How Fiction Works ~ James Wood

Dit was een wat ander boek dan ik verwacht had. Waarbij die verwachtingen vooral gebaseerd waren op felle besprekingen in de Amerikaanse media. De Brit James Wood heeft enige naam in de VS. Van criticus voor The New Republic werd hij vorig jaar bespreker bij de New Yorker. Maar meer nog spreekt voor of tegen hem dat hij de romans van veelgeprezen schrijvers als Rushdie, DeLillo, Franzen, of Zadie Smith finaal heeft onderuitgehaald.

Wood zingt dus niet mee in het massale koor van alle critici die deze romans hebben bejubeld. Sterker nog, hij verwijt de genoemde auteurs een hysterisch realisme te produceren, dat hun boeken ongeloofwaardig maakt.

Dus speelt waarschijnlijk ook mee dat hijzelf nu bekritiseerd wordt door mensen van wie hij eerder aangetoond heeft dat ze toondoof zijn.

Tegelijk vertrouw ik Wood, om zijn oordeel. Boeklog gaat zelden over boeken die ik niet uitkrijg, maar onder de romans die ik na een tijd zuchtend terzijde lei, waren nogal wat werken van voornoemde hysterisch realisten; auteurs die ik toch zo geacht word te bewonderen.

Dus wilde ik dit boek heel graag lezen. Zonder te beseffen dat het van alles is, maar geen verzameling vol aanwijzingen wat nu slecht schrijven genoemd kan worden; noch een kritische opsomming welke auteurs zich daaraan bezondigen.

Dit boek wil op zich veel. Zo is het een geschiedenis van de realistische roman, die voor Wood pas bij Flaubert echt begint. Het is leerboek voor schrijvers, over waarop te letten om levendig te schrijven. En het is een persoonlijke ontboezeming van Wood, over wat hij nu goed schrijven acht. De criticus doet ook onbeschroomd belijdenis. Zo hij in iets gelooft, dan toch in de potentiële kracht van de roman.

Tegelijk telt het hele ding hoogstens 25.000 woorden, en is het makkelijk binnen een uurtje uit. Ondanks de liefst 123 genummerde hoofdstukken.

De grote kracht voor mij van How Fiction Works is dat het leest of het zo als lesmateriaal kan dienen voor een cursus creatief schrijven in het wijkcentrum. Iedereen zal het kunnen begrijpen. Er staat geen jargon in. En dus geen vage theorie. Wood weet duidelijk waar hij het over heeft, adstrueert al zijn uitspraken met levendige voorbeelden. Hij kan schrijven bovendien. Met prachtige stijlpersiflages — van bijvoorbeeld Graham Greene — weet hij perfect te laten zien waar het bij schrijvers aan schorten kan.

De zwakte is dat hij me te makkelijk andere vertelelementen negeert dan taal of stijl, het juiste detail, of de waarschijnlijkheid van het verhaal. Over het commerciële realisme van de genrefictie is niets dan kwaads te lezen bij Wood. En daarmee lijkt het ook of hij zich niet voor zoiets als een plot in een roman interesseert.

Blijft daarmee de vraag wat ik overhoud aan het lezen van dit boek…

Allereerst een wens om weer eens wat Bellow te lezen. Die auteur is een held. Van Wood, die hem telkens citeert als voorbeeld van goed en rijk schrijven, en van mij. Zijn oeuvre puilt bij mij de kasten uit. Maar de laatste keer dat ik Bellow probeerde, lukte het me geen moment meer om in het boek te komen.

Ten tweede is het duidelijk geworden dat ik waarschijnlijk meer bevestiging voor mijn ideeën over fictie kan vinden in Wood’s verzamelde kritieken. Wordt misschien dus vervolgd.

En tenslotte heeft Wood iets benoemd dat ik als verschijnsel wel kende, maar nooit eerder van naam zag voorzien. Dat is de ironie van de auteur, die er voor zorgt dat een op zich slechts inleidend tekstje alvast voorzien wordt van de stem van het personage dat later pas aan bod komt. Wood is nogal verliefd op deze stijlgreep.

Hij illustreert deze ‘vrije indirecte stijl’ onder meer met een voorbeeld uit het verhaal ‘Rothschild’s Fiddle’ van Tsjechov.

The town was small, worse than a village, and in it lived almost none than old people, who died so rarely it was even annoying.

Voor wie anders dan voor de doodkistenmaker is het vervelend dat de mensen maar niet dood gaan? En over deze kistenmaker gaat het verhaal vervolgens dan ook.

** Terzijde, ik heb voor bovenstaande passage ook de Nederlandse vertaling van Charles B. Timmer opgezocht, van ‘De viool van Rothschild’, uit Verhalen IV.

Het was een klein stadje, nog onaanzienlijker dan een dorp en er woonden vrijwel uitsluitend oude mensen, die in zo’n langzaam tempo dood gingen dat het zelfs tergend was.

En ineens lijkt het Nederlands een zeldzaam onhandige en botte taal, vergeleken met het Engels. Nu ja, Tsjechov’s verhalen krijgen op het moment ook een nieuwe vertaling hier.

James Wood, How Fiction Works
194 pagina’s
Jonathan Cape, 2008

Kunst van het schrijven ~ Kees ’t Hart

Is het interessant om kennis te nemen van de opvattingen die Kees ’t Hart heeft over schrijven? Ik bedoel, als ik zijn romans moet samenvatten, dan is dat toch met de woorden dat in die boeken zo veel minder gebeurt dan mij lief is. De belofte vooraf blijft altijd groter dan wordt waargemaakt.

Hij heeft me daarmee al getoond dat zijn opvattingen over literatuur niet noodzakelijk de mijne zijn.

Maar ’t Hart stelt in dit boek wel dé vraag waar ik op boeklog ook telkens op terugkom. Wat maakt sommige romans tot meesterwerken, en andere juist niet?

Voor De kunst van het schrijven praatte ’t Hart met zes ervaren Nederlandse auteurs over de totstandkoming van éen van hun romans. Om na dit interview telkens een fragment uit zo’n boek te citeren, en dat in detail te bespreken. Deze exercities worden voorafgaan, en achteraf nog eens samengevat, in essays over het schrijven als ambacht.

’t Hart sprak met Hella Haasse, A.F.Th. van der Heijden, Tom Lanoye, Margriet de Moor, Thomas Rosenboom, en K. Schippers. Van de besproken boeken had ik er twee gelezen. Van der Heijden’s Advocaat van de hanen, en Lanoye’s Kartonnen dozen. K. Schippers’ Waar was je nou ligt dan weer al jaren op de stapel nog te lezen boeken. En opvallend was dat bij deze laatste twee titels het gesprek van ’t Hart iets aan deze boeken toevoegde.

Bij Lanoye, omdat ik me niet eerder gerealiseerd had hoe zwaar zijn achtergrond als toneelschrijver meeweegt in de romans.

Bij Schippers, omdat zijn boeken voor mij zo vaak als luchtbellen zijn; even heel bewonderenswaardig, en prachtig, maar dan hup weg, zonder ook maar iets benoembaars bij me na te laten.

Het gesprek met Rosenboom overtuigde me haast toch eens iets meer van hem te lezen. Maar hij schrijft nu eenmaal telkens historische romans; en ik ben te zeer historicus om het verleden zo misbruikt te willen zien.

Haasse liet me onverschillig. Haar werk zal kwaliteiten hebben, maar heeft nooit iets in me weten te roeren. En de gesprekken met Margriet de Moor, en A.F.Th. van der Heijden fascineerden me op een geheel verkeerde manier. Kees ’t Hart slaagde er daarbij haast in om deze auteurs voor altijd taboe te verklaren voor mij. Al was daar bij De Moor misschien slechts éen beginzin voor nodig. Haar roman De kegelwerper opent met de woorden:

Charles Pluut, een achterbaks sujet dat ooit een meisje heel dicht naar zich toe had gehaald om haar daarna als een hobby weer af te schaffen, arriveerde tegen zessen bij het pension. [138]

Die zin bestaat uit zo een machteloos macramé van taal, naar mijn idee, dat ik meteen al niet meer in dat schrijverschap geloof.

Bij Van der Heijden speelde een langzamerhand gegroeid vooroordeel mee. Zijn boeken bevatten me gewoon te veel ruis — terwijl critici telkens zijn stilistische vermogens blijven roemen. Nu kan ik net zo van een goedgeformuleerde zin in een roman genieten als iedereen. Alleen moet zo’n zin dan wel het boek ten dienste staan. En bij Van der Heijden heb ik inmiddels het idee dat die zo prominent aanwezige ruis slechts dient om zijn schrijverij meer te laten lijken dan die kan waarmaken.

Is er tenslotte uit dit boek niet een eenduidige conclusie te trekken over waarom ’t Hart’s eigen romans me zo weinig doen. Wel heb ik geleerd dat hij anders naar teksten kijkt als ik doe. En zulks is alleen maar informatief.

Kees ’t Hart, De kunst van het schrijven
215 pagina’s
Em. Querido’s Uitgeverij, 2007

Revanche van de roman ~ Thomas Vaessens

Hoogleraar Moderne Nederlandse letterkunde, dat lijkt me meer de benaming voor een sadistische straf dan de aanduiding voor een achtenswaardig beroep. Het is al zo zelden een genoegen om Nederlandstalige fictie en poëzie te lezen. Laat staan om er serieus studie van te maken, en beschouwingen over te schrijven.

Tegelijk zou zo’n positie wel degelijk nut hebben, als een soort Keuringsdienst van waren. Maar geen man of vrouw die zich daartoe geroepen heeft gevoeld — als er al eens kritiek komt op het aanbod, blijft die in de meest algemene termen steken. Nooit wordt het niveau vergeleken met wat in het buitenland gebeurt.

Thomas Vaessens is een redelijk verse Hoogleraar literatralala. En zoals het dan gaat, moet hij eerst flink wat geurvlaggen plaatsen om een territorium af te bakenen. Dat gebeurt dan mede in deze monografie, De revanche van de roman, waarin hij vrijwel alles wat zijn voorgangers geschreven hebben voor het gemak meteen maar negeert.

Vaessens nam daarentegen nog wel de moeite om enkele recente Nederlandse romans te bespreken, om zo zijn visies toe te lichten.

Toevallig had ik een aantal van die boeken gelezen. Toch nog. Optimisme is nu eenmaal een intellectuele plicht, hoe moeilijk dat soms ook valt. Die titels waren Chaos en rumoer van Joost Zwagerman. De literaire kring van Marjolijn Februari, en Koetsier Herfst van Charlotte Mutsaers. En alleen daardoor viel al op dat Vaessens deze boeken weliswaar tot in het treurige detail navertelt, maar ook dat hij er niets meer uithaalt dan een gewone lezer als ik.

Vaessens gaat dan bijvoorbeeld uitleggen dat Zwagerman, in een boek over twee auteurs, laat doorklinken hoe hijzelf over het schrijven denkt, en over de problemen van dat métier.

Vaessens signaleert verder dat Marjolijn Februari weleens maatschappijkritiek uitoefent in haar columns. En dat dit genre tot zulke uitwassen leidt, is natuurlijk ongekend.

De crux van dit boek ligt misschien ook ergens anders. Vroeger namelijk, hebben de genoemde schrijvers vroeger werk geschreven. Die boeken zijn anders dan ze tegenwoordig maken. Alweer is dat geen conclusie waar ik bijzonder van opkeek.

En het verschil tussen toen en nu, volgens Vaessens, is dat toen het postmodernisme hevig woedde. Genoemde schrijvers daar ook behoorlijk aan leden. En dat het tegenwoordig weer beter met ze gaat.

Nu heb ik geen idee wat dat postmodernisme is. Het lijkt me een besmettelijke ziekte, uitgevonden door of voor Hoogleraren literatralala en ander universitair volk op zoek naar een wetenschap. Zij alleen kunnen de symptomen van het postmodernisme vaststellen. Genezen kunnen de literatuurwichelaars evenwel niet. Hoogstens opgelucht constateren dat de epidemie voorbijtrekt, zoals ondertussen schijnt te gebeuren.

Iets het label postmodernistisch geven, is nog het best vergelijkbaar met hoe doktoren vrouwen eeuwenlang de ziekte hysterie hebben toegedacht. Men was trots een etiket te kunnen hebben plakken, dacht met de benoeming ook de genezing in gang te hebben gezet — het aloude Repelsteeltje-syndroom — en tegelijk zei dit allemaal helemaal niets.

Vaessens toont zich opgelucht dat romans nu soms alweer meer met de werkelijkheid van doen hebben dan voorheen. Al gebeurt dit hem nog lang niet vaak genoeg.

Schadelijk is namelijk, niet in het minst voor de status van bijvoorbeeld zijn vak, dat schrijvers er tegenwoordig zo veel minder toe doen dan in de jaren vijftig en zestig. Morele autoriteit zoeken we niet meer in boeken.

Tegelijk hebben ook de Hoogleraren literatralala en hun vazallen stevig meegeholpen de status van de roman uit te hollen. Hun deconstructivisme, of hoe die al onwetenschappelijke methodiekjes ook heetten, brak alleen maar af. Dus moet het ook aan de faculteiten letterkunde allemaal anders van Vaessens.

En ach, zulk idealisme als slot van een boek heeft wel iets roerends.

Ondertussen verschijnen in Nederland de interessantste boeken in genres die Vaessens niet bestudeert; omdat die niet tot de bellettrie behoren.

Thomas Vaessens, De revanche van de roman
Literatuur, autoriteit, en engagement

255 pagina’s
Uitgeverij Vantilt, 2009

Aspects of the Novel ~ E.M. Forster

Heeft wat een auteur in 1927 zei over de roman, in een lezingenreeks voor de Cambridge University, nu nog enige zeggingskracht?

Ik denk enerzijds wel, en anderzijds ook weer helemaal niet.

Voor de betogen van E.M. Forster [1879 – 1970] spreekt dat de roman, als cultuurgoed, nooit sterker zal hebben gestaan dan juist in die tijd. Ook al was er inmiddels concurrentie gekomen door de bioscopen. Maar de film met geluid zou pas een paar jaar later doorbreken.

Bovendien kende Forster het werk van Joyce, en had hij dus weet van de pogingen die gedaan werden meer met het genre te doen. Zelfs al was hij daar niet heel erg van onder de indruk.

Ulysses […] is a dogged attempt to cover the universe with mud, an inverted Victorianism, an attempt to make crossness and dirt succeed where sweetness and light failed, a simplification of the human character in the interests of Hell.

Tegen zijn opvattingen spreekt dat romans en hun schrijvers sindsdien behoorlijk gekelderd zijn in status. Forster wijdde éen van zijn lezingen aan de auteurs die in zijn ogen als profeten fungeerden. Maar wij halen onze toekomstverwachtingen nu eerder uit de krant; of plukken die van internet; en dan zijn er ook nog altijd mensen die de beloften van politici geloven.

Bovendien leefde Forster in een tijd dat niet alles in druk verschijnen kon. Hij was homoseksueel. Schreef ook een roman met een hoofdpersoon die van de mannen was — Maurice — maar deze werd pas postuum gepubliceerd. Er kon kortom nog zo veel meer aan onderwerp in het genre, dan waar hij op in ging tijdens de lezingen.

Maar Forster’s voordrachten waren alleen al prettig te lezen om de wit van de auteur.

Bovendien zegt hij een aantal heel verstandige dingen.

Zijn definitie over het verschil tussen wat een verhaal is, en wat een plot werd zelfs klassiek:

‘The king died and then the queen died,’ is a story. ‘The king died, and then the queen died of grief’ is a plot.

Of, in de context van hoe Forster het zei:

Let us define a plot. We have defined a story as a narrative of events arranged in their time-sequence. A plot is also a narrative of events, the emphasis falling on causality. ‘The king died and then the queen died,’ is a story. ‘The king died, and then the queen died of grief’ is a plot. The time-sequence is preserved, but the sense of causality overshadows it. Or again: ‘The queen died, no one knew why, until it was discovered that it was through grief at the death of the king.’ This is a plot with a mystery in it, a form capable of high development.

De lezingenreeks van Forster begon met een verhandeling over het verhaal. Daarna heeft hij ruim aandacht voor de mensen in het boek — omdat de schrijver tot de soort behoort, heeft hij of zij een zekere band met mensen — waarop aandacht volgde voor het plot, de ruimte voor fantasie, de mogelijke profetieën van auteurs, en het patroon en de ritmen die de kwaliteit van een roman kunnen maken en breken.

In deze Penguin-uitgave zijn deze stukken bovendien aangevuld met andere verhandelingen van Forster over de roman. Verder staan er fragmenten uit zijn commonplace-book in waarin hij hardop nadenkt over zaken die in de lezingen ook werden behandeld.

Dickens’ characters are types, but his vitality causes them to vibrate a little, so that they borrow his life and appear to live their own. Mr Micawber, Pickwick, Mrs Jellaby, live, but not in the sense that we can turn them around and see new aspects.

Dus was er genoeg om nog eens over na te denken, en vond ik alleen de voorbeelden die Forster gebruikte vervelend. Omdat hij zijn publiek tracteerde op lange citaten uit boeken die zij konden kennen — boeken dus uit de late negentiende en vroege twintigste eeuw. En helaas zijn dat naar onze smaak trage romans; waarin alles met veel omhaal van woorden wordt gezegd.

E.M. Forster, Aspects of the Novel
with an introduction by Frank Kermode

204 pagina’s
Penguin Classics 2005, oorspronkelijk 1927

Echt zien ~ Bas Heijne

Drie Nederlandse schrijvers spraken zich inmiddels in een serie publicaties uit over de staat van de roman. Bas Heijne leverde de meest recente bijdrage. Hem vooraf gingen A.F.Th. van der Heijden, en Conny Palmen.

En bij al deze gedachtenexercities zal éen en ander op de achtergrond hebben meegespeeld. Nog altijd zeggen bijvoorbeeld de honderdduizenden die een boek willen schrijven daarmee toch ook liefst een roman te willen afleveren.

Tegelijk hebben romanschrijvers geen enkele status meer. Behalve misschien als ze aardig babbelen, en het dus leuk doen in de keuvelprogramma’s op televisie.

Bas Heijne ging in Echt zien maar beperkt in op deze gegevens. Wel leert de lezer vrijwel meteen dat hij steeds minder romans leest. Dat komt dan onder meer omdat Heijne er weinig voor voelt om zich over te geven aan de verzonnen wereld van een ander. Hij heeft nog wel meer te doen.

Daarnaast worden de meeste romans al gauw voorspelbaar voor wie de hoogtepunten uit het genre kent. En schrijvers van wie de vroege boeken nog te bewonderen zijn, blijken later nogal eens te ontsporen; en parodieën van hun vroegere zelf te worden.

Dus leek dit essay veelbelovend te beginnen, en kwam er daarna niets meer dat mijn honger stilde. En de ondertitel ‘Literatuur in het mediatijdperk’ is bedrieglijk, want die werd nauwelijks uitgewerkt.

Immers, worden verhalen inmiddels niet al vakmatig perfect verteld door TV-series en films? En kan dat gegeven werkelijk genegeerd worden?

Jammer genoeg hanteert Bas Heijne weer de gebruikelijke navelstaarderige verklaring voor het huidige gebrek aan status voor de roman — alsof de wereld van het intelligente vermaak niet totaal veranderd is sinds de jaren dertig. Ook bij Heijne krijgt de academische wereld de schuld te veel auteurs geïnspireerd te hebben tot een type proza dat allereerst bedoeld is ter interpretatie, waardoor vertelkunst een vies woord kon worden, en het lezerspubliek gevlucht schijnt te zijn.

Bas Heijne vond het voor dit boek verder interessanter om na te lopen wat enkele anderen over de status van de roman hadden gezegd. Zoals Wood, of Vaessens. Reageren op wat anderen schreven, is nu eenmaal ook wel zo makkelijk. Vertel mij wat.

Alleen ligt er het saillante feit dat Heijne ooit zelf een roman schreef. Lang geleden. En dat nu niet meer doet. Het enige dat hij publiceert zijn betrekkelijk veilige opstellen, zoals dit; waaraan niemand aanstoot zal nemen. Ik mistte daarom domweg te veel van wat Heijne had kunnen geven. Een doorleefd verhaal. Echt zien is nu een kreukvrij werkje dat in een half uur door te nemen is, en binnen een kwartier wordt vergeten.

Heijne’s verwachting over de roman wordt uiteindelijk het best verwoord in een postscriptum:

Iedere goede roman is juist geschreven in het besef dat het leven zich niet in een verhaal laat vatten, dat ieder moment in een mensenleven een oneindigheid aan indrukken in zich draagt die niet in woorden te vangen zijn. Romans maken je als lezer daar juist van bewust. En precies in die even innige als ongrijpbare relatie tussen literatuur en werkelijkheid vindt de literatuur haar bestaansrecht.

[101]

Ik weet dat niet. Niets toont duidelijker aan hoe weinig greep wij hebben op de werkelijkheid als enige kennis van de wetenschap. Een groot probleem met de meeste fictie voor mij is nu net dat de auteur veronderstelt een wereldbeeld te delen met mij, en dat zijn of haar boek vervolgens vaak een commentaar wordt op nogal voorspelbare clichés.

Meermaals heb ik ook op mijn weblogs uitgesproken de status van de roman nogal overschat te vinden. Korte verhalen zijn me liever, als het om fictie gaat. Omdat de kans een volmaakt kort verhaal te lezen zo veel groter is dan een perfecte roman te treffen.

Ligt er ook nog het gegeven dat het een verhaal minder tijd kost om te lezen. Zodat er makkelijker mee te leven valt om een matig of een gemiddeld verhaal te lezen, dan om in een taaie roman verder te moeten.

En nee, dat ik liever verhalen lees dan romans is niet omdat ik geen tijd zou hebben om me in een boek te verdiepen; wat zovelen zien als dé reden zijn voor de statusdaling van literatuur. Boeklog laat anders zien.

Wacht me dus de taak om ook Van der Heijden en Palmen over dit onderwerp te lezen, om al mijn ideeën eens gestructureerd uit te spreken.

krijgt daarom een vervolg

Bas Heijne, Echt zien
Literatuur in het mediatijdperk

105 pagina’s
Athenaeum-Polak & Van Gennep, 2011

Geluk van de eenzaamheid ~ Connie Palmen

Er is heel weinig tegen een reeks boeken waarin eens hardop over de roman wordt nagedacht — zeker in deze tijd van onzekerheid, waarin mensen ineens liever non-fictie kopen, omdat daarin tenminste verteld wordt wat er echt speelt. Een vraag lijkt me alleen wie zulke teksten zou moeten schrijven.

Ligt het wel zo voor de hand om romanschrijvers over de roman te laten schrijven? Ook al hebben zij hopelijk nagedacht waarom ze nu per se dat genre wilden beoefenen.

Maar, zo ze al idealen hadden, dan hebben die al een vorm gekregen in hun werk? Dan liggen er dus romans naast zo’n betoog? Dan zijn er dus twee manieren om te zien wat iemands ideeën zijn over de roman?

En in het geval van Connie Palmen doet zich dan iets vervelends voor.

Het geluk van de eenzaamheid is te lezen als een receptuur voor de literatuur waar Connie Palmen van houdt. Zulke boeken moeten bijvoorbeeld meerdere lagen hebben, een ingenieuze constructie hebben, vernieuwend zijn, en nog zo wat meer. Daardoor zijn er voor haar ook vele boeken die niet aan deze vereisten voldoen, waardoor zij nog een relletje veroorzaakte door op TV enkele collegaschrijvers de toegang tot de literatuur te ontzeggen.

Daarbij meent Palmen dat er traditie is, die geëerd moet worden, maar waar een hedendaagse schrijver vervolgens toch van af dient te wijken, om te verrassen. Want hoewel er een massa is, en dus een middelmaat, die misschien wel allereerst van Kitsch houdt, bestaat er daarnaast zo veel meer.

En daar is allemaal heel weinig tegen in te brengen. Dit lange essay kon me soms zelfs bijna overtuigen van haar goede bedoelingen. Ware het niet dat ik te achterdochtig ben geworden. Omdat de fictie van mevrouw Palmen mij altijd immens heeft geïrriteerd, om de doorgaans belabberde stijl, de petieterige eigen ideetjes, en de verveling die haar versie van de werkelijkheid telkens weer bij me opriep.

Zou ik haar beoordelen met haar eigen criteria, dan worden dat ineens geen haalbare doelen meer maar onmogelijke wensdromen. Dan valt allereerst op dat ze haar schrijfstijl altijd ontsierd wordt door wollige algemeenheden, een gebrek aan precisie dus, en een teveel aan academische vorming van het onpraktische soort.

wordt nog eens vervolgd

Connie Palmen, Het geluk van de eenzaamheid
Over de roman

117 pagina’s
Athenaeum-Polak & Van Gennep, 2009

Kruis en kraai ~ A.F.Th. van der Heijden

De eerste aflevering van wat een reeks over de roman moest worden, begon met een brievenboek. Daarin richt Adri Van der Heijden zich telkens in lange epistels tot de uitgever Anthony Mertens.

Veel ruimte wordt daarbij ingenomen door gedetailleerde herinneringen aan alle drankdoorweekte uren in de hoofdstedelijke Horeca.

Haast als terzijdes richt de auteur in Kruis en kraai zich telkens toch weer tot het hoofdonderwerp. Die roman. En mij werd daarbij bijvoorbeeld niet duidelijk waarom zijn eigen boeken in dat genre al een tijd zo dodelijk obees zijn. In mijn opinie dan. Al onderkent Van der Heijden wel een zekere megalomanie bij zichzelf.

Omgekeerd is de vaakst terugkerende verzuchting bij hem wel dat het in Nederland altijd zo zuinig moet. Dat hier alleen de schrijvers bewonderd lijken te worden van het meest karige proza. Zelfs al beseft men daarbij niet daarbij de eeuwig geroemde Nescio behoorlijk barokke passages heeft geschreven in Dichtertje.

Wat mij evenwel het meest opviel was een bekentenis, uit éen van de laatste brieven. Dan citeert Van der Heijden uit het hoofd, zonder de bron nog te weten, de uitspraak dat elke man diep in zijn hart weet er helemaal niets van terecht te hebben gebracht. Van dat leven.

Maar dat is tegelijk een eeuwige bron om zelfverwezenlijking aan te ontlenen, om te pogen toch nog eens beter te willen doen.

En dan spreekt Van der Heijden zich uit over het onmogelijke boek [H.O.B.], dat nooit te schrijven zal zijn. Omdat elke poging het te maken in een mislukking zal eindigen.

Waarop zijn conclusie is dat er veel te zeggen valt om dan maar zo glorieus als het kan te mislukken.

En zulke passages brengen dan in elk geval iets over van wat de motivatie kan zijn om maar dom romans te blijven schrijven. Daaruit komt in elk geval een geestdrift naar voren, die een lezer verkwikt.

Ondertussen moet een conclusie wel luiden dat Van der Heijden, noch Palmen of Heijne in latere afleveringen van deze reeks, de roman werkelijk van een afstand durven te bekijken.

De status van het genre staat vast, nee die is zelfs uitgangspunt.

A.F.Th. van der Heijden, Kruis en kraai
De romankunst na James Joyce

107 pagina’s
Athenaeum-Polak & Van Gennep, 2008

Raadsel der verstaanbaarheid ~ P.F. Thomése

Ooit volstond het een schrijver om een roman de wereld in te sturen, en zo’n boek dan voor hem of haar te laten spreken.

Maar die tijd is voorbij. En daarmee lijkt mij een wezenlijke vraag geworden waarom iemand nog fictie schrijven zou.

P.F. Thomése ziet dit probleem ook. In de Albert Verweylezing uit 2011 probeerde hij onder meer vast te leggen wat het betekent dat de belangstelling voor een boek tegenwoordig via de schrijver loopt.

Daarbij kwam hij tot enkele prettig geformuleerde waarnemingen:

Niet voor niets zijn er de laatste jaren zo veel acteurs succesvol in de boekenbranche. Niemand vertolkt een auteur beter dan iemand met een gedegen toneelopleiding. De hele brave middenmoot van onze letterkunde lijkt ermee vergeven. Ik denk aan theatergeschoolde publiekslievelingen als Japin, Launspach, Nasr of hoe ze ook mogen heten, maar ook aan het vergaderproduct Abdollah met zijn geraffineerde Iraanse straattoneel, maar het zijn er veel meer, tientallen moeten het er zijn, ik zie een stoet van dwergen langs mij gaan,om Nijhoff in diminutief te parafraseren. Een gezonde portie aanstellerij is onontbeerlijk geworden om een succesvolle auteur neer te zetten. U ziet, ook ik doe mijn best, ik sta hier braaf voor gek, speel keurig de dwerg van dienst aan het hof der staatsgeleerden. [31]

scheiding

[…] [O]ok Hermans, Reve en Mulisch vertrouwden kennelijk niet geheel op de kwaliteit van hun boeken en gooiden er een act tegenaan om de aandacht van het publiek te vangen. In die zin waren de Grote Drie, de god van de schoolboekjes hebbe hun ziel, ook onze drie grote clowns die uitblonken in het betere volksvermaak.

Inmiddels zit zelfs de lulligste debutant thuis of op de uitgeverij ‘iets grappigs’ uit te broeden om de interessen van de tv-redacties en winkeletaleurs te wekken. [32]

Het probleem, volgens Thomése, is dat ook authenticiteit in deze tijd gefaket wordt. Daarmee blijven er voor de auteur met wat meer pretentie weinig middelen over om zich te onderscheiden.

Dit lijkt me geen probleem uniek voor literatoren overigens. Tussen de politici of de dienstenaanbieders zullen degenen die oprecht om kwaliteit geven, en niet eerst zichzelf op de voorgrond plaatsen, dezelfde moeite hebben om op te vallen, en daarbij geloofwaardig te zijn.

Schrijvers hebben bovendien niets voor op de rest van de mensheid, aldus Thomése. Ze zijn niet intelligenter, gevoeliger, scherper, of erudieter dan anderen.

Het enige dat de schrijver beter kan, is schrijven.

[…] [W]at hij te bieden heeft, is zijn vermogen om de dingen anders op te schrijven dan de meeste mensen het zouden doen.

Het subversieve karakter van zijn kunst zit hem dan ook in de vorm. [40]

Literatuur en maatschappij staan haaks op elkaar, zo schrijft Thomése. Dus moet de schrijver in de contramine. Er op wijzen dat de werkelijkheid anders in elkaar steekt dan iedereen lijkt te denken.

En goed, hij schreef dat allemaal al eens eerder, en ook toen tekende ik zijn woorden met gretigheid aan.

Tegelijk eist hij weerstand tegen niet alleen de uitverkoop, maar ook tegen de institutionalisering van de literatuur — tegen Komrij’s eeuwig redderende kunstmoedertjes.

Hebt u wel eens een formulier van het Letterenfonds gezien? Of het lesmateriaal voor een beter literatuuronderwijs? Of de aanbevelingen van de Nederlandse bibliotheekcentrale? Of de tips van de week in welke tijdschrift dan ook? Dat heeft allemaal nog weinig met de macht en de magie van het woord te maken. [45]

En misschien is het vooral om de felheid van Thomése’s rede, met zijn duidelijke conclusies — die niet alleen komt door de vorm; omdat het gesproken woord altijd meer nadruk nodig heeft. Maar ik begrijp wel dat deze toespraak inmiddels meerdere malen herdrukt is. Terwijl bijvoorbeeld de keurige reeks ‘Over de roman’ zo veel moeilijker een publiek vindt.

Iedereen kan zich immers heel makkelijk onder Thomése’s publiek scharen — iedereen leest toch om de leugens van zijn tijd te kunnen zien?

[ wordt vervolgd ]

P.F. Thomése, Het raadsel der verstaanbaarheid
Over de kunst van het authentieke

Albert Verweylezing 2011
45 pagina’s
Contact 2012

Hele wereld ~ Marcel Möring

Zijn romanschrijvers de meest aangewezen personen om een groot opstel te schrijven over het genre waarmee ze bekend werden?

Ook het vierde deel uit de essayreeks ‘Over de roman’ overtuigde me niet helemaal. Want bij Marcel Möring speelde eenzelfde probleem als eerder bij A.F.Th. Van der Heijden, Connie Palmen, en Bas Heijne. Al deze auteurs hebben vroeg in hun carrière romans uitgebracht. Daarmee waren zij al tot de roman bekeerd voordat ze nog eens gevraagd werd er met afstand naar te kijken. En de getuigenissen van zulke gelovigen zijn me daardoor altijd te zeker.

De vis kent het water niet waarin die zwemt, etcetera…

Dus blijven zij in hun betogen te strak op die roman — wordt het zelfs nooit een vraag wat het nut van lange fictieboeken ook weer was. Terwijl hun ideeën over de roman toch ook al bleken uit de boeken die ze schreven.

Maar om verder te komen, is het soms toch echt nodig om fundamenteel na te denken over welk bestaansrecht iets heeft. Zeker nu zo veel andere ‘content’ de aandacht eist, en tijd vaak schaars is.

Nu is mijn boeklog een lopend onderzoek naar de vraag waarom zo weinig lange fictie me nog grijpen kan. Toen ik een kleine acht jaar geleden mijn vooroordelen bij het lezen op een rij zette, was ook de eerste daarvan:

  1. ik houd meer van het kleine dan het grote; van verhalen dan romans, van essays dan monografieën; houd meer van boeken met maar een paar personages dan de grote allesomvattende roman. Ik prefereer kamermuziek boven symfonieën;

Toen al was me duidelijk dat dit vooroordeel op zijn minst kwam omdat de kans een volmaakt verhaal of essay te treffen zo veel groter is dan op een perfect werk van een langere adem te stuiten.

Een vraag voor mij is inmiddels ook geworden wat een schrijver, in zijn of haar eentje, nog betekenen kan tegenover al het culturele aanbod dat collectief tot stand komt.

Marcel Möring maakt boeken met een zekere ambitie. Daar heb ik enkele van gelezen; genoeg in elk geval om te weten dat hij weleens te ambitieus is, en dan bijvoorbeeld onmogelijke zinnen schrijft.

In zijn opstel De hele wereld viel het met de vervelende zinnen gelukkig mee. Hoogstens kwamen die voor als hij iets onmogelijks probeerde uit te leggen. Want Möring’s metaforen klinken doorgaans goed, alleen kloppen ze vaak net niet.

Neem dit kernidee van pagina 78:

De gedachte aan de roman als een gesloten wereld, een stolp waaronder een afbeelding van de werkelijkheid is gevangen en waarin de natuurwetten gelden en causaliteit een leidend beginsel is, dat is voor mij een bijzonder primitieve gedachte die ik alleen maar kan vergelijken met de eis dat schilderkunst altijd realistisch moet zijn. De roman is een wereld waarin alles kan en mag wat de schrijver wil en denkt. Honden kunnen er denken, mensen vliegen, de pijl van de tijd kan terugwijzen, het eeuwige leven kan bestaan en het eerste bijbelboek kan zich afspelen aan de Noorse kust.

Ik weet namelijk niet wanneer het ooit een eis is geweest in de schilderkunst om altijd realistisch te zijn. Wat een vreemd idee ook. [1] Waarschijnlijk zullen wij op het moment de meest realistische foto’s van onszelf heel gauw wissen, omdat die te lelijk zijn. Bovendien moeten alle schilders in hun werk ook nog tenminste twee dimensies uit de werkelijkheid kwijtraken om tot iets te komen. En hoe realistisch is dat? Die vervelende ruimtelijkheid van alles en het verloop van de tijd moeten beide wel worden platgeslagen tot het vlak van het doek.

Veel kunst bestaat eruit om vorm te geven aan een reductie. Dat geldt voor schrijvers net zo goed als schilders. Alleen moeten teksten daarbij dan ook nog gedecodeerd worden door de lezer; die daarbij zo van alles naar eigen inzicht invult.

Vervolgens is wel degelijk een eis dat de interne logica klopt — zelfs als die niet met de normale logica overeenkomst. Anders is het met de ‘gewillige uitstel van het ongeloof’ bij het publiek snel over. Geen schrijver irritanter dan de auteur die zijn materiaal niet in de macht heeft.

Maar als een auteur iets goeds heeft gemaakt, vergeet de lezer aan het lezen te zijn, en is alleen de tekst echt. Möring signaleert:

Zowel de schrijver als de lezer streeft naar verlies van het zelf in de tekst om op te gaan in de wereld die het verhaal is. Het is een streven naar transcendentie.

De schrijver zegt tegen de lezer: geef je aan mij over, laat mij de ‘ik’ in jou doden om je mee te voeren.

De lezer zegt tegen de schrijver: ontdoe mij van mijzelf en vervoer mij.

Eigenlijk zijn dit helemaal geen grote woorden. Dat wil zeggen: dat horen ze niet te zijn. Maar in de wereld van de amusements- en consumptieliteratuur hebben ze geen betekenis. Daarin zoekt schrijver noch lezer overgave, verlies van zelf en transcendentie. […] [59]

Klinkt ook weer mooi, tot Möring struikelt over de paradox die Karel van het Reve ooit formuleerde – dat je wel kunt proberen om op te schrijven welke eisen een goed boek moet vervullen, maar dat er altijd slechte boeken zijn die aan precies dezelfde voorwaarden voldoen.

Conny Palmen maakte in de tijd van haar opstel ‘Over de roman’ nog een heel nummer in de media over haar weerzin tegen triviaallectuur. Möring laat dit gelukkig verder na, al zijn er wat terloopse uitvallen tegen plotgedreven romans. Maar de positiebepaling van beiden is wat potsierlijk.

Natuurlijk, aan een momenteel zo veel verkocht boek als Fifty Shades of Grey is voor een verwende lezer niets te genieten.

Al zou ik tegelijk nooit durven beweren, zoals Möring, dat de lezers van Fifty Shades of Grey geen overgave, verlies van zelf of transcendentie zouden zoeken. In hun broekje.

Maar er zijn nu eenmaal lezers en lezers. Marcel Möring richt zich tot een belezen publiek waartoe ik waarschijnlijk behoor, en dat is geen vreselijk grote groep.

Het blijft merkwaardig dat schrijvers met enige intellectuele pretentie Schopenhauer’s waarheid niet kennen dat er in de wereld weinig meer is dan de keuze tussen eenzaamheid en banaliteit. Mopperen dat het anders zou moeten zijn, lijkt gauw wat onnozel.

Terugdenkend aan dit opstel viel me daarom op dat het bij oppervlakkige lezing er vlot ingaat, maar dat er vervolgens niets blijft hangen. Terwijl nadere studie dus leerde dat de schrijver telkens niet precies genoeg is. Waarbij ik meen dat Möring te weinig afstand tot zijn onderwerp nam. Dus was ook zijn betoog er bij gebaat geweest als hij de unieke kwaliteiten die de roman misschien heeft, had durven te beschouwen in het totale aanbod van alle vermaak en informatie van het ogenblik.

Marcel Möring, De hele wereld
Over de roman IV

84 pagina’s
Athenaeum—Polak & Van Gennep, 2012
  1. Realisme is een naam die kunsthistorici achteraf nog eens gegeven hebben aan een manier van werken. Het woord wordt dan met een hoofdletter geschreven. Met een kleine letter verandert de betekenis nogal. []

Vergeten te bestaan ~ Ger Groot

Wie fictie leest, weet wat daarin verteld wordt ‘niet echt’ is. Toch kan een roman of een kort verhaal enorme indruk maken. En de emoties die dan in de tekst worden geïnvesteerd, zijn wel degelijk levensecht.

Voor een lezer volstaat het dan om te weten dat een boek even heel veel kan betekenen. Of op zijn minst: hopelijk een kans tot ontsnapping biedt; juist doordat het zelf zich even kan verliezen.

Voor een filosoof geldt dat niet. Die wil het waarom begrijpen van het raadsel dat iets bedachts toch als volkomen echt kan worden beleefd. Dat stelde Ger Groot tenminste, in zijn intreerede bij de aanvaarding van het buitengewoon hoogleraarschap ‘Filosofie en literatuur’, in Nijmegen.

Vergeten te bestaan biedt een uitgebreide versie van deze rede. Die bevat een beginselverklaring over wat hij onderzoeken wil, waarin hij nog sterk leunde op observaties van wijlen Patricia de Martelaere.

Zij stelde onder meer dat onze identificaties met anderen nooit sterker zijn dan bij het lezen van fictie. Juist omdat we in het normale leven nimmer zo’n totaal geloof in alles hebben kunnen; omdat die onvoorwaardelijke overgave dan enorme risico’s oplevert.

Dus moest ik het tijdens het lezen van dit boek niet met éen maar zelfs met twee filosofen in innerlijk debat.

En vanzelfsprekend ging ik daardoor enorm tegensputteren, omdat ik nu eenmaal bijna altijd vind dat filosofen met een te beperkte blik naar de wereld kijken.

Zo is vrij simpel te falsificeren dat mijn identificatie met anderen nooit sterker zou zijn dan tijdens het lezen van fictie.

Neem bijvoorbeeld mijn beleving bij het kijken naar een rechtstreekse sportwedstrijd — goed, cynici zullen wielrennen of voetbal ook fictie noemen; vanwege de doping en andere wedstrijdvervalsing; daar gaat het nu niet om.

Als ik tijd investeer in het passief beleven van een sportwedstrijd, is dat niet eens omdat die sport me interesseert — al helpt dat wel, helemaal als ik favorieten kies — maar veel meer nog omdat ik de afloop wil weten.

Hoe gaat het verder? Elementairder vraag om onze eeuwige nieuwsgierigheid op te roepen, bestaat er haast niet, en toch zegt Ger Groot daar niets over.

Tijdens de laatste fase van een wielerklassieker, mits de uitkomst dan nog onzeker is, stijgt mijn hartslag fors en mijn bloeddruk vast ook. Bij het lezen heb ik zulke sterk fysieke reacties nu nooit — vast omdat het gedrukte woord eerst nog een vertaalslag door moet. Terwijl het televisiebeeld veel directer verwerkt wordt.

Een behoorlijk gebrek aan hoe wij mensen denken, is dat dit vrijwel altijd in verhaalvorm gebeurt. En in die verhaalvormen bestaan maar een beperkt aantal lijnen die direct aanvaard worden. Zo moet er innerlijke logica bestaan binnen een verhaal.

En een verhaal moet dus een uitkomst hebben — is er die niet, dan blijft dat een tergend gemis; een mechanisme dat de massamedia maar al te handig uitmelken.

Zo zeer hangen wij zelfs aan een innerlijke logica, dat die telkens als verhaal kan worden geprojecteerd op de werkelijkheid. Daardoor denken we te makkelijk in reeksen van oorzaak en gevolg. En daardoor is ons benul van risico’s bijvoorbeeld zo slecht — risico’s gaan zo gauw tegen de intuïtie in.

Bovendien, fictie wordt niet alleen gecreëerd door schrijvers, in romans. Ook religies zijn verhalen, en daarmee fictie. En de grootste schijnwerkelijkheid nog komt van politici, en de media die alleen op hun woorden ingaan, zonder daarbij de daden te wegen.

Is over zulke mechanismen te leren en dus te filosoferen door enkel romans te bestuderen? Ik denk van niet; en dat bewijst boeklog ook. Maar ik heb het hier dan ook makkelijker dan een academicus die zich tot een vakgebiedje moet beperken.

Ger Groot, Vergeten te bestaan
Echte fictie en het fictieve ik
32 pagina’s
Vantilt, 2010

Man die in de toekomst springt ~ Oek de Jong

Van de laatste roman die ik las van Oek de Jong bestaat er enkel de herinnering aan hoe lang het was, en hoe ver. De auteur brengt gauw eens dikke boeken uit. En eerlijk gezegd lees ik liever vier verschillende romans van tweehonderd pagina’s dan eentje die er achthonderd telt. Is de kans nog eens een goed boek te treffen zo veel te groter.

Kurt Vonnegut’s wijsheid dat een schrijver allereerst zijn lezers niet vervelen moet, blijft staan. En naast de zeldzame wel gelukte lange roman — noem eens een Oorlog en vrede — staan er heel veel waarin de auteur zichzelf iets te graag aan het woord zag.

Oek de Jong zegt niets over de lengte die boeken moeten hebben in het essay ‘Een klievende roman’ uit deze bundel. En dat is jammer.

Wat hij wel opmerkt over lange fictie gelijkt namelijk precies op wat ik ooit gededuceerd had over wat de kwaliteiten zijn van een roman. Al verschillen onze woorden.

Ik hanteer de trits: taal, verhaal, en een derde factor; die soms wijsheid heet, en in weer andere boeken inzicht is, oorspronkelijkheid, of authenticiteit.

De Jong heeft het over stijl, compositie, en een derde aspect die ook hij enkel kan omschrijven:

en dat ik maar een naaktheid noem, een echtheid, die ontroert, bevrijdt en het mogelijk maakt ‘opnieuw te beginnen met het leven’ — zoals aan het einde van Maria Dermoûts De tienduizend dingen mevrouw van Kleyntjes, na haar visioen van de Kokospalm van de Zee, opstaat uit haar stoel aan de nachtelijke baai en naar binnengaat ‘om haar kopje koffie te drinken en om opnieuw te proberen verder te leven.’

Maar dit een heuse katharsis, aan het slot van een roman — dat hoeft eigenlijk ook weer niet. […] [238]

En het merkwaardige aan dit essay is daarmee dat ik het grotendeels eens ben met Oek de Jong. Hij ziet zelfs dat een romanschrijver op dit moment meer dan ooit materiaal krijgt aangereikt om de werkelijkheid mee te ontleden.

Alleen blijft dan toch staan dat onze receptuur voor waar een hedendaagse roman aan moet voldoen weliswaar sterk op elkaar lijkt, maar dat mijn interpretatie nooit de dikke boeken op zou leveren die De Jong uitbrengt.

Een man die in de toekomst springt biedt ook in de overige essays vele getuigenissen van een lezer. Frans Kellendonk wordt twee keer bekeken. Willem Frederik Hermans éen keer. Waarin De Jong de productie uit diens Parijse periode samenvat met de woorden:

Hermans was als schrijver heel lang een uitgewerkte vulkaan die nog wat narommelt. [169]

Daarnaast gaan drie essays over schilders: Vermeer, Caravaggio, en Caspar David Friedrich.

En in al deze stukken bevatten observaties die me voor de schrijver innamen — zijn persoonlijke blik kleurde deze essays op een manier die ik prettig vond.

Alleen is er aan essays van Oek de Jong verder niets te lezen. Behalve dan een recente uitgave waarin hij nog uitgebreider ingaat op zijn ideeën over de roman. Dus zou ik nu eigenlijk zo’n dik fictiewerk van hem moeten aanvatten. Alleen moeten deze jaargang van boeklog al die dikke romans van Bellow ook nog…

Oek de Jong, Een man die in de toekomst springt
250 pagina’s
Augustus 2004, oorspronkelijk 1996

Wat alleen de roman kan zeggen ~ Oek de Jong

Als ik wat op romans of de romankunst heb aan te merken, zoals op boeklog met regelmaat is gebeurd, komt dat altijd voort uit een teleurstelling.

Mijn liefde voor lange fictiewerken was groot ooit, maar het lijkt tegenwoordig te vaak of alles van mijn kant komen moet. Geen genre boeken waarmee ik me sneller verveel dan met romans. En waarom is dat?

Ergens op deze website heb ik de vriendelijke theorette geopperd dat de roman eigenlijk te moeilijk geworden is voor de makers. Want simpel een verhaaltje opschrijven, volstaat niet meer. Auteurs besteden daardoor lange tijd aan zijn boek; waardoor zo’n schrijver gauw eens een ander mens is aan het einde van dat karwei dan aan het begin. Ook staat de tekst van zo’n boek er nooit al de eerste keer. En dit samen lijkt ervoor te zorgen dat romans te zelden boeken zijn uit éen stuk.

Terwijl ik als lezer zo’n roman liefst wel in éen zitting doorneem, desnoods tot diep in de nacht. En ik daarbij nog altijd wel verwacht iets monolithisch te krijgen; een geheel, in toon, of in kwaliteit.

Het kan ook simpelweg zijn dat ik al te veel romans gelezen heb in mijn leven; waaronder veel van de boeken die anderen tot een canon rekenen. De hoogtepunten in het genre zouden me dus bekend zijn; en lang elk ander boek is zo’n topper niet. Dat zou dan de cynische verklaring zijn voor mijn blijvende teleurstelling. Alleen, als ik geen fiducie meer had in het genre, zou ik helemaal geen romans meer willen lezen. Terwijl de hoop blijft leven.

En als ik al helemaal afgestompt en cynisch zou zijn, lukte het me ook niet om me interesseren in wat schrijvers te zeggen hebben, bij wie literaire fictie nog wel hoog staat.

Elk jaar schrijft tegenwoordig een auteur hier een lang essay over de roman, in dit tijdsgewricht — wat dan gebeurt op verzoek van de Koninklijke Vereniging van het Boekenvak en het Nederlands Letterenfonds. Eerdere afleveringen uit deze reeks kwamen ook op boeklog langs. En heel erg positief was ik daarbij meestal niet. De eerdere auteurs, A.F.Th. van der Heijden, Connie Palmen, Bas Heijne, en Marcel Möring, bleven me in hun behandeling van het onderwerp namelijk te dicht op die roman zitten.

Het genre werd door hen zonder meer heilig verklaard; dus was er geen toelichting nodig waarom dat dan zo is.

Oek de Jong schreef alleen al een aanzienlijk beter essay dan zijn vier voorgangers doordat hij het aandurfde om zich hardop af te vragen waarom iemand nu nog een roman lezen zou. Laat staan schrijven. De Jong meldt ook artistiek evenzeer van films geleerd te hebben als van boeken.

Dus biedt Wat alleen de roman kan zeggen een betoog dat uiteindelijk toewerkt naar de titel — de vlag dekt de lading. Elke kunstvorm heeft nu eenmaal zijn eigen sterkten en zwakten. En dit maakt dat fictieschrijvers er bij gebaat zouden zijn zich meer te concentreren op de bijzondere kracht van het woord.

De mens gebruikt nu eenmaal het grootste gedeelte van zijn hersenen om visuele informatie te verwerken, denk ik dan — De Jong negeert zulke kennis — dus zijn er onderwerpen en scènes te bedenken die de film of TV-series oneindig veel beter zullen doen; juist omdat mensen zo makkelijk met beelden te hypnotiseren zijn.

Komt De Jong in zijn betoog helaas nog niet verder dan algemeenheden uit te werken over wat de roman uniek maakt als kunstvorm — wegen wat er niet kan met film, of TV, of een game, had zijn betoog voor mij kunnen versterken.

Hij vermoedt bijvoorbeeld in zijn conclusie dat schrijvers het vooral in de diepte zullen zoeken moeten. En door de lezer meer te geven dan een verhaal alleen:

Zintuiglijk proza overleeft door zijn helderheid, precisie en beeldende kracht. Het overleeft omdat het ons een blijvende schoonheid toont: de schoonheid van de dingen. Al een paar duizend jaar is die gevoeligheid voor de schoonheid van de dingen in mensen niet veranderd.

In een tijd waarin de roman met zoveel andere media moet concurreren, heeft de romanschrijver er het grootste belang bij om proza te schrijven dat alle zintuigen van de lezer bespeelt, proza van de grootst mogelijke zintuigelijkheid. Er zijn andere middelen om een lezer de roman in te trekken, maar dit is en blijft een van de krachtigste. [65-66]

Enfin, dan zal Oek de Jong zelve nooit mijn lievelingsauteur worden, vanwege het uitwaaieren in zijn proza dat hij zo prettig vindt; en voor mij het boek te vaak slechts ophoudt.

En dan vind ik merkwaardig dat De Jong zich wel een lezer noemt, en toch tot nu toe nauwelijks herlezen heeft — alsof een goed boek al zijn rijkdommen bij de eerste kennismaking tonen zal.

Zijn liefde voor de roman komt alleen wel overduidelijk naar voren in dit essay. En soms wil een lezer niet meer dan de bevestiging krijgen dan dat schrijvers het ook zien, dat van die problemen met de roman.

Oek de Jong, Wat alleen de roman kan zeggen
96 pagina’s
Atlas Contact, 2013

Storytelling Animal ~ Jonathan Gottschall

Wie meent er op foto’s altijd veel lelijker uit te zien dan in de spiegel vertelt zichzelf een verhaaltje.

Niet dat daar iets mis mee is, overigens. De mensen die zichzelf nooit zulke blij makende leugentjes verkopen, zijn namelijk doorgaans depressief. En daarmee dus ernstig ziek.

Ik las The Storytelling Animal van Jonathan Gottschall om meer van zulke waarheden te ontdekken. Want, dat een zekere mate van zelfbedrog noodzakelijk is voor een gezond leven was me al bekend.

Hoopte ik ondertussen ook iets dichter bij het antwoord te komen waarom fictie me steeds minder doet.

En toen bracht dit boek meer in de terzijdes dan in de hoofdlijnen.

The Storytelling Animal is namelijk in de kern wat te veel Amerikaans. Het boek lijkt zich allereerst te richten op al die studenten ‘creative writing’ in de VS. Gottschall paait deze doelgroep nogal, door telkens, in steeds nieuwe bewoordingen, te benadrukken hoe belangrijk fictie is voor het leven.

Zoals piloten de vluchtsimulator gebruiken om beter te leren vliegen, zo maken romans en kortverhalen bijvoorbeeld betere mensen van ons. Enfin, dat is een ondertussen bekend verhaal; dat opvallend genoeg sterk opkwam sinds de letterenstudies minder studenten zijn gaan trekken.

Jonathan Gottschall staaft deze bewering dan met onderzoek; waaruit zou blijken dat de empathie en veel lezen samen opgaan. De meest sociaal bewogen mensen zijn dus degenen die zich het liefst uit alles in een hoekje terugtrekken met een boek.

En Gottschall meent dan dat juist dit gegeven aantoont dat het onderzoek wel moet kloppen — want de uitkomst is tegenintuïtief.

Tsjaja.

De auteur van dit boek haalt telkens nogal wat psychologisch onderzoek aan om zijn beweringen te staven. En voor een deel was dit onderzoek dat iedereen altijd al als bewijs aanvoert. Ja, onze hersenen houden ons vaak voor de gek; want ze maken zo makkelijk hun eigen verhaaltjes; door informatie aan te vullen waar deze ontbreekt. Dus zeiden zulke passages me niet het meeste.

Enkel het onderzoek naar hoe kleine kinderen verhalen vertellen, was heel interessant.

Want zelfs de allerkleinste peuters al stoppen enorm veel drama en spanning in hun verzinsels. En al doende spelen ze met gevaren die zich in hun dagelijkse leven juist helemaal niet voordoen.

Per se willen dat het goed afloopt na iets angstigs, is blijkbaar een soort prettige oeremotie, bij iedereen. Die fijn blijft. Hoe vaak ook herhaald. En hoe groter de opgeroepen angst, des te prettiger het wordt als juist niet uitkomt wat zo hard werd gevreesd.

Hierdoor ontstond het idee bij mij dat daarin weleens mijn probleem met fictieboeken kon schuilen. Eén kenmerk van fictie is nu eenmaal dat de hoofdpersonen gauw eens moeten doorstaan waarvan jij blij bent dat niet zelf te hoeven meemaken.

Waarschijnlijk heb ik domweg al zo veel ervaring met waar gebeurde verhalen — mede door mijn werk in de journalistiek — dat bedachte of halfvermomde dilemma’s in romans me al gauw te klein en te vervelend worden.

Zwijg ik maar over de schrijvers die menen dat een boek automatisch interessant wordt door dat over een schrijver te laten gaan.

Jonathan Gottschall, The Storytelling Animal
How Stories Make Us Human

248 pagina’s
Mariner Books 2013, oorspronkelijk 2012

Novel; A Survival Skill ~ Tim Parks

Ook teleurstellende boeken hebben altijd nog wel éen observatie ergens die het lezen dan niet helemaal tot tijdverspilling maken.

Schaarse hoogtepunt in The Novel; A Survival Skill van de Britse romanschrijver Tim Parks was een brief die hij citeerde. Waarin H.G. Wells dan aan James Joyce uitlegt waarom hij niets met diens laatste twee boeken aankan.

[…] Take me as a typical common reader. Do I get much pleasure from this work? No. Do I feel I am getting something new and illuminating as I do when I read Anrep’s dreadful translation of Pavlov’s badly written book on Conditioned Reflexes? No. So I ask: Who the hell is this Joyce who demands so many waking hours of the few thousand I have still to live for a proper appreciation of his quirks and fancies and flashes of rendering?

All this from my point of view. Perhaps you are right and I am all wrong. Your work is an extraordinary experiment and I would go out of my way to save it from destructive or restrictive interruption. It has its believers and its following. Let them rejoice in it. To me it is a dead end. […]

[93]

En dan had nog aardig kunnen zijn dat ik meer aan Wells’ kant sta, en Tim Parks de zijde van Joyce kiest. Alleen heeft Parks ook college gegeven over Joyce. Vanzelfsprekend dat hij dan diens laatste boeken veel interessanter vindt dan H.G. Wells’ onmiddellijk te begrijpen romans en verhalen. Over Finnegans Wake is tenminste nog te speculeren. Door zo’n boek kan de uitlegger nog eens extra intelligent lijken tegenover zijn of haar publiek.

Vervelend aan The Novel; A Survival Skill was dat het boek te veel las als een warrige verzameling college-aantekeningen van de schrijver waar nog eens iets mee moest. Was er nog een autobiografisch intermezzootje over de eigen schrijfcarrière, dat uiteindelijk het interessantst bleek aan deze uitgave. Het werd mij domweg niet duidelijk waar Parks heen wilde in zijn argumentatie — ook al omdat hij vrijwel niets zegt waarmee je het niet anders dan onmiddellijk eens kunt zijn. Voor- en nawoord beloofden meer lijn en betoog dan er ooit zou komen.

Goede schrijvers zijn in de contramine, is dan zo’n cliché van hem — en natuurlijk niet alleen van hem.

Parks diept dan weliswaar een niet helemaal voorspelbaar rijtje auteurs op uit zijn collegedictaten. Dickens komt langs, inclusief diens biografie. Thomas Hardy — want die had ook met nogal wat inmiddels vergeten Victoriaanse gevoeligheden af te rekenen.

Bij D.H. Lawrence alleen is het al wat makkelijker te begrijpen wat de Britse samenleving op diens boeken tegen hebben kon. En bij Joyce eveneens.

Blijft daarom helaas staan dat Parks enkel bewezen voorbeelden gebruikt van romanauteurs die de status quo aanvielen door te experimenteren in hun boeken. Want ooit was het inderdaad een daad om te beschrijven wat tot dan niet beschreven worden kon. Alleen, wat zijn de vergelijkbare taboes anno 2016 dan? In deze tijd, waarin emoties zo veel belangrijker worden geacht dan feiten? En waarom heeft Parks het daar niet over, als hij aan het lezen en schrijven van literatuur krachten toedicht om iemand beter te laten overleven?

Ergerlijk is al helemaal dat de auteur ons in zijn slotwoord wel waarschuwt dat het lezen van romans ons te zeer bevestigen kan in ons wereldbeeld — want is het lezen van literatuur op zich al niet een elitaire gebeurtenis, waardoor iemand zich verheven kan weten boven de simpele televisiekijkers die nooit een boek inzien. Toch moeten we ons dan niet in die zelfgenoegzaamheid blijven wentelen.

Punt bij deze uitgave bleef dat Tim Parks op zich vast interessante vragen stelt in zijn betoog, maar dat ik die allemaal ook al eens gesteld had. Niet omdat ik zo slim zou zijn — het zijn domweg de meest elementaire vragen over dit onderwerp. Boeklog werd bijvoorbeeld ooit mede opgezet om te ontdekken waar bij mij de vooroordelen zitten bij het lezen. Want niemand leest hetzelfde boek; iedereen neemt daarbij een eigen achtergrond en leeservaring mee. Dus knarst het hevig als Parks losjes beweert dat niemand die boeken recenseert er ooit bij stilstaat dat mensen zo’n uitgave heel anders kunnen lezen. Bijvoorbeeld.

Tim Parks, The Novel; A Survival Skill
185 pagina’s
Oxford University Press, 2015

Geluk van de kunst ~ Marc Reugebrink

Een tekstje als dit wordt op zijn minst enkele honderden keren geopend op de schermen van bezoekers. Of zo iemand deze woorden vervolgens ook leest, verraadt de software niet die de statistieken vast legt. De hoop kon weleens ijdel zijn.

Er zijn ook boeklogjes die inmiddels tienduizenden keren werden gezien. Waardoor ik heb geleerd — voor zover me dat nog niet bekend was — wat zoal een massaal bezoek kan trekken. Schrijf vooral over boekenlijsttoppers, en hele schoolklassen komen buurten. Of zet eens een plaatje uit een populaire strip online. De visite blijft binnenstromen.

De essaybundel Het geluk van de kunst van de Nederlandse Belg Marc Reugebrink [1960] is geen boekenlijstfavoriet. En van gebundelde essays is bovendien al een tijd bekend dat die nog moeilijker afzet vinden dan de toch al zo pover verkopende bundels van dichters. Dus is me bij het schrijven van deze regels al duidelijk dat hooguit een paar honderd mensen zullen lezen wat ik zoal dacht bij een boek dat optimistisch geschat misschien een duizend lezers gaat krijgen in zijn bestaan.

In beide gevallen zijn deze aantallen te laag. Al is dat voor Reugebrink en diens uitgever aanzienlijk vervelender dan voor mij. Zijn beschouwingen over de staat van de huidige literatuur horen tot de betere die ik ooit las. Terwijl dit boeklogje er éen der velen is; zelfs al neem ik het ook op in een apart dossier.

Wilde ik massa’s volk krijgen hier, dan werden er heel andere boeken besproken.

Reugebrink is overigens de eerste die toe zal geven dat hij geen grote naam heeft als schrijver. Ook al won hij in 2008 de Gouden Uil voor zijn roman Het grote uitstel, dat veranderde aan deze status niets.

In Het geluk van de kunst wordt onder meer verwerkt wat het winnen van zo’n commerciële literaire prijs betekenen kan in het leven van een auteur. Al is het misschien beter om in dit geval te schrijven: hoe weinig zo’n prijs uiteindelijk uitmaakt, op even wat extra aandacht na, een scheut prijzengeld, en een ongetwijfeld lillijk kunstwerk dat op de publiciteitsfoto’s even dienen moest als winnaarsbokaal.

Marc Reugebrink stelde zich met zijn essays ten doel om min of meer vast te leggen wat het betekende om een literair schrijver te zijn anno 2012. Hij droeg het boek mede daarom op aan zijn dan zevenjarige dochter. Voor later. Omdat zij een lezer is, die nog vindt dat ze lezen moet, terwijl haar vader nu al ziet dat er zo veel andere manieren bestaan waarmee ze haar tijd kan gaan vullen.

En de waarde van deze bundel zit er dan voor mij in dat het niet bij deze ene relativering bleef, uit het begin van het boek. Al leunt Reugebrink wel opzichtig op Sloterdijk als hij de teloorgang analyseert van de leescultuur sinds 1945.

Bovendien blijft Marc Reugebrink desondanks een romanticus — waar ik dat nu net niet ben — die een toestand uit het verleden absoluteert die zo wel nooit bestaan zal hebben. Zijn idee is het dat schrijvers ooit statuur hadden, en daarmee gezag; waarmee dus ook de literatuur van grote betekenis was in de cultuur. En daarmee nu niet meer is.

Maar het meeste uit het verleden verdwijnt — wat daarmee niet meteen iets zegt over de waarde van wat wel overblijft

En omdat voor mij de uitvinding van bijvoorbeeld de rioolpomp een veel grotere zegen voor de mensheid is gebleken dan welke roman ook, heb ik nog altijd enorme moeite met die standaardverheerlijking van bellettrie.

Er ligt voor mij nu eenmaal het simpele gegeven dat wij mensen weliswaar denken in verhalen — waardoor de vertelling altijd zal blijven bestaan; en religies waarschijnlijk ook — maar dat slechts éen vorm van verhalen vertellen op een vreemde manier heilig wordt verklaard. De roman. En daarmee wordt inmiddels bedoeld, de hedendaagse literaire roman, waarin verhalen zelden rechtuit worden verteld, en waar doorgaans enkel van te genieten valt voor een publiek met enige leeservaring.

Zulke lezers hebben niet alleen nogal wat tijd van hun leven moeten investeren om zoveel ervaring op te doen, elke roman opnieuw vergt weer uren van hun bestaan.

Voor mij is het inmiddels zo dat te weinig auteurs nog iets in romanvorm weten te vangen dat mij van begin tot eind kan boeien. Ik ben de verslaving voorbij, en acht het genre gauw eens te moeilijk geworden voor de beoefenaren. Er komen domweg te veel romans uit ook. Daardoor sneeuwt het schaarse goede onder, en is er te veel aandacht voor het wel heel matige.

De status van de roman is dus allereerst nog altijd dat iedereen denkt er éen te moeten schrijven. En te kunnen schrijven ook.

En dan is te begrijpen dat het een romanschrijver, als Reugebrink, niet zal lukken om zijn hele bestaan kapot te relativeren, en eens echt principiële vragen te stellen bij de status en aard van lange fictiewerken; van de prehistorie tot in het huidige tijdsgewricht.

Net als het logisch is dat zo’n auteur er dan voor kiest om zijn gedachten te vangen in een essay — het genre voor nog veel fijnere luiden dan de toch al zo selectieve literaire roman.

Alleen blijft diens boek daardoor grotendeels bestaan uit shoptalk. Intelligent geformuleerde en inzicht biedende shoptalk weliswaar, maar een principieel conservatief-romantische tekst, waarin de schrijver impliciet toont dat hij liever zag dat het anders was; terwijl hij niet begrijpt waarom het niet gewoon anders zijn kan.

Hoe interessant het verder ook was wat hij te melden had over het vak en de beschouwingen daarover. Zo maakt hij bijvoorbeeld pijnlijk helder duidelijk waarin Thomas Vaessens’ vreemde monografie De revanche van de roman, en sowieso de literatuurbeschouwing in Nederland, intellectueel tekortschiet. Boeken worden nooit eens in een context gezet. Breder kijken dan het boek alleen is hier vreemd.

Maar het perspectief in welke beschouwing ook, door wie ook geschreven, wordt mij helaas zelden ruim genoeg genomen.

Marc Reugebrink, Het geluk van de kunst
Essay

224 pagina’s
De Bezige Bij, 2012

Blauwe muze ~ Manon Uphoff

Meermaals kwam de conclusie al op boeklog voor: verhalen kunnen, vakmatig, inmiddels vlot en vrijwel volmaakt verteld worden in TV-series, of films. Waardoor mijn vraag is óf romanschrijvers zich daar iets van aantrekken, en zo ja wát.

En dat blijkt dan nogal tegen te vallen, zoals een hele reeks navelstaarderige essays over de roman me de laatste jaren leerde. Terwijl lange fictiewerken toch allemaal minstens éen probleem hebben. Ze zijn nooit perfect. Zo ligt er alleen al de moeilijkheid dat het tijd kost om een roman te schrijven, en dat geen schrijver in zo’n periode op dezelfde toon blijft.

Mijn probleem met de romans blijft dat me doorgaans binnen vijftig pagina’s duidelijk is hoeveel reikwijdte de schrijver heeft. Verrassingen volgen daarop zelden nog. En dan valt op dat vooral de Nederlandse roman me al gauw te klein van bestek of ambitie is om daar verheugd in verder te willen lezen.

Hebben TV-series overigens ook enorme problemen. Meest hinderlijke blijft wel de totale dominantie van het beeld — of dat onze hersenen zo veel processorcapaciteit besteden aan enkel dat domme zien. Vrijwel geen fictie op televisie slaagt voor de simpele lakmoesproef om er van te genieten met de ogen dicht. Want dan valt ineens op hoe onnatuurlijk de acteurs allemaal praten.

Is er ook nog het probleem dat zo veel vulling is, in films of in TV-drama, omdat alles zich in real-time afspeelt. Of dat scenaristen telkens weer cliffhangers inzetten om de kijker tot doorkijken te bewegen; wat dan vaak nogal bedachte conflicten zijn; die er iets later in de tijd daarom niet meer toe doen.

Ofwel, ik heb weleens nagedacht over wat me bevalt en wat me tegenstaat in de manieren die er zijn om verhalen te vertellen; via welk medium ook. En waarschijnlijk daarom viel het pamflet De blauwe muze van Manon Uphoff mij inhoudelijk nogal tegen.

Kan ze daarin nog zo zeer pleiten dat Amerikaanse TV-series, als The Sopranos of Mad Men, literatuur brengen.

Het punt is dat Manon Uphoff waarschijnlijk meende dat ze al een enorm risico nam door als gelauwerd fictieschrijver te gaan verkondigen dat TV-drama soms heel erg goed in elkaar steekt; nee, dan zelfs iets kan dat vrijwel geen roman lukt. Want veel meer dan dit ene statement brengt De blauwe muze niet.

Zelfs als de schrijver blij verheugd de serie The Sopranos ontleedt, is wat ze opmerkt eerder anekdotisch dan een werkelijke analyse. En om mij te overtuigen van je inzicht is er domweg meer nodig.

Zo is het voor mij al een behoorlijk zwaktebod dat Manon Uphoff het enkel over recente TV-series heeft. Die weliswaar op dit moment geweldig kunnen lijken, maar waarover een vraag is hoe ze over twee, drie decennia zullen worden bekeken. Want er is weinig dat zo snel veroudert als film, en dus ook TV-drama.

En waar ligt dat dan aan?

Menige roman uit de jaren 1930 lijkt te zijn geschreven door een hedendaags mens; mede om de toon. Films uit die tijd zijn nauwelijks meer te bekijken; tenzij een lachfilm of wat, een canonische klassieker, of eens een enkele vroege Hitchcock.

Tuurlijk, het woord is abstract en vergt daarmee interpratie, terwijl beelden figuratief zijn en daardoor meteen verwerkt kunnen worden. Maar bij deze constatering hoort het denken te beginnen over wat de roman kan hebben aan wat TV-drama biedt, en niet al op te houden, zoals Manon Uphoff in haar pamflet presteerde.

Manon Uphoff, De blauwe muze
Waarom de beste literatuur op tv te zien is

72 pagina’s
De Bezige Bij, 2014