deze boeklogjes vormen het dossier:

De stad

© Boeklog 2005-2018. Alle rechten voorbehouden

 

Triumph of the City ~ Edward Glaeser

Nu de grootste helft van de wereldbevolking in een stad woont, sinds een paar jaar, werd het tijd om eens iemand te lezen die me uitlegde waarom.

Steden, en stedelijke ontwikkeling, interesseren me. Bijvoorbeeld omdat ik best in een stad wil werken, maar er liever niet woon. En de boeken van Lewis Mumford en Jane Jacobs in mijn kast over deze onderwerpen zijn inmiddels wat belegen.

Maar Glaeser’s Triumpf of the City bracht niet heel veel meer dan me al bekend was. Als inleiding in het onderwerp is het wel een voorbeeldig boek, door de vlotte presentatie van de feiten. Het leest bijzonder makkelijk.

Glaeser heeft op Mumford en Jacobs voor dat hij kan tonen welke invloed de auto — of misschien beter: goedkope brandstof — heeft gehad op de ontwikkeling van de steden, en wat de reactie daarop is. Op zekere leeftijd gekomen gaan de meeste mensen in de buitenwijken wonen, om de kinderen bijvoorbeeld. Waardoor in de centra alleen de zeer rijken overblijven, die liever geen tijd kwijt zijn aan het forensen, en de groepen die niets te kiezen hebben.

Een opvallend accent in Triumph of the City vond ik dat Glaeser redeneert dat hoogbouw over alles triomfeert. Met wolkenkrabbers wordt de minste grond gebruikt. Zulke gebouwen zijn ook nog eens efficiënter in het gebruik van grondstoffen en brandstof. En voor de mensen in die torens is het ook al een groot voordeel als ze dicht bij elkaar zitten — voor hun zakelijk netwerken.

Het zou beter zijn als steden ontworpen werpen rond de lift, dan voor de auto, schrijft Glaeser dan. Helemaal in landen die zich nog verder ontwikkelen moeten, zoals China en India.

En misschien moet je in een zompige rivierdelta wonen om te zien dat wolkenkrabbers niet overal gebouwd kunnen worden. Of dat hoge gebouwen hun eigen microklimaat creëren, waardoor de wind zich bijzonder vreemd gedraagt in de buurt van zulke gebouwen. Wat iedereen weet die weleens langs zo’n gevaarte fietste.

Maar Triumph of the City is wat Amerikaans in zijn uitgangspunten. Daar telt de fiets nu eenmaal slechts als sportattribuut, en niet als transportmiddel.

En zo komt elk perspectief met zijn eigen vertekening, zo niet bijziendheid.

Edward Glaeser, Triumph of the City
338 pagina’s
MacMillan, 2011

Trek naar de stad ~ Doug Saunders

Graag heb ik dat problemen, als die aan de orde komen, in een zo groot mogelijk kader worden geplaatst. En daardoor rest me al gauw weinig anders dan het lezen van een boek.

De krant, of het TV-journaal, doen namelijk precies wat mij nu net tegenstaat. Die isoleren een probleem altijd. Dit maakt dat de drukte over de dagelijkse actualiteit op mij al snel wat onbenullig overkomt.

Arrival City van de Canadees Doug Saunders is een boek met een werkelijk enorm kader. Wat alleen al bewonderswaardig maakt dat hij daar aan durfde te beginnen. Saunders beschrijft namelijk een proces dat al eeuwen geleden in gang werd gezet, en sinds een paar jaar zijn kantelpunt bereikt heeft.

Ooit woonden de meeste mensen op het platteland. Tegenwoordig woont een meerderheid op deze wereld in de steden. Het platteland druppelt overal leeg.

De voornaamste reden daarvoor is simpel. Steden bieden aan elk individu meer mogelijkheden en kansen.

Zelfs in het al sinds de Middeleeuwen verstedelijkte Nederland is het voor menigeen uit de regio nog altijd volkomen logisch om naar Randstad te verhuizen, voor werk.

De gevolgen van deze stelselmatige volksverhuizing zijn minder simpel te laten zien. Opmerkelijk aan Arrival City | De trek naar de stad is daarom alleen al dat Doug Saunders overal ter wereld ging kijken waar de nieuwkomers in de steden terechtkwamen. Wat daar de leefomstandigheden zijn. En wat overheden daarbij kunnen en zouden moeten betekenen.

Trekt Saunders ook parallellen met het verleden. Want wat nu in Afrika gebeurt, in Zuid-Amerika, of in China, vond anderhalve eeuw geleden ook hier plaats. In steden als Londen, Parijs, of Barcelona.

Alleen zouden deze plaatsen pas echt groot groeien nadat de massale sterfte onder bevolking er afnam; omdat men eindelijk enig benul kreeg van hygiëne.

Arrival City vond ik bijzonderder door de persoonlijke verhalen die Saunders optekende, dan door zijn bredere analyses. Want op basis van informatie die de auteur aandraagt, trek ik hardere conclusies dan hij.

Zo beschreef Jane Jacobs al in 1961, in The Death and Life of Great American Cities, dat stadsvernieuwing doorgaans weinig van doen heeft met de wensen van degenen die in zo’n stad moeten wonen.

En nog wordt er dagelijks tegen haar observaties gezondigd door politici; die liever hun werkelijkheid aan de bevolking opleggen.

Saunders heeft ook de Amsterdamse wijk Slotervaart beschreven in Arrival City — maar dat gebeurde enkel omdat het daar eerst flink mis moest gaan, voor er iets opmerkelijk over te zeggen viel.

