Vincent plast op de grond ~ W.A. Wagenaar

Een boek als dit dwingt me ook om na te denken waar dit boeklog voor staat. Doe ik aan voorlichting, of telt alleen mijn eigen mening hier? Want, Vincent plast op de grond zal voor menigeen nieuwe, en pijnlijke feiten, bevatten, maar voor mijzelf geldt dat veel minder. Wagenaar heeft namelijk vaker over precies dezelfde problemen in het strafrecht geschreven, al dan niet met anderen. Veel indrukwekkender is bijvoorbeeld het boek Dubieuze zaken dat ik hier morgen zal bespreken.

Bovendien vertelde Wagenaar de meeste aardige details uit dit boek al in het radio-interview dat hij gaf aan Theodor Holman. Wie dat beluistert, hoeft dit boek eigenlijk niet meer te lezen om de boodschap mee te krijgen.

Dus, wat hier te schrijven?

Allereerst dan maar dat het geen feest is om dit boek te lezen, tekstueel. Wagenaar wordt in strafzaken vaak opgeroepen als wetenschappelijk deskundige, en moet dan bijvoorbeeld pogen duidelijkheid te geven of getuigen iets kunnen hebben waargenomen of niet. Van zijn bevindingen doet hij dan verslag in een briefrapport. Daarvan schrijft hij er gemiddeld zo’n vijftig per jaar. En elf van die rapporten staan bijna volledig in dit boek.

Nooit gaan die over zaken die al uitgebreid de media hebben gehaald. Maar juist door de alledaagsheid komen de juridische fouten die gemaakt zijn des te harder aan. Terloops worden heel wat levens verwoest, terwijl dat makkelijk voorkomen had kunnen worden als de feiten hadden mogen spreken.

Maar, ook al zijn de zaken geanonimiseerd, en ingeleid zodat de lezer begrijpen kan waarover het gaat, die rapporten staan daar dus wel in al hun dorre zakelijkheid. Bovendien komen dezelfde problemen in de rechtsgang steeds weer terug, zodat dit werk misschien eerder een leerboek is dan een leesboek. Herhaling moet immers, volgens elke onderwijsmethode.

Enfin.

Dus, hoewel Vincent plast op de grond weinig meer is dan een poging iets uitgebreider en populairder te behandelen wat in Dubieuze zaken al veel fundamenteler aan de orde komt, trekt Wagenaar wel genoeg angstwekkende conclusies over het strafrecht om dit een belangwekkend boek te noemen.

Waarom kan in Nederland iemand veroordeeld worden op bewijs van horen zeggen? Waarom krijgen advocaten meestal alleen maar de deskundigenrapporten te lezen, als zij zelf die deskundige hebben ingehuurd? Waar zijn de ‘checks and balances’ in een rechtssysteem waarin het Openbaar Ministerie zich steeds meer ontpopt als partijdige aanklager, in plaats van de neutrale instantie die het zou horen te zijn?

wordt vervolgd

W.A. Wagenaar, Vincent plast op de grond
Nachtmerries in het Nederlands recht
238 pagina’s
Uitgeverij Bert Bakker © 2006


Dubieuze zaken ~ H.F.M. Crombag ea

Het is een belangrijke categorie, de boeken die me helpen mijn leven te veranderen. Maar het aantal boeken met zo veel invloed blijft gering. Al was dit er toch zo éen. Deze bespreking zal daarom minder over de inhoud gaan, dan over wat die inhoud met me deed.

Midden jaren negentig verdiende ik bij als rechtbankverslaggever. En vrij plots lukte me dat werk niet meer. Dat kwam enerzijds omdat ik op stukloon werkte, en soms dagen vergeefs in de rechtbank moest doorbrengen zonder dat dit me bruikbare kopij opleverde. Maar ook had ik nogal wat elementaire vragen over wat zich daar voor mijn ogen afspeelde. Vragen die de advocaten en rechters waar ik mee babbelde nooit goed wisten te beantwoorden.

Dit boek deed dat wel, voor een deel. En ook door me af te vragen wat er allemaal niet in Dubieuze zaken staat, trok ik uiteindelijk mijn conclusies.

Een paar maal gebruiken de auteurs in dit boek het woord schandelijk, om aan te geven hoe zij denken over enkele basale missers in strafprocessen; die te vaak optreden om niet op systeemfouten te wijzen.

Ik herinner me nog indertijd gedacht te hebben: maar hun boek gaat nog over simpele, tamelijk eenduidige zaken; hoe vervelend misschien die ook uitpakken voor de betrokkenen. Maar als het op dit eenvoudige niveau in het strafrecht al mis gaat, wat betekent dat dan voor de behandeling van meer ingewikkelde zaken? Wat als er in de rechtszaal nu eens echt meer kennis nodig is dan de vraag welk artikel in het Wetboek van Strafrecht overtreden werd?

Het boek Dubieuze zaken laat volgens mij twee dingen zien. De eerste conclusie moet wel luiden dat alle juristerij hier een ‘closed shop’ is. Alleen open voor ingewijden, die het argot hebben leren spreken en de rituelen onderschrijven. En toevallig zijn de mores hier dat de meeste strafzaken afgehandeld worden door de onervaren jongmaatjes op de advocatenkantoren, vanwege niet lucratief genoeg.

De auteurs tonen feilloos aan welke beroepsblindheid door al dit kan optreden. Zelfs in die relatief eenvoudige strafzaken gaat het alle betrokken er meestal meer om of alles van de juiste juridische etiketten is voorzien, dan werkelijk om waarheidsvinding.

Dit geldt helemaal wanneer beroep wordt aangetekend tegen een uitspraak. Tot aan de hoogste rechtsprekende instantie aan toe gaat het er dan alleen om of eerder de juiste procedures zijn gevolgd. Nooit wordt dan het eerste proces overgedaan.

De tweede conclusie is voor mij dat er nauwelijks buitenstaanders zijn, die zo goed ingevoerd zijn dat ze met redenen omklede kritiek op het rechtssysteem kunnen uiten. De auteurs zijn wel zo ervaren. Gisteren beschreef ik hier hoe W.A. Wagenaar gemiddeld zo’n vijftig keer als getuige-deskundige in strafzaken rapport uitbrengt. Maar alleen al dat Wagenaar veertien jaar later een boek kan schrijven, met precies dezelfde klachten als in 1992, laat zien dat kritiek van buiten geen enkel effect heeft.

Ook al is die kritiek heel fundamenteel.

Want, dat blijft de grote kracht van Dubieuze zaken. In dit boek wordt doorgenomen hoe een strafproces verloopt, van het moment dat de politie een melding onderzoekt, tot er een uitspraak van een rechter ligt. En daarbij worden dan andere redeneersystemen, uit de psychologie of de logica, afgezet tegen de zo gebruikelijke juridische manier van denken.

Het is dan ook geen eenvoudig boek.

En steeds weer blijkt dat er wel veiligheidsvoorzieningen zijn ingebouwd in het systeem, maar dat die in de praktijk heel simpel genegeerd kunnen worden. Politiemensen spelen bijvoorbeeld nog regelmatig alvast zelf maar voor rechter, terwijl dat hun taak niet is. Wel verzamelen ze bewijs dat voor de schuld van een verdachte pleit, om dan na te laten ook ontkrachtende informatie te toetsen.

Zo’n zelfde verenging van de werkelijkheid vindt plaats als de officier van justitie het pleidooi voor de strafeis opzet.

En tenslotte weet de rechter al tijdens een zitting of een verdachte een strafblad heeft of niet. Iets dat in andere landen niet zo is, omdat daar geoordeeld wordt dat de rechtbank met die kennis niet meer neutraal over iemands onschuld kan oordelen. Daar speelt een strafblad pas mee in de strafmaat, als iemand schuldig wordt verklaard.

Zo is er meer. Veel meer.

Het mag haast een wonder heten dat er in een kleine 90% van de zaken zo weinig twijfel over schuld en schuldige is, dat daarin niets kan misgaan.

