Kleine cultuurgeschiedenis van Nederland ~ red. NRC Handelsblad

omslag cultuurgeschiedenis

Kleine observatietjes van verschillende mensen over wat zij kenmerkend voor de cultuur van dat moment achtten, zo rond de recente eeuwwisseling. Dat betreft dan zaken als signaleren dat er zo veel meisjes flesjes met bronwater rondsjouwen, tot dat de supermarkt zo’n keus aan toetjes biedt, en er een ook enorm cursusaanbod over als spiritueel ervaren zaken is. Aangevuld met foto’s van grappige straatscènes in een stad ergens, van Theo Niekus.

Als dit op een weblog zou staan, zou ik die bookmarken om nog eens een keertje terug te keren. Maar zo in een boekje is het meer hap slik weg. Te veel modeverschijnselen beschreven, te weinig aandacht voor structurele verandering. Typisch een boekje dat over twintig jaar aardiger is dan nu.

Kleine cultuurgeschiedenis van Nederland
Scènes uit het alledaagse leven

89 pagina’s
Uitgeverij Prometheus/NRC Handelsblad © 2000

AllerHande 4 ~ tijdschrift van Albert Heijn

Er staat nog net niet ‘zalig pasen’ op de omslag van de laatste AllerHande, maar veel scheelt het niet meer. Grootgrutter Albert Heijn zal zijn katholieke klanten niet willen grieven.

Enfin. Feestdagen gingen altijd al over eten, lijkt me; zelfs al voordat kerken de heidense riten slim incorporeerden. Het oude lentefeest zal een moment zijn geweest om te vieren dat de schrille schaarste van de winter voorbij was.

Maar tegenwoordig gaan feestdagen alleen nog over eten, het liefst nog rijker dan normaal.

Merkwaardig aan zo’n blad als deze AllerHande is dat ik het op dit moment tamelijk ongeïnteresseerd doorblader. De meeste recepten die er in staan – en anders dan recepten staan er alleen advertenties in – zijn mij te veel moeite. Al was het maar omdat ik er altijd spul voor moet kopen dat niemand normaal in huis zal hebben.

Dat de firma Albert Heijn toevallig de ingrediënten wel in huis heeft, is daarbij een meestal nogal dure troost.

Nee, de waarde van een blad als dit is cultuurhistorisch. Interessanter dan de aflevering van deze Pasen, is die van dertig jaar terug. Net als bij die relatief oude Wehkamp-gids die ik ooit eerder besprak.

En juist omdat dit blad niet bedoeld is om bewaard te blijven — over een paar weken heeft AH de meeste van de geadverteerde spullen ook al niet meer — zal ik wel nooit een dertig jaar oude AllerHande te pakken krijgen.

Tenzij ik zelf nog eens zo lang wacht.

AllerHande 4
Het tijdschrift van Albert Heijn

169 pagina’s
© 2006

Aan tafel! ~ Ileen Montijn

Historica Ileen Montijn blikte in dit herdenkingsboek terug op 50 jaar eten in Nederland. Wat kwam er op tafel, hoe ging de bereiding, en waar werd het gekocht?

Omdat het Voorlichtingsbureau voor de Voeding in 1941 werd opgericht, speelt ook de Tweede Wereldoorlog een rol in dit boek. En wat een merkwaardige periode was dat toch. Nooit was er in de recente geschiedenis minder keuze aan eten voor de Nederlanders, en nimmer aten zij gezonder, naar de inzichten van nu. Een beetje eenzijdig alleen, dat misschien wel.

Naast eten gaat dit boek gelukkig ook over koken, over landbouwopbrengsten en wat de winkels in stelling brachten. Over de opkomst van de supermarkt dus, en de intrede van koelkast in het huishouden, of bijvoorbeeld de magnetron.

De nog almaar groeiende populariteit van het eten buiten de deur.

En dan blijken die vijftig beschreven jaren heel veel enorm wezenlijke veranderingen te hebben gebracht. Zo veel zelfs, dat het na het lezen raar aanvoelt dat dit boek maar 159 pagina’s telt.

Ileen Montijn, Aan tafel!
Vijftig jaar eten in Nederland

159 pagina’s
Uitgeverij Kosmos, 1991

Konmar & kwel ~ Gerard Rutte

Dit boek was als boek niet zo bijzonder, maar als informatiebron wel. De schrijver is consultant, en weet daardoor te veel van de supermarktbranche. Hij houdt mij er te weinig rekening mee dat zijn publiek weleens echt elementaire kennis missen kan.

Ofwel: dit boek beschrijft in detail de schaakpartij die de clustering van al die regionale supermarktconcