veel over de invloed van de darmflora op ons welbevinden is gepubliceerd aan medische vondsten, waar zij niet aan refereert.

Maar, Mary Roach is alleen al boven deze detailkritiek verheven omdat ze participerend onderzoek brengt. Ze deed reuktesten voor dit boek. Ze ging naar Wageningen om op tampons te kauwen voor speekselonderzoek. Ze ondervroeg een moordenaar in de gevangenis over hoe dat nu ging, met dat smokkelen via het kontgat. Ze deed nog zo veel meer.

En Gulp maakte bovenal weer eens duidelijk hoe zeer lezen een plezier kan zijn.

Mary Roach, Gulp
Adventures on the Alimentary Canal

341 pagina’s
Oneworld, 2013
  1. al zijn haar voetnoten misschien nog wel beter []

Origin of Feces ~ David Waltner-Toews

Nederland is de grootste exporteur van agrarische producten in de wereld, zo werd me vorige week nog voorgehouden. Want daar hoor ik dan trots op te zijn.

En ik weet dat niet. Simpel zwart-wit denken, zoals de blinde trots op het gebied waar je toevallig woont, dat door wat toevalligheden in de geschiedenis toevallig zo ontstaan is, komt me vrij onnozel voor. Wat daar de verdienste van zou zij, ontgaat mij.

Eerder ben ik ook meteen tot tegenspraak geneigd. Dat Noord-Brabant varkensvlees produceert voor de rest van de wereld lijkt mooi, alleen blijft Brabant ondertussen wel met de stront van die beesten zitten, in ruil voor wat geld van de vleesexport.

En, wat voor Brabant geldt, speelt in de hele wereld.

Nu meer dan de helft van de wereldbevolking in steden woont, en daar steeds welvarender wordt, treden zelfs twee problemen tegelijk op. In die steden verzamelen zich grote hoeveelheden poep. En daarbuiten concentreert zich de vee- en pluimveehouderij, nodig om alle stedelingen te voeden, zich ook almaar vaker op een beperkt tal plaatsen. Daar lokaal eveneens zorgend voor enorme concentraties stront.

The Origin of Feces van de Canadees David Waltner-Toews gaat over deze problemen — hoe ze ontstaan zijn, wat de gevolgen kunnen worden, en waar mogelijk de oplossingen liggen.

Waltner-Toews is dierenarts en epidemioloog, die trouwens ook nog gedichten schrijft. Hij wist dus allereerst veel van de problemen die poep kan veroorzaken. Er komen nogal gauw parasieten en verkeerde bacteria in voor; van de poepproducenten. Heb te veel van dat op de verkeerde plek, en plots is het drinkwater niet meer te vertrouwen of maakt dat het eten ziekteverwekkend.

Tegelijk hebben mensen ook altijd nuttig gebruik kunnen maken van poep, al heet die in deze toepassing dan mest. Net als dat gedroogde poep als brandstof diende, of tegenwoordig de nuttige grondstof is in biovergassers.

En lokaal was het ecosysteem ook altijd in staat om de geproduceerde poep op te ruimen.

Alleen hebben mensen dat evenwicht ontwricht, door dieren te laten emigreren naar streken waar er bijvoorbeeld geen strontkevers zijn die hun mest willen verwerken; geëvolueerd als deze zijn om andere poep te benutten.

En zo bezien vermeerderde The Origin of Feces mijn kennis nogal, over een probleem dat ik wel zag, maar dan zonder de details te kennen. Was dit alleen niet het helderst gestructureerde of meest meeslepende boek dat ik ooit las.

David Waltner-Toews, The Origin of Feces
What Excrement Tells Us About Evolution,
Ecology, and a Sustainable Society
198 pagina’s
ECW Press, 2013

Kleine verlossing ~ Midas Dekkers

Toen Gerrit Komrij’s bibliotheek ter veiling kwam, wist Midas Dekkers daaruit voor betrekkelijk weinig geld het gedeelte te kopen dat enkel hen beide fascineerde. De boeken over poep. Veel andere liefhebbers bleken er namelijk niet voor te zijn.

Dus moet ik nu bekennen ook zeer in dit onderwerp geïnteresseerd te zijn — zie het dossiertje poep, op boeklog — alleen had ik nooit mee geboden op Komrij’s verzameling; ware me bekend geweest dat die op de markt was gekomen. Daar zouden me te veel historische curiosa tussen hebben gezeten, en te weinig werken met feiten die een mens iets verder kunnen brengen in zijn denken.

Mij intrigeert poep namelijk niet als taboe, en daarmee als lachwekkend onderwerp, maar als probleem — mede omdat ik het watercloset en de rioolpomp lang heb gezien als de grootste menselijke vinding ooit. Weinig heeft meer betekent om de algemene gezondheid van de mens te verbeteren.

Ware het niet dat de badkamer als uitvinding dan weer rijkelijk onnozel schijnt te zijn. Technisch is het weliswaar handig om alle waterleidingen en afvoeren in een kamertje te concenteren. Kakken brengt dan alleen ook mee dan bij elke keer doortrekken microscopisch kleine water-met-strontdeeltjes neerslaan op de tandenborstels die in dezelfde ruimte aanwezig zijn.