H.F.M. Crombag, P.J. van Koppen en W.A. Wagenaar, Dubieuze zaken
De psychologie van het strafrechtelijk bewijs
500 pagina’s
Uitgeverij Olympus © 2005, oorspronkelijk 1992

Crisis in de rechtstaat ~ Britta Böhler

Goed aan dit boek is dat het heel principieel uitlegt wat een rechtstaat hoort te zijn. Ook al betekende dit voor mij als ingevoerde lezer, dat er heel wat informatie instond die me al bekend was.

Boeiender vond ik het daarom als Böhler ingaat op wat die rechtstaat hier bedreigt. In haar ogen is dat onder meer de grote politieke druk op het openbaar ministerie om te scoren.

Böhler en haar kantoorgenoten waren advocaat in een aantal spraakmakende zaken. Zo verdedigde zij ene Volkert van der G., en maakt haar verslag over die zaak duidelijk hoe zeer hier iemand al gestraft kan worden voor de rechter gevonnist heeft. Van der G. ging zelfs in hongerstaking om betere leefomstandigheden af te dwingen, in zijn cel.

Maar het meest nog sprak mij de tweede helft van dit boek aan, als Böhler bijvoorbeeld signaleert hoe laag het percentage opgeloste misdaden in Nederland is. Vergeleken met buurlanden. En hoe het ministerie van Justitie de efficiëntie denkt te verhogen, door te bezuinigen.

Zo zijn de verschillende parketten op stukloon gezet, en hangt hun financiering dus ineens af van het aantal behandelde zaken.

Ook wilde minister Donner af de bescherming van verdachten beperken.

En ook de maatregelen die genomen zijn tegen de dreiging van het moslimterrorisme stemmen Britta Böhler niet vrolijk:

Het lijkt erop dat politiek en bestuur geen ander middel tegen misdaad en terrorisme kunnen of willen bedenken dan repressie. En dat terwijl het bij veel maatregelen op zijn minst discutabel is of zij wel geschikt zijn om er criminaliteit en terrorisme mee te bestrijden. Van de maatregelen die de afgelopen tijd onder het motto ‘meer veiligheid’ zijn genomen, hebben de meeste ervan beperkingen van fundamentele rechten tot gevolg.

Hiermee is het zeer fundamentele probleem dat dit boek zo duidelijk aansnijdt misschien in twee zinnen samen te vatten. De meeste mensen vinden het niet erg om vrijheden in te leveren omdat zij stellen nooit iets verkeerds te doen. Maar daarbij vertrouwen ze er ten onrechte op dat de rechterlijke macht hun onschuld ook altijd herkennen zal.

Daar is de kwaliteit van de rechtstaat helaas niet naar. Zoals ook andere boeken bewijzen in de categorie recht hier besproken.

Er nog van afgezien dat grondrechten bestaan om overheden te beperken in hun drang tot controle.

meer Britta Böhler op boeklog
meer Britta Böhler op eamelje.net

Britta Böhler, Crisis in de rechtstaat
Spraakmakende zaken, verborgen processen

288 pagina’s
Uitgeverij De Arbeiderspers © 2004


Reckoning With Risk ~ Gerd Gigerenzer

Een boek kan dus ook gewoon zo belangrijk zijn dat ik het iedereen dringend aanbeveel om te lezen, zonder dat het per se als boek nu zo geslaagd is. Reckoning with Risk biedt ons namelijk nuttig gereedschap om risico’s beter te kunnen inschatten. Dat is weliswaar niet eenvoudig, maar het lijkt me wel noodzakelijk.

Gigerenzer toont namelijk op nogal confronterende wijze aan hoe weinig verstand wij allen hebben van statistiek. Nu is dit nog niet zo’n ramp als iemand van ons zeker weet ooit de lotto te winnen door elke week hetzelfde rijtje te spelen. Nogal wat pijnlijker is het dat professionals die over levens beslissen, zoals doktoren en rechters, meestal geen enkel idee blijken te hebben van waarschijnlijkheden en foutenmarges.

Elk jaar worden in Duitsland bij zo’n 100.000 vrouwen om niets delen van hun borst verwijderd, omdat de test om naar kanker te zoeken niet deugt [cijfers van 2002]. Mammografieën geven vaker een valse positieve uitslag dan dat ze werkelijk tumoren aantonen.

Een vergelijkbaar probleem is er met HIV-testen. Gigerenzer toont aan dat als iemand niet tot een risicogroep behoort er waarschijnlijk 50% kans is dat een positieve HIV-test niet klopt. Jammer voor al die mensen die dat nooit vertelt werd, en uit wanhoop zelfmoord pleegden om de aftakeling voor te zijn.

Ook van favoriet forensisch gereedschap, als de vingerafdruk en de DNA-test, weet de schrijver doeltreffend aan te geven wanneer die als bewijs in een rechtszaak tekort schieten.

En goed, dan is het zo dat eigenlijk wel volstaan kan worden om alleen het eerste en het laatste hoofdzaak van dit boek te lezen. Bijna alles komt namelijk minstens drie keer langs.

Maar toch.

Gerd Gigerenzer, Reckoning With Risk
Learning to Live With Uncertainty

310 pagina’s
Penguin Books © 2002

Slapende rechter ~ W.A. Wagenaar, H.Israëls, P.J. van Koppen

Rechters mogen juridisch dan uitmuntend onderlegd zijn, dit betekent alleen niet dat ze ook kunnen denken. Aan dat aspect is namelijk in hun opleiding nooit aandacht besteed. Helaas. Omdat door die onnozelheid onschuldige mensen veroordeeld worden voor misdaden die ze nooit gepleegd kunnen hebben.

Dat is de tenminste de these die verdedigd wordt in dit boek. De slapende rechter bevat daarom onder meer beschrijvingen van een aantal zaken waarin de rechterlijke macht zich tamelijk stupide toonde, of anders wel politie en het Openbaar ministerie opzichtig in de fout gingen; zonder dat dit werd opgemerkt tijdens de rechtsgang. Voor een deel zijn dit processen die in Nederland veel media-aandacht trokken de afgelopen jaren, zoals de Schiedammer parkmoord, en de Eper incestzaak. Daarnaast staan er enkele onbekendere zaken in, waarvan éen ook aan bod kwam in Wagenaar’s vrij recente boek Vincent plast op de grond.

Zo bezien verschilt dit boek niet heel erg van het eerder geboeklogde Dubieuze zaken, en Vincent plast op de grond. De extra waarde van deze uitgave zat hem voor mij vooral in de conclusies van de slothoofdstukken. Daarin proberen Wagenaar, Israëls, en Van Koppen aan te tonen dat de werkwijze van rechters in Nederland principieel niet deugt. Die ‘strepen’ namelijk. Ofwel, rechters kijken naar wat er allemaal voor bezwarends tegen een verdachte is ingebracht, en negeren vervolgens daarbij maar gewoon wat hen voor een helder vonnis niet uitkomt.

Dus wegen wel de verklaringen mee waar een overtreding op te plakken is uit het wetboek van strafrecht, maar negeren rechters voor het gemak de verklaringen van dezelfde getuigen die voor elke weldenkende buitenstaander aantonen dat deze maar wat fantaseerden.

En als er vervolgens beroep is aangetekend, telt voor een hogere rechter alleen of een vonnis juridisch wel deugt. Een rechtszaak wordt nooit in zijn geheel overgedaan.

Dus laken de auteurs aan het eind van vele hoofdstukken ook de Hoge Raad; het hoogste rechtscollege in Nederland. Daarin hebben nogal wat carrièrejuristen zitting, die niet zelden enige verantwoordelijkheid droegen in falikant verkeerd afgelopen zaken. Door deze betrokkenheid, of die van nauwe collega’s, worden problemen te makkelijk toegedekt, of weggewoven, is de stelling. Wagenaar, Israëls, en Van Koppen willen daarom dat er een onafhankelijk bestuursorgaan komt, slechts voor een minderheid uit juristen bestaand, met de macht om te oordelen of een proces helemaal opnieuw gevoerd moet worden of niet.

Uit reacties op dit boek bleek al dat het gilde van rechters de zo fundamentele kritiek op hun gebrekkige functioneren — en de onderliggende systeemfouten daarbij — overdreven, zo niet kwetsend vond. Dat is ook niet raar. En kan zelfs net anders. Bij zaken die enorm in de publiciteit zijn uitgemeten, zoals de Schiedammer parkmoord, kon er nog niet het geringste verontschuldiginkje vanaf dat fouten waren gemaakt.

Wel schijnen er nu cursusjes te komen om het zittende personeel iets bij te brengen over logica, en wetenschappelijk denken. Cursusjes goed van eten en drinken, ongetwijfeld. Leer mij de bedrijven kennen die bijscholing aanbieden.

Het punt is alleen, als Wagenaar, Van Koppen, en Israëls gelijk hebben — en daarvan hebben ze mij wel overtuigd — maakt het niet uit wat de rechterlijke macht vindt. Dan is de beroepsblindheid daar zo totaal, dat geen reactie van rechters ooit anders dan onkennend kan zijn. Nee, andersom. Dan hebben buitenstaanders zelfs geen onderbouwde mening te hebben over wat er in de rechtszaal wordt misgepeuterd.

En dit alleen al toont de deformatie daar.

W.A. Wagenaar, H.Israëls, P.J. van Koppen, De slapende rechter
Waarom het veroordelen van burgers niet alleen
aan de rechter kan worden overgelaten
240 pagina’s
Bert Bakker, 2009

Hoe een CIA-agent zijn geheugen hervond ~ Harald Merckelbach & Marco Jelicic

Er zijn momenten waarop wat iemands zich herinnert, of wat diens verbeeldingskracht produceert, bijzonder veel uitmaakt voor een leven.

Merckelbach & Jelicic keken onder meer naar wat er gebeurde in de rechtszaak tegen Ina Post. Dat is een bejaardenverzorgster die in 1987 veroordeeld werd op doodslag van éen van de ouderen die ze hielp. Maar die daarbij weleens onder een veel te zware druk de bekentenissen kan hebben gedaan, die tot de veroordeling leidden.

Ze heeft de persoonlijkheid om makkelijk in andermans verhalen mee te gaan, en het anderen naar de zin te maken, volgens de onderzoekers. En bij een urenlang verhoor levert dat vertekende uitkomsten op. Dus zeggen haar bekentenissen niet per se iets.

Pas recent heeft de rechterlijke macht in Nederland die fout eindelijk rechtgezet. Slechts ten koste van een grotendeels verwoest leven.

Tegelijk zijn er ook mensen die geheugenverlies, of andere mentale moeilijkheden, faken omdat ze daar beter van kunnen worden. Uitkeringen, verzekeringsgelden, of verblijfsvergunningen, kunnen heel goed afhangen van een valse verklaring.

Om nog maar te zwijgen over gerechtelijke vervolging, in zaken zoals die tegen een dictator Pinochet; een man die voorwendde niets meer te weten.

Hoe een CIA-agent zijn geheugen hervond is een rijk boek. De auteurs wisselen in dit boek case studies af met beschouwingen over wat bekend is over het autobiografische geheugen.

Merckelbach schreef alleen eerder wel de studie Hervonden herinneringen en andere misverstanden, samen met H.F.M. Crombag. En dus gaat ook dit boek van hem en Jelicic voor een deel daarover. Het is vanzelfsprekend nogal een pijnlijk gegeven dat heel wat rechtszaken over sexueel misbruik voortkwamen uit onbenul van bemoeizuchtige hulpverleners. Die koppelden te snel de klachten van hun vrouwelijke cliënten aan onverwerkte problemen uit het verleden. En zadelden deze zo op met valse herinneringen aan verkrachtingen door familieleden.

Opnieuw laat Merckelbach zien dat totale verdringing van onaangename herinneringen niet bestaat. Dat hebben mensen als de overlevenden van de concentratiekampen wel bewezen.

Enfin. Op het kaft van dit boek noemt misdaadverslaggever Peter de Vries het ‘verplichte literatuur’; en dat zal zijn omdat er nogal wat gerechtelijke dwalingen in het boek voorkomen. En ja, verplichte literatuur mag dit boek heten voor wie nooit over de besproken onderwerpen heeft nagedacht.

Voor mij leverde het een wat wisselende leeservaring op. Zo kende ik Hervonden herinneringen en andere misverstanden al, en nog vele andere boeken over het geheugen, of over problemen in de rechtspraak. Ik las vooral nieuws als het ging om wat er te testen is over iemands manier van functioneren, en hoe dit dan gebeurt.

Vraag ik me daarbij wel af in hoeverre ze alle informatie hebben gegeven over die testen; en of dit niet ook een soort handboek voor simulanten is geworden.

Harald Merckelbach & Marco Jelicic
Hoe een CIA-agent zijn geheugen hervond
En andere waargebeurde verhalen

375 pagina’s
Olympus, 2005, 2007

Broddelwerk ~ W.A. Wagenaar

Eens in de zo veel tijd schrijft de rechtspsycholoog W.A. Wagenaar een boek over misstanden in het Nederlandse strafrecht. Of anders doen geleerde collega’s als H.F.M. Crombag en H.L.G.J. Merkelback dit wel. Het zou te ver voeren om al deze boeken uitwisselbaar te noemen. Maar, in de kern zijn ze wel degelijk het zelfde.

Dus moest ik deze boeken maar weer een tijdje negeren.

De problemen veranderen namelijk niet.

Politie gaat bij de opsporing door ingeslepen gewoonten makkelijk zelf op de stoel van de rechter zitten, en doet dan te weinig moeite na te gaan of iemand ook onschuldig zou kunnen zijn. Bij het Openbaar ministerie treedt makkelijk eenzelfde tunnelvisie op. En de rechters tenslotte hebben slechts juridische kennis, en zijn verder onvoldoende opgeleid om andere manieren van waarheidsvinding te gebruiken; wat alleen maakt dat geraadpleegde experts te slaafs worden vertrouwd.

Ook valt op dat deze zo fundamentele aanmerkingen genegeerd worden door de bekritiseerden. Vooral juristen denken dat geen mens verstand kan hebben van hun vakgebied, dan iemand met dezelfde hersenspoeling als zij. Misschien lijkt dit hard uitgedrukt; maar sektarisch is hun onverschilligheid voor harde kennis wel degelijk.

Wagenaar beschrijft in Broddelwerk onder meer wat er misging in een veelbesproken proces als de zaak tegen de vroegere Heineken-ontvoerder Holleeder. Ook is er aandacht voor de afwikkeling van de Schipholbrand — die plaatsvond in de barakken met gevangenen die het land zouden worden uitgezet. En bij uitzondering werd ook het Joegoslavië-tribunaal kritisch bekeken, hoewel dat strikt genomen hoogstens in Nederland gevestigd is. Dit tribunaal negeerde slechts voor het gemak alle kennis die er is om te voorkomen dat getuigen beïnvloed worden bij het aanwijzen en herkennen van verdachten.

Een heel boekdeel is gewijd aan de problemen die kleven aan de herinneringen van verdachten en vooral getuigen. En vanzelfsprekend zegt Wagenaar daarbij niet veel anders dan wat Merkckelbach al zo veel uitgebreider behandelde in het boek Hoe een CIA-agent zijn geheugen hervond. Zij het dat hij ook ingaat op wat tijdelijk het geheugen kan verstoren:

Uit de epidemiologie van crimineel gedrag blijkt dat bij de helft van alle misdrijven alcoholmisbruik in het spel is. Het is daarom van groot belang dat al degenen die bij opsporing en vervolging betrokken zijn een goed beeld hebben van wat alcohol met mensen doet. Doordat de meeste functionarissen ook zelf alcohol gebruiken, zou men denken dat de bekendheid wel voldoende zal zijn. Dit is echter een misvatting; […] [113-114]

Wie veel alcohol drinkt, stopt daardoor op een gegeven moment met het opslaan van blijvende herinneringen, schrijft Wagenaar. Het kan dus heel goed zijn dat betrokkenen zich later niets meer van gebeurtenissen herinneren; die juist plaatsvonden omdat ze ook al hun normale remmingen verloren.