Slotervaart was ooit in een andere tijd voor andere mensen ontworpen als woonwijk. In Nederland betekent dit dan ook meteen dat er in zo’n wijk vrijwel alleen woonhuizen staan; ondernemingen mogen zich er niet vrij vestigen. Vijftig jaar later, eind twintigste eeuw was de woonwijk verworden tot een opvangbak van voornamelijk alles Marokkaans; wat dan nog niet integreerde ook. Het onderwijs kon daarbij de kinderen niet redden die van huis uit of op straat geen Nederlands leerden, omdat de scholen die kwaliteit ontbeerden. Het tal leerlingen dat chronisch spijbelde of voortijdig het onderwijs verliet was mede daardoor hoog, vooral onder jongens. En juist die jongens hingen dan wat rond op straat. Wat de sfeer er grimmig op maakte.

Dit zou ondertussen alleen een stuk beter zijn geworden, dankzij buurtregisseur Ahmed Marcouch, en de steun die hij kreeg vanuit de gemeente.

En het is dat Doug Saunders dit schrijft, ik kan dat dan weer niet controleren. Omdat de media die me daarover zouden kunnen inlichten dit veel te hijgerig doen; zonder oog te hebben voor de grote lijnen. En ook al omdat de voorwaarden van het debat over immigratie gedicteerd worden door de populist Geert Wilders; die maakt dat andere politici zich niet eens aan het onderwerp durven te wagen.

Maar op de hele wereld zijn de grote steden magneten die mensen aantrekken. Is een land rijk, dan willen bovendien niet alleen de eigen plattelandbewoners naar zulke stedelijke centra, dan trekt daar ook het volk van buiten naar toe. En in Nederland kan dat wel degelijk groot nut hebben.

Waarbij voorbeelden van elders ook leren hoe het niet moet. Canada, o Canada, moest en zou bijvoorbeeld alleen hooggeschoolde immigranten toelaten. Terwijl het land in de praktijk zo veel meer had gehad aan vakmensen en ambachtslui. Lassers mochten er alleen niet in, of zorgpersoneel. Waardoor veel van al die hooggeschoolde import om banen zocht die er niet waren, werkloos raakte, of werk aannam waarvoor niemand zou willen immigeren.

Doug Saunders, De trek naar de stad
416 pagina’s
De Bezige Bij, 2010
vertaling door Guus Houtzagers van Arrival City, 2010

City ~ P. D. Smith

Meer nog dan naar de inhoud van deze monografie was ik benieuwd naar de presentatie van die inhoud. De stad beschrijven, van de prehistorie tot in het huidige tijdsgewricht, vraagt in elk geval al dat de auteur het optimisme heeft dat zoiets gewoon kan in slechts éen boek.

En toen schreef de Brit P.D. Smith zelfs nog over de toekomst van steden — omdat het huidige tal megaconglomeraties van tien miljoen inwoners of meer nog zal verdubbelen voor 2025

Liggen veel van deze steden alleen wel aan de kust. Wat ze kwetsbaar maakt voor rijzende zeespiegels, en andere gevolgen van het opwarmen van de aarde.

Kern van dit boek is dat steden aantrekkelijk zijn. Inmiddels leeft meer dan de helft van de wereldbevolking ook in een stad, en dus niet meer op het platteland. Alleen, waar bestaat die aantrekkingskracht dan uit? En, wat is er juist vervelend aan steden?

Smith ziet de stad in de geschiedenis allereerst als plaatsen waar activiteiten zich concentreerden. En waar daarom zo veel vondsten zijn gedaan. Mensen dromden tezamen op oplossingen te vinden voor hun problemen.

Ik miste weleens heel basale gegevens in dit boek. Want het is éen ding om het rijke theaterleven in Londen geroemd zien worden van Shakespeare’s tijd en vlak daarna. Als mij dan niet duidelijk is gemaakt hoeveel mensen daar toen leefden, slaat het gegeven dood dat er twaalf goedlopende theaters waren.

Dat inwonertal wordt overigens geschat op 200.000 toen — zo veel als een middelgrote provinciestad als Groningen er tegenwoordig telt.

Dit is dan ook niet het boek van de heel feitelijke informatie. P.D. Smith pakte telkens een nieuwe invalshoek om iets typisch des stads te bekijken — of dat nu de watervoorziening was, de skyline, het vervoer daar, of de overlast, enzovoorts — en zocht dan al gauw het toegespitste voorbeeld op, of liever nog de anekdote.

Dus komt in dit boek zelfs de optimist Hans Monderman nog eens langs. Wijlen de Drachtster verkeerskundige die meende dat het verkeer op straat een stuk veiliger zou worden door het in verwarring te brengen. Waarop hij alle stoplichten, verkeersborden, of zelfs trottoirs verwijderde, om zo gedeelde ruimten te krijgen, waar iedereen zich uit onzekerheid over de andere weggebruikers als vanzelf fatsoenlijk zou gaan gedragen.

Maar had Monderman niet de gewoonte gehad om, ter demonstratie van hoe veilig zijn oplossingen waren, achteruit lopend zonder te kijken een kruising op te stappen, dan was hij nooit in dit boek terechtgekomen. Lijkt me.

City leest daarmee behoorlijk vlot. Alleen stond de echt nieuwe informatie voor mij telkens in de anekdotes; wat er niet echt aan bijdroeg om zulke feiten dan ooit echt tot kennis te laten rijpen. Toch is het vrijwel onmogelijk om een boek als dit niet te bewonderen; alleen al om de durf van de wel heel grote greep.

P.D. Smith, City
A Guidebook for the Urban Age

400 pagina’s
Bloomsbury, 2012