Weegt inmiddels ook steeds zwaarder door dat de mensheid tegenwoordig zowel te veel mensen als te veel dieren op een luttel tal plekken concentreert. Waarmee hun poep een probleem wordt dat niet simpelweg meer is op te lossen door het weg te spoelen.

En gelukkig heeft Midas Dekkers aandacht voor dit probleem in zijn boek — zij het minder dan mij lief is.

Al viel dat te verwachten. Bij Dekkers is de verpakking van zijn mededelingen doorgaans belangrijker dan de mededeling zelf. Waar ook weinig op tegen is. Behalve dan als hij een onderwerp behandelt waarover bij de lezer al kennis bestaat — want dan lijkt het net of er iemand het woord is die enkel half bekende mopjes vertelt.

Dus ben ik nooit het ideale publiek van zijn boeken. Op de columns na wellicht. Want op de korte baan is Midas Dekkers een stuk minder voorspelbaar, inhoudelijk. Dekkers hoeft mij niet gezoet door appelmoes beetje bij beetje cultureel-historische informatie toe te dienen; omdat ik me dezelfde gegevens zo vaak al eigen had gemaakt.

Wat ik dan toch meeneem uit dit boek: in al wat wij uitscheiden, gaat ook energie verloren. Naar schatting 10% van de energiewaarde van alle voedsel en drinken genuttigd verlaat het lichaam ongebruikt. Al weet niemand dit percentage zeker. Onderzoek wordt een weinig prettig werkje genoemd.

Tegelijk heeft bijvoorbeeld de schrijver Rink van der Velde wel een keer of drie dezelfde oeroude grap verteld in zijn werk, over de gierige schipper, die bij het kakken altijd meteen over de reling keek of zijn keutels wel bleven drijven. Want zonken deze direct, dan zat er nog teveel kracht in, en kneep hij af.

Midas Dekkers, De kleine verlossing
of de lust van het ontlasten

256 pagina’s
Atlas Contact, 2014

Yuck! ~ Daniel Kelly

Als een filosoof een theorie probeert op te stellen over iets, is het zelden moeilijk om die poging met éen opmerking onderuit te halen.

Kunnen er nog zoveel schema’s en diagrammen staan in zijn boek.

Want Daniel Kelly vermeldt in Yuck! weliswaar dat onze afschuw al gauw sterk cultureel bepaald is. Hij vergat daarbij te melden dat zulke culturele aspecten ook gauw eens tijdsverschijnselen zijn. Oftewel, de historische component ontbreekt geheel in zijn betoog.

Dus is alle werk van de socioloog Norbert Elias in te brengen tegen Daniel Kelly’s boek.

Al zou dat de beschaafde manier zijn om met de auteur in discussie te gaan.

De theorie die Kelly opstelt in Yuck! zou alleen, wat oneerbiediger gedacht, simpelweg ook in staat moeten zijn om, zeg eens, onze omgang met poep door de eeuwen heen te verklaren. Terwijl het hem al niet eens lukt om uit te leggen wat er speelt op dit moment.

Tegenwoordig is er yoghurt te koop waarin darmbacterieën zijn opgenomen uit andermans poep. Ik blijf dat een vies idee vinden. En toch wordt deze yoghurt aangeprezen als hoogst gezond, vanwege al deze extra bacterieën. De poepyoghurt is zelfs onbehoorlijk duur vergeleken met gewone yoghurt; terwijl al de eventueel werkzame ingrediënten passage door de maag al nooit kunnen overleven.

Stel nu eens een theorie die verklaart dat er twee diametraal tegenovergestelde reacties mogelijk zijn op precies hetzelfde verschijnsel. Als dat lukt, hoe scherp of hoe vaag is zo’n theorie dan?

Tegenwoordig ook zie ik met regelmaat dames op leeftijd uit de nabije villawijk rondlopen met een lauwe drol in hun hand. Deze drol is dan door hun hondje gelegd. Alleen mag die daar dan niet blijven liggen — want daar staan boetes op. Waarop mevrouw de poep in een zakje moet doen, en mee moet dragen tot aan de afvalbak.

Maar wat maakte dat voorheen hondenpoep overal mocht blijven liggen, tot op de stoep aan toe, en dat daar ineens straf op kwam te staan — die vervolgens tot gedragsverandering leidde ?

Heb ik even geen zin om nog over biovergassers te schrijven.

En dan mag ik eigenlijk de gek niet hebben met de poging van Daniel Kelly om te beschrijven hoe het komt dat wij afschuw voelen voor iets. Vreemd is bijvoorbeeld alleen al dat enkel een beroep op ons voorstellingsvermogen soms al volstaat om grote walging op te roepen.

Kelly heeft ook volstrekt gelijk dat er grote morele dilemma’s kleven aan afschuw. Want hoe vaak komt discriminatie niet voort uit instinctieve walging? En waardoor is die reflex dan ontstaan?

Zijn boek werd alleen geschreven in een tergend onleesbaar academees. Alleen die poging al om mij buiten te sluiten, roept afschuw op bij mij, en dus een misschien wel overdreven felle tegenreactie. En dan heb ik het geluk dus dat filosofen de wereld bijna altijd in veel te steriele schema’s proberen te dwingen, in plaats van echt te willen beschrijven wat er speelt. Zodat fundamentele kritiek hebben vaak wel heel simpel wordt.

Daniel Kelly, Yuck!
The Nature and Moral Significance of Disgust

194 pagina’s
MIT Press, 2011