Het slothoofdstuk van dit boek is ingeruimd voor aanbevelingen. Daarbij doet Wagenaar nogmaals zijn best om aan te tonen dat veel van wat in de opspring en vervolging praktijk is eerder uit slechte gewoonten voortkomt, dan dat er wetten zijn die dat gedrag opleggen. ‘Demonen’ noemt hij die slechte gewoonten.

Maar ook dit boek besluit weer met de treurige conclusie dat het maatschappelijke debat over zulk ingesleten fouten nog altijd moet beginnen.

W.A. Wagenaar, Broddelwerk
Over geklungel in het strafrechtelijk onderzoek

240 pagina’s
Bert Bakker, 2010

Er werd mij verteld, over Lucia de B. ~ Metta de Noo

De kille feiten over de schandalige rechtszaak tegen de verpleegkunde Lucia de Berk zijn inmiddels wel bekend. Zij kreeg in 2003 levenslang, en TBS, omdat ze vijf patiënten vermoord zou hebben, en had geprobeerd twee anderen om te brengen.

Maar in 2010 werd ze van alle blaam vrijgesproken, omdat er helemaal geen misdrijven hadden plaatsgevonden. In elk ziekenhuis gaan mensen dood. De statisticus Richard Gill stelt zelfs dat éen op de negen ervaren verpleegkundigen of artsen zo’n reeks aan sterfgevallen onder patiënten kan meemaken, als Lucia de Berk is overkomen.

Tegen haar werd in 2003 juist als bewijs aangevoerd, door een statisticus die helemaal geen deskundig statisticus bleek te zijn, dat er slechts een kans van 1 op 342 miljoen was op zo veel doden.

Dus wordt een voor mij vraag waarom de idiote verklaring van deze deskundige zo veel gewicht heeft gekregen. En waarom rechters zo blind tegen Lucia de Berk hebben gekozen. En wat dit dan weer zegt over de kwaliteit van de Nederlandse rechtspraak.

Er werd mij verteld, over Lucia de B. is éen van de boeken die inmiddels over de zaak werd geschreven. Er zullen vast nog meer volgen. Dit boek vertelt het persoonlijke verhaal van iemand die, haars ondanks, bij deze zaak betrokken raakte, in het geweer kwam, en een organisatie hielp oprichten om Lucia de Berk op een gecoördineerde manier steun te bieden.

Metta de Noo was verpleeghuisarts, en ging later leiding geven in de geestelijke gezondheidszorg. Voor haar woog steeds zwaarder dat ze het bewijs voor de aantijgingen tegen Lucia de B. moeilijk kon geloven. En als deze vrouw dus onschuldig was, zou haar veroordeling alle verpleegkundigen vogelvrij maken. Wie kan zich dan wel verweren tegen de aanklacht dat er een verband is tussen een reeks sterfgevallen op de werkplek, als iedereen per se dat verband wil zien, ook al bestaat het helemaal niet?

Pijnlijk detail voor de auteur is daarbij dat haar schoonzus betrokken was bij de aangifte die het ziekenhuis heeft gedaan van de moorden — die dus nooit hadden plaatsgevonden. En deze vrouw had zich in die periode een tijdje laten opnemen, om psychiatrische klachten.

Dit boek had enige redactie verdiend; zaken worden nogal eens herhaald; nieuwe hoofdstukken beginnen vaak in een nieuw jaar zonder dat daarbij meteen een jaartal genoemd wordt. Maar ik las het ook vooral om de waarnemingen van Metta de Noo. Zoals die over het medische onbenul bij de rechterlijke macht, waardoor getuige-deskundigen overdreven veel invloed kregen; en het er daarbij eerder om ging of deze een goede kennis was van iemand, dan of ze goede kennis bezaten.

Ook illustreert het boek pijnlijk wat hier vaker gesignaleerd is. Bewijzen of zaken die tegen iemands schuld pleiten, worden door rechters maar al te makkelijk genegeerd. En goed, dan is er in 90% van de rechtszaken geen twijfel over schuld of schuldige. Het gaat erom dat in de 10% van de andere zaken, die even wat moeilijker zijn, rechters kundigheid en vaardigheden ontberen.

Daardoor kan iemand hier levenslang krijgen, voor misdaden die niet eens hebben plaatsgevonden.

Metta de Noo, Er werd mij verteld, over Lucia de B.
De klok, de klepel, en de klokkenluider
Met een voorwoord van Maarten ’t Hart

334 pagina’s
Aspekt, 2010

Ware toedracht ~ Ton Derksen

Derksen werd bij het grote publiek bekend door het boek Lucia de B. [1]. Daarin stelde hij principiële vragen over hoe de rechtszaken gevoerd werden tegen deze van seriemoord verdachte verpleegkundige. Zulke fundamentele vragen waren dit, dat er een beweging ontstond om de zaak tegen Lucia te heropenen.

Daarop bleek dat de moorden niet eens bestonden, maar zowel Openbaar Ministerie als rechterlijke macht blind waren geweest in hun drang tot vervolging. Overtuigd van de schuld van Lucia de Berk, moest zij wel schuldig zijn. Ook al bestonden de misdaden die zij gepleegd zou hebben slechts op papier, en in hun hoofden.

In het boek De ware toedracht biedt Derksen een afstandelijker inleiding in wat er speelt als mensen op zoek naar de waarheid gaan. Hoe vooroordelen hun blik daarbij kleuren. En waardoor er daarbij verdere blikvernauwing optreedt.

Daarbij richtte hij zich in eerste instantie op de keten politie, Openbaar Ministerie, en rechterlijke macht. Veel van voorbeelden die Derksen toepast bestaan uit principiële missers in rechtszaken. Nogal wat daarvan kwamen overigens in eerder op boeklog besproken titels langs.

Meest opvallend aan dit boek vond ik de geringe aandacht die Derksen besteedde aan statistiek als hulpmiddel om nader tot de waarheid te komen. Al is daar over te zeggen dat zaken als kansberekening soms zo tegen onze intuïtie ingaan, dat onoordeelkundig gebruik zelfs behoorlijk gevaarlijk is.

Lucia de B. werd juist veroordeeld doordat een getuige-deskundige met hulp van statistiek had ‘aangetoond’ dat het vrijwel onmogelijk was dat er zo veel doden konden vallen tijdens iemands diensten.

Belangrijkste hoofdstukken in dit boek staan dan ook in het eerste deel. Dat gaat over de noodzaak om bij onderzoek open te blijven staan voor het bestaan van alternatieve scenario’s; die evenzogoed een verklaring kunnen bieden.

Tegelijk is dat misschien wel een onmogelijke eis. Ook Derksen behandelt de effecten van ‘priming’.

Veel van wat wij beslissen gaat buiten ons bewustzijn om. En het lijkt me dat we nu pas beginnen te beseffen wat dit betekent. En hoogstens een miniem begin hebben aan ideeën om de negatieve gevolgen van priming weg te nemen.

Ton Derksen, De ware toedracht
Praktische wetenschapsfilosofie voor waarheidszoekers
271 pagina’s
Uitgeverij Veen Magazines, 2010
  1. zijn vrouw schreef later het boek Er werd mij verteld []

Staatshotel ~ Simone van der Zee

Waarom sluiten we mensen op voor een tijd, als een rechter bepaald heeft dat ze straf verdienen? Simone van der Zee stelt deze vraag niet in haar boek; tenminste niet direct. En toch lijkt het me een wezenlijke vraag.

Ongetwijfeld bestaan gevangenissen allereerst omdat het traditie is om mensen gevangen te zetten als ze veroordeeld zijn, of als ze nog op een straf wachten. De samenleving verwacht nu eenmaal dat er iets met zulke mensen gebeurt. En omdat inmiddels inhumaan is geworden om veroordeelden van aarde te laten verdwijnen, moesten ze dan gewoon maar een tijd uit het zicht.

Tegelijk heeft het gevangenisstelsel behoorlijk wat problemen. Dat is een karaktereigenschap die het overigens deelt met al die andere grootschalige instellingen bedacht om een maatschappelijk vraagstuk op te lossen. Neem de scholen, neem de ziekenhuizen. Allemaal moeten ze mensen beter maken dan ze waren. Allemaal falen ze daarbij in meer of mindere mate door hun industriële aanpak — standaardantwoorden zijn regel, maatwerk ontbreekt, ook al omdat inzicht in wat het beste werkt vaak niet eens bestaat.

Het staatshotel van Simone van der Zee geeft een ontluisterende beschrijving van het gevangenissysteem in Nederland. Goed aan haar boek is vooral dat ze toont wie er zoal in de gevangenis belanden. En wat de opsluiting dan met deze personen doet.

Daartoe past ze de kunstgreep toe door de verhalen van zeven zeer verschillende mensen te mengen door haar verder puur zakelijke betoog. Waarbij opvalt dat onder die zeven maar éen berekenende misdadiger zit. Al zullen lezers van een zekere politieke kleur zeker weten dat die asielzoeker karakterologisch evenmin deugt.

De overige vijf hebben een verhaal; kampen met een kleine afwijking van het gemiddelde. Waar ze geen last van zouden hoeven hebben, maar waardoor ze uiteindelijk toch in de problemen raakten. Een gegeven dat impliciet aangeeft dat werkelijk iedereen de fout in kan gaan.

En daar zit natuurlijk de crux in het denken over wat de gevangenis moet zijn, en doen. De cognitieve dissonantie lijkt me nogal groot bij dit onderwerp.

Dezelfde mensen en dezelfde media die altijd klagen dat rechters te lage gevangenisstraffen opleggen, zijn doorgaans bijvoorbeeld ook de felste tegenstanders van hoge boetes op verkeersovertredingen. Die beseffen dus niet wat zij zeggen zodra ze op hoge toon strengere straffen eisen. Alleen wat anderen fout doen telt.

Ondertussen is Nederland een land met zwaar straffende rechters, vergeleken met de rest van Europa. Ook het tal gevangenen per 100.000 inwoners is in verhouding erg hoog; al neemt dat sinds enkele jaren weer wat af. [1]

Simone van der Zee schreef verder nauwelijks over het merkwaardige systeem hier dat levenslange gevangenisstraf in principe niet bestaat, maar dat mensen wel levenslang opgesloten kunnen worden als psychiatrisch geval. Ter beschikking gesteld aan de regering [TBS]. Waarbij deskundigen eens in de zoveel tijd oordelen of iemand klaar is voor een terugkeer in de maatschappij.

Zo’n strafsysteem, waarin vooraf onbekend is hoelang de straf uiteindelijk duurt, bestaat verder nergens.

Bovendien is het duur. Van der Zee noemt een getal van tweehonderd euro per dag voor de opsluiting van een gewone gevangene. TBS-ers kosten de staat drie keer zo veel.

Het staatshotel had zonder veel moeite een ‘j’accuse’ kunnen zijn tegen een systeem met wel heel merkwaardige kantjes. En juist daardoor valt op dat de Van der Zee veel omfloerster kritiek geeft. Zij biedt allereerst feiten, en vertrouwt er daarbij op dat de lezer die zelf naar waarde kan schatten.

Want worden mensen bijvoorbeeld betere mensen in de gevangenis?

Van de dertigduizend gedetineerden die elk jaar vrijkomen, verdwijnt driekwart weer in de criminaliteit. En waarschijnlijk ligt dit percentage hoger, want niet iedereen komt opnieuw voor de rechter.

Andere onderzoekers noemen de gevangenis dan ook de Facebook van de criminaliteit — wie nog niet zo veel wist over criminaliteit kan eenmaal opgesloten leuke contacten opdoen, en daarbij veel leren.

Het systeem is ook niet ingericht om recidive te voorkomen.

En voor zover er al voorzieningen waren om de terugkeer in de samenleving te vergemakkelijken van ex-gedetineerden worden die wegbezuinigd. Terwijl er mensen vrijkomen die nog nooit met een euro betaald hebben. Laat staan dat ze weet hebben van DigiD, of andere zaken die ze moeten gebruiken als gewoon burger.

Zulke ex-gedetineerden redden het alleen als ze een sterk sociaal netwerk hebben buiten de gevangenis. Terwijl voor de meesten zal gelden dat juist een gebrek aan zo’n veilige omgeving maakte dat ze ooit in de fout zijn gegaan.

Stortplaats van de samenleving luidt de ondertitel van het boek dan ook. De percentages aan gedetineerden met psychiatrische problemen, of dat zwak begaafd is, overstijgen de percentages in de normale bevolking vele malen.

Simone van der Zee, Het staatshotel
De bajes, stortplaats van de samenleving

349 pagina’s
De Geus, 2012
  1. update 2 xii 2012: in Nederland tellen illegalen in vreemdelingenbewaring mee, net als minderjarigen in jeugddetentie. Elders niet. Gecorrigeerd blijkt Nederland dan ineens het minste tal gevangenen per 100.000 inwoners in Europa te hebben. []

In tegendeel ~ Hans Crombag

De bundel Integendeel van de rechtspsycholoog Crombag levert mij hier een probleem op dat recensenten voor andere media niet gauw zullen hebben. Want eigenlijk is de kern van de kritische ideeën uit het boek al uitgebreid behandeld op deze website. Zij het in boeklogjes over andere uitgaven, van andere schrijvers ook.

En waar het geen enkel probleem is om een uitgave te lezen waarvan de ideeën mij aanstaan — ook dit was weer een helder boek — kost het me merkwaardig veel moeite nog eens de inzichten te herhalen die ik al eens beschreef. Het hele boeklog-dossier recht & krom behandelt beter waar dit boek over gaat dan ik hier in kort bestek over kan doen.

Aardigste aanvulling op dat lopende dossier is dan waarschijnlijk wat Crombag aankaartte over hoe rechters vonnissen schrijven.

Want, aan veel vonnissen in strafzaken valt op dat er zo slecht in wordt uitgelegd hoe rechters tot de overtuiging zijn gekomen dat iets wettelijk of overtuigend bewezen is. Of juist niet. En daardoor blijft te vaak onduidelijk wat precies in het bewijs de doorslag gaf tot het oordeel.

Maar Crombag en zijn collega’s worden nog al eens als deskundige ingezet tijdens de rechtsgang om bewijs te wegen. Standaardkritiek van hen daarbij is bijvoorbeeld dat juristen slechts juridisch geschoold zijn, niet wetenschappelijk kunnen denken, en mede daardoor geen slechte getuige-deskundige van een goede kunnen onderscheiden.

Dus is achteraf lang altijd niet te bepalen of de rechter een goed of een slecht advies van een deskundige gevolgd heeft.

Crombag denkt mede daarom dat rechtspraak weleens vooral kan draaien om zoiets onbestemds het gevoel dat een rechter heeft over een zaak. Ook al omdat psychologisch onderzoek leert dat gevoel vaak vooraf gaat aan oordeel.

Bovendien vermoedt hij dat rechters gewoon niet willen dat anderen zien hoe zij hun beslissingen motiveren. Sterker nog, dat een vraag om een duidelijker motivatie van vonnissen eigenlijk een uiting is van een gebrek aan vertrouwen in de rechtstaat.

En dan schrijft Crombag er niet over, maar dan moet ik vooral denken denken aan die oude discussie uit de wereld van de artificiële intelligentie. Omdat nog altijd een omstreden vraag is of software beter recht zou spreken dan een menselijke rechter.

Terwijl nadenken over zo’n vraag alleen al nut heeft omdat dan ineens gewogen moet worden wat bijvoorbeeld allemaal speelt bij de bewijsvoering. Om een software-rechter te programmeren werk je namelijk niet anders dan bij het maken van een schaakspel voor de computer. Het is nodig om een puntenverdeling toe te kennen aan zaken, op basis waarvan dan de beste beslissing kan worden berekend. De ene getuigenis is alleen iets waard als aan deze en deze voorwaarde werd voldoen. Direct bewijs van deze aard gaat boven een hele reeks aan aanvullend bewijs van die aard.

Sterker nog, net als bij schaakprogramma’s zou ook een software-rechter van een database gebruik moeten maken, met daarin alle soorten aan bewijs dat al eens in een rechtszaak gebruikt is. Vergelijkbare zaken zouden dan vergelijkbare veroordelingen moeten opleveren.

Wat Crombag en de anderen doen in hun kritiek op de mores van rechters is niet anders dan wat speelde tijdens de discussie over software als rechter. Er zijn wetenschappelijke methoden denkbaar om veel van wat speelt in een strafzaak door te meten, en dus delen van het strafrecht verregaand te objectiveren.

Ondertussen menen juristen nog steeds dat het volstaat om een rechter een toga aan te trekken, en net te doen alsof hij daardoor een objectieve instantie wordt; en dus geen feilbaar mens meer is.

Hans Crombag, Integendeel
Over psychologie en recht

266 pagina’s
Contact, 2010

Rechter beslist ~ Herman Rottier

Het dossiertje Recht & krom op boeklog is wat eenzijdig. Kritiek op het systeem overheerst. Waarbij die kritiek zich ook nog voornamelijk richt op problemen in het strafrecht. Alsof er niet ook nog bestuursrecht bestaat, of burgerlijk recht.

Dus las ik als tegenwicht De rechter beslist van Herman Rottier. Die op het moment van schrijven bestuursrechter was te Almelo. En in deze bundel een staalkaart biedt aan zaken waarover hij diende te oordelen — die dan steeds gaan over een conflict tussen burger en overheid.

Dat oordeel staat dan altijd in een volgend hoofdstukje, zodat de lezer ook even de mentale ruimte heeft gekregen om een eigen inzicht te vormen over de zaak. Bovendien blijkt daaruit dat een oordeel in beroep weleens herzien is — dat juristen op basis van dezelfde gegevens tot een ander oordeel kunnen komen.

Het recht is dan ook bedacht door mensen.

En over dit inzichtelijke boek heb ik verder geen klagen. Alleen besefte ik eens te meer nooit een goed dossier Recht & krom te krijgen op deze website. Omdat er een derde partij is in de Rechtstaat, die daaraan niet altijd evenveel gelegen laat liggen. En die heet de Wetgevende macht, volgens Montesquieu’s Trias politica.

Hoor en wederhoor volgens de klassieke regels lukt daarom hier niet. De vele vraagtekens die ik heb bij een groot aantal nieuwe wetten — onder meer omdat die menig fundamenteel rechtsbeginsel schenden — zullen nooit worden beantwoord. Omdat politici in hun memoires nooit zullen schrijven over hoe een bepaalde wet tot stand kwam. Bovendien bestaat er in Nederland niet eens een register van de lobbyisten die dagelijks mooie verhalen komen vertellen in Den Haag. Of dat lobby-register zou uit de ledenlijst van Eerste Kamer moeten bestaan, die vrijwel altijd minstens meerdere heren dienen.

Maar, op basis van een Europese richtlijnen ging de Nederlandse overheid ineens jarenlang alle verkeersdata bewaren die u en ik genereren door te bellen of internet te gebruiken. In Duitsland oordeelde het Constitutionele hof, dat daar wel bestaat, dat diezelfde EU-regels tegen de Grondwet ingaan. Omdat de overheid geen gegevens heeft vast te leggen over onschuldige burgers, die van niets worden verdacht.

Dus net als ik opmerkte over de onvrede over mijn werk ooit als rechtbankverslaggever: in De rechter beslist komen zaken aan de orde die keurig binnen het systeem passen. Waarvan de kern telkens is terug te brengen tot de vraag: is hier iemand in de fout gegaan of niet? Moet voorkomen worden dat iemand de fout zal ingaan?

Heeft de Vietnamese loempia-verkoopster recht op kinderbijslag voor een kind dat zij geadopteerd heeft in Vietnam, volgens de nationale regels daar? Moet een zwak begaafde jongen tegen diens zin in een gesloten inrichting worden opgesloten? Of opvallend vaak: is de ontvangen uitkering onterecht verstrekt, en dient deze te worden terugbetaald?

Ik merk alleen te willen nadenken over grotere zaken. Over het cynisme van alle multinationals, die Nederland gebruiken als Belasting-vrijhaven, en alle professionals hier die deze legale diefstal mogelijk maken. Over strafrechtadvocaten als een Bram Moszkowicz, die zijn intelligentie berekenend aanwendde om aan te tonen dat het systeem machteloos staat tegenover de georganiseerde misdaad.

De wet is in praktijk niet voor iedereen gelijk.

En, zoals gezegd, bij elke nieuwe wet blijft er de vraag waarom die er moest komen, en hoe de wetstekst tot stand is gekomen.

Herman Rottier, De rechter beslist
143 pagina’s
Wereldbibliotheek, 2001

Geen blad voor de mond ~ Ybo Buruma

Het recht verhoudt zich tot de democratie als het geweten tot de discussiërende en handelende mens. Hardop denkend kwam Ybo Buruma tot deze definitie, in de inleiding van zijn essaybundel Geen blad voor de mond. Om die begripsbepaling vervolgens meteen wat af te zwakken.

Want, ons collectieve morele kompas verandert weleens. Niet bij elke nieuwe regel. Maar wie, zoals ik, in het verleden met regelmaat moest eten in de sigarettenwalm van anderen is blij dat er soms wel degelijk vooruitgang bestaat.

Ook kan op heel verschillende manieren naar dat recht gekeken. Mijn probleem, als rechtbankverslaggever, werd dat ik teveel toneelstukjes zag in de rechtszaal, waarin zowel het Openbaar ministerie als de verdediging van een verdachte eerder bezig waren met etiketjes en procedures dan met iets dat op waarheidsvinding leek.

En advocaten kunnen daar doorgaans goed mee leven.

Buruma volgt liever Amartya Sen, die stelde dat de kracht van het recht sterk ondermijnd wordt als het resultaat van een procedure niet te verdedigen is – zoals bij dwalingen. Dan mogen alle procedures weliswaar perfect zijn verlopen, maar dan kan er wel een onschuldig iemand voor jaren achter tralies gaan; zoals bij Lucia de Berk.

En hoewel op boeklog in het dossier recht & krom telkens terugkomt dat in 90% van de strafzaken vrijwel niets mis kan gaan — omdat daar geen twijfel bestaat over schuld en dader — is het systeem er volgens mij nog steeds niet op ingericht om met de moeilijkheden in die resterende 10% om te gaan. Ook rechters denken te zeer alleen in juridische waarheden, en vertrouwen voor alles daarbuiten te veel op de kennis van ingehuurde deskundigen. En helaas zitten daar dan nogal wat krukken en kwakdenkers tussen.

Voor Buruma moeten rechters hun werk dan ook blijven toetsen aan diepere rechtsbeginsels.

En, ook zouden rechters zich wat minder bescheiden moeten opstellen.

Belangrijkste signalement van Buruma is, wat mij betreft, dat er iets verschuift in de rechtstaat onder invloed van politieke dadendrang. Het bestuursrecht krijgt bijvoorbeeld steeds meer invloed. De overheid wil van tevoren liefst van alles voorkomen. En preventie is vanzelfsprekend mooi, en begrijpelijk. Alleen strekt de preventie zich er inmiddels ook toe uit dat mensen iets geweigerd wordt, omdat ineens voorspeld kan worden dat hun toekomstige gedrag niet deugen zal.

Rechters oordelen en veroordeelden tot nu toe altijd achteraf. Maar ineens hebben ambtenaren bijvoorbeeld de macht gekregen om iemand te beletten een café te gaan exploiteren — bijvoorbeeld omdat er een smetje in zijn of haar verleden is. Plots kunnen er dus ook door niet-rechters veroordelingen worden uitgesproken op basis van een verwachting over toekomstig gedrag.

[Overigens zijn ook in het strafrecht inmiddels Nederlanders veroordeeld vanwege hun vermeende plannen voor een terroristische daad. Die drempel is dus ook daar overschreden.

Van hier is het nog een klein stapje maar naar het: ‘computer says no’]

En dan gaat Buruma mij nog lang niet ver genoeg in zijn signalement van wat er allemaal door overheden gedaan wordt in de naam van preventie — Nederland heeft zeker 5.000 databases waarin het gedrag van zijn bevolking wordt vastgelegd — maar hij toont tenminste benul. Dat is al zo veel meer dan de laatste twintig jaar normaal was.

Ybo Buruma is tegenwoordig raadsheer van de Hoge Raad, de hoogste rechtsprekende instantie in Nederland.

Op het moment dat hij de stukken schreef uit Geen blad voor de mond was hij hoogleraar strafrecht; en kon hij dus vrijer spreken.

Beter dan de inleiding werd het boek alleen niet meer — sterker nog, toen mij opviel dat de inleiding ook een samenvatting was van het boek viel de inhoud niet altijd mee. Soms waren de eerder al eens elders gepubliceerde stukken al te tijdsgebonden. Nu nog in twee stukken moeten lezen dat het proces van sommige lieden tegen de populist Geert Wilders kans loopt een politiek proces te worden, is aan de late kant.

Om kernwaarden gaat het bij het recht. En om de ontwikkelingen daarin. Dus is het weliswaar goed om ook Buruma uit te zien leggen waar het mis ging in de zaak tegen Lucia de Berk. Wat er goed of juist slecht is aan burgerspeurders als Peter R. de Vries. Maar dat werkt voor mij allereerst als het bijzondere dient om het meer algemene te verduidelijken.

Ybo Buruma, Geen blad voor de mond
Strafrechtspraak in Nederland

335 pagina’s
Bert Bakker, 2011

Objectieve wetgeving en subjectieve rechters ~ Bernhard Schlink en Geert Corstens

Rechten studeerde ik nooit in mijn jaren aan de universiteit, en daardoor was wat mij aan pure rechtsfilosofie werd bijgebracht altijd onderdeel van iets overkoepelends, zoals politieke filosofie. Zoals geschiedenis.

Dus keek ik als een koe naar het onweer, bij het lezen van het debat Objectieve wetgeving en subjectieve rechters. Daarin presteerden Bernhard Schlink en Geert Corstens het toch om het recht te positioneren als iets dat losstaat van de werkelijkheid waarin dat recht functioneert.

Wellicht speelde hierbij enige beroepsdeformatie.

Schlink was naast romanschrijver ook jarenlang rechter bij het Constitutionele Hof in de Duitse deelstaat Nordrhein-Westfalen. Corstens was op het moment van hun discussie eind 2010 de president van de Hoge Raad der Nederlanden.

Beide representeerden daarbij sowieso al twee verschillende juridische stelsels. Nederland mist namelijk een orgaan dat de wetten toetst die kabinet en parlement hier maken, terwijl politici toch met regelmaat meer scoringsdrang hebben dan goed is in hun wetgevende taak.

Mede daarom luidt een met regelmaat herhaalde klacht op boeklog dat mijn grondrechten sinds het begin van de jaren negentig stelselmatig zijn uitgehold.

In Duitsland bestaat die toets aan de Constitutie er dus wel — wat onder meer als gevolg had dat Europese wetgeving die in Nederland zonder enige discussie werd ingevoerd bij de Duitsers ontoelaatbaar is verklaard. Nederlandse politici vonden het geen enkel probleem om iedereen voortaan als terrorist te beschouwen, en alle communicatiegegevens van ons te laten bewaren door de telecomaanbieders en internetproviders. De Duitsers meenden dat er op zijn minst bewijs moest zijn dat zo’n verregaande maatregel ook werkelijk hielp tegen zware misdaden als terrorisme.

En dat bewijs bestaat niet.

Dat bewijs kan zelfs niet bestaan, voor wie het probleem van de risico-analyse en de kans op valse meldingen bekijkt met enige statistische kennis. Blind data verzamelen, is zo bezien volkomen nutteloos. Behalve dan dat de politici die zulks besluiten daardoor heel daadkrachtig lijken in hun aanpak van zware misdaad in de ogen van een al even ongeïnformeerde media; en daarmee het grote publiek.

En helaas ook kan dan zo hup even terloops het fundamentele principe van de rechtstaat worden afgeschaft dat de overheid geen informatie heeft vast te leggen over het gedrag van burgers die van niets zijn verdacht.

Schlink en Corstens gaan overigens nauwelijks in op een praktisch voorbeeld als ik hierboven schets. Hun betoog blijft aanzienlijk abstracter. Waardoor het mij enigszins een raadsel bleef of Geert Corstens niet ook stiekem een partijkaart draagt. Omdat zijn betoog tegen constitutionele toetsing dus een stelsel verdedigt waarin de kanker van een politiek wanbesluit onbestraft kan blijven voortwoekeren.

Bernhard Schlink poneerde onder meer dat rechters zich niet altijd meer moeten verschuilen achter de anonimiteit van de wetgeving, en desnoods best het woord ‘ik’ mogen gebruiken in hun oordelen — iets dat in de West-Europese traditie altijd taboe was. Soms is het evenwel nodig politiek een correctie aan te brengen.

Corstens stelde daar tegenover dat rechters heel goed in staat zijn om over hun eigen beperktheden heen te kijken — dus hij vindt nog meer subjectiviteit niet nodig. De euthanasiewetgeving in Nederland kwam er ondanks dat de meeste hoge juristen die daarbij een stem hadden Katholiek waren; en daarmee tegen hun eigen geweten oordeelden, voor een groter goed.

Die euthanasiewetgeving is alleen wel een reactie op het maatschappelijke gegeven dat doodzieke mensen al geholpen werden om hun lijden te beëindigen. Zo’n ontwikkeling heeft nauwelijks iets met politiek of recht te maken. Politici en juristen reageren. Daarmee is Corstens’ voorbeeld een ranzig voorbeeld; waarin juristen ineens veel hoogstaander lijken dan ze zijn.

Dus bleef ik denken: zowel politiek als recht zijn allereerst mensenwerk. En beide zijn daarmee uitermate vatbaar voor menselijke wanen en fouten, zoals imponeergedrag, machtswellust, en ook domweg onbenul. Voor mij blijft staan dat de grootste veranderingen, die eventueel om aanpassingen van wetten vragen, ergens altijd een technische oorsprong hebben, of een verschuiving in de gezamenlijke mentaliteit. Wat koop ik ervoor om rechters meer subjectiviteit toe te staan als er nergens rekenschap wordt gegeven dat er ook aanzienlijk objectiever naar zaken gekeken moet worden? Zoals bij die inmiddels terecht, zij het eindeloos veel te laat, door het Europese Hof verboden dataretentie?

Bernhard Schlink en Geert Corstens, Objectieve wetgeving en subjectieve rechters
Objective Law and Subjective Judges

94 pagina’s
Cossee, 2011

Op drijfijs ~ Willem van Bennekom

Dat het begrip rechtstaat eigenlijk voor een ideaaltoestand staat, begrijp ik ook wel. Dit probleem kleeft nu eenmaal aan zo veel woorden uit de politieke theorie. Die staan voor een uitgangspunt dat mooi is. De praktijk blijkt vervolgens aanzienlijk weerbarstiger.

Democratie is ook zo’n woord dat wel erg makkelijk gebruikt wordt.

Of anders wel vrijheid. Alle Nederlandse politieke partijen met vrijheid in hun naam, hebben namelijk een opvallende neiging de vrijheden van anderen telkens in te willen perken.

‘Rechtstaat’ zie ik als het stelsel van regels en gewoonten dat burgers beschermt tegen hun overheid. En trouwens ook tegen de misdragingen van andere burgers; dat aspect doet er alleen nu even minder toe.

En een probleem met die rechtstaat is dan zo al, dat dezelfde overheid, waartegen wij beschermd moeten worden, de regels voor de rechtstaat opstelt. En ze bewaakt.

Goed, op papier bestaat er een scheiding van machten. De Trias Politica. Waarin de rechterlijke macht onafhankelijk opereert van wetgevende macht; ofwel de politiek.

Alleen blijkt die scheiding der machten ook al niet zo absoluut te zijn als die per definitie zou horen te zijn; er is nu eenmaal verschil tussen de heldere filosofische theorie, en de moeizame menselijke praktijk.

In Op drijfijs onderzocht Willem van Bennekom mede hierom het functioneren van de Nederlandse rechtstaat. En hij kon dit doen vanuit een grondige praktijkkennis. Van Bennekom was onder meer advocaat in vluchtelingenzaken. En hij werkte daarnaast als rechter-plaatvervanger.

Zijn essay werd geen geweldig helder gestructureerd verhaal. Wat komt omdat hij vooral vanuit de anekdote — zoals een rond 2010 opzienbarende rechtszaak — probeerde te redeneren naar een ideaal.

Filosofen hebben het wat dit betreft makkelijker, die werken andersom, en passen de werkelijkheid aan hun ideeën aan.

En toch zal Op drijfijs me wel even bijblijven, omdat Van Bennekom laat zien dat die rechtstaat er nog wankeler bijstaat dan ik al vreesde.

Dat bestuursrecht in Nederland bijvoorbeeld? Sinds 1994 bedoeld om de burger meer bescherming te bieden tegen besluiten van een anonieme overheid? Dat bestuursrecht is log, en traag, en redeneert opvallend zelden in tegen de bureaucratie.

Daarbij kan het zijn dat Van Bennekom een gekleurde opinie heeft. Het Nederlandse vreemdelingenrecht is een gedrocht met absurd strenge regels, waarover het land telkens op de vingers wordt getikt door de Europese Hoven. Bovendien weet hij als advocaat van vreemdelingen dat vreemdelingen hier zelfs geheel buiten de wet staan.

De auteur laat alleen heel goed zien dat politici wel heel gretig zijn om bij bagatellen al wetswijzigingen te eisen, of zelf alvast voor te stellen.

Komt daar een mediaklimaat bij waarin met regelmaat hevige buien aan hysterie losbarsten, met daarin zo vaak rechtstreekse kritiek op een zaak, van politici zelfs, en daarmee op rechters.

Van Bennekom fakkelt mede hierom onder meer een inmiddels allang vergeten opiniestuk af van F.R. Ankersmit — dat hij nogal ongeïnformeerd vond; omdat deze geen vonnissen kan lezen. Kritiek op Ankersmit vind ik vanzelfsprekend altijd nuttig; ik heb mijn eigen problemen gehad met deze man. Kritiek ophangen aan een enkel krantenstuk is me alleen te licht en anekdotisch; wat een probleem blijft met dit kritische essay.

Net zo vond ik Van Bennekom’s opmerkingen over de invloed van de Europese Hoven, of het bestuur van de EU, op de rechtstaat, wat te vrijblijvend. Wij zijn nu eenmaal dat Europa. En Willem van Bennekom lijkt me dat wat te makkelijk te ontkennen. In zijn betoog lijkt Europa te zeer een soort vreemde bezettingsmacht, van wie de grillen nog niet helemaal bekend zijn.

Willem van Bennekom, Op drijfijs
Over het functioneren van de rechtstaat

160 pagina’s
Cossee, 2010

Journalist in de rechtszaal ~ Jac. van Veen

De meeste mensen zien van hun leven geen rechtszaal van binnen. En gelukkig ook maar. Zou je zeggen. Alleen bestaat er ook zoiets als de populaire cultuur, het massavermaak, waarin met grote regelmaat rechtszaken worden nagespeeld. Dus denkt menigeen wel degelijk verstand te hebben over hoe het eraan toe gaat, in het recht.

Hun kennis dan voornamelijk baserend op Amerikaanse TV-series.

Al kan het nog erger. SBS zendt een eigen serie uit over een advocate, Danni Lowinski, en daarvan hebben zelfs de makers duidelijk nooit een strafrechtszaak bijgewoond in Nederland. Wat dan stoort. Zelfs al ben ik het publiek niet voor SBS-series.

En ik moet toegeven, voor mij gaat het andere uiterste op. Ik heb ooit mijn geld verdiend door beroepshalve rechtszaken bij te wonen, en daar dan over te schrijven voor een persbureau. Geen idee hoeveel zaken er daardoor in mijn leven zijn langsgekomen, of hoeveel uren dat me gekost heeft. Herinneringen bleven ook moeilijk bewaard, omdat veel in dat werk routine was, en daarmee herhaling.

Enkel sommige uitschieters zijn me bijgebleven. Zoals dat er ooit een werkdag was dat ik twaalf verschillende stukken had te schrijven. En dan nog hoefde er niet eens aan elke zaak van die dag aandacht geschonken te worden.

Uiteindelijk begon ik het werk als verslaggever daar steeds meer als corvee te ervaren. Ook al omdat ik was gaan nadenken over wat zich al die lange uren voor mijn ogen afgespeeld had. Dus kwam er een eind aan dat freelance bestaan.

Nogal wat journalisten houden een leven als rechtbankverslaggever wel decennia vol. Onder hen was Jacques van Veen [1920-2007], die schreef voor Het Parool en voor Vrij Nederland. Toen hij afscheid nam van de krant is er zelfs een persprijs naar hem genoemd; die dan wordt uitgeloofd voor de beste journalistieke productie over een juridisch proces.

En het heugde me niet ooit iets van hem gelezen te hebben.

Tegenwoordig zijn drie bundels van Jac. van Veen online te vinden bij dbnl.org. Daar las ik de laatste van, die artikelen bevat die veelal in 1986 zijn gepubliceerd. En deze vielen me niet echt mee. Het boek is toch wel ver in de tijd achtergebleven. En weliswaar zat het hart op de goede plaats bij Van Veen, het leek mij toch ook dat hij onderdeel was geworden van de processen dat hij beschreef.

Strafzaken gaan bijvoorbeeld hoogstens zijdeling over wat er nu echt allemaal gebeurd is. Wie een rechtszaal binnenloopt, ziet en hoort juristen aan het werk, die bezig zijn met het plakken van juridische etiketten. De Officier van Justitie zegt dat de verdachte dat-en-dat misdaan heeft, terwijl de advocaat dan ter verdediging aanvoert dat er een heel ander label met een veel lagere strafmaat hoort bij wat er is geschied.

En Van Veen schreef er dan in deze bundel bijvoorbeeld over dat de Officier van Justitie zijn zaakjes niet voor elkaar had. Plus dat dit steeds vaker leek voor te komen. Ook hekelde hij met regelmaat het gedrag van rechters tegenover verdachten — zo was er éen bij die iedereen die leefde van een uitkering bij voorbaat al schoffeerde.

Aan grotere vragen, zoals wie er zoal voor de rechter moesten verschijnen, en wie juist niet, kwam Van Veen evenwel dus niet toe.

Dus dacht ik: door al die decennia in de rechtszaal is de beste man toch ook systeemblind geworden. Weliswaar had hij groot gelijk als hij de beroepsjuristen dom, incompetent, of hufterig gedrag kwalijk nam. Alleen ging het mij er na mijn jaren in de rechtbanken en gerechtshoven om dat er nog zo veel meer waar vragen zijn te stellen over wat daar zoal plaatsvindt.

Journalist in de rechtszaal was daarom het aardigst als Van Veen terug kon kijken op al die decennia ervaring, en in staat was om verschuivingen te zien. Ooit bijvoorbeeld werden zedenzaken bij voorkeur achter gesloten deuren behandeld. De pers mocht daar dan niet bij. En Jac. van Veen vermoedde dat dit enkel was omdat rechters uit preutsheid wilden voorkomen dat iemand van buiten hen iets zou horen zeggen over sexuele handelingen.

Vermoedelijk had ik beter de bundel De rechten van de mens uit 1971 kunnen lezen, met stukken uit de tijd dat er iets fundamenteels in de hele samenleving verschoof, en daarmee ook in de rechtspraak.

Jac. van Veen, Journalist in de rechtszaal
169 pagina’s
Van Gennep, 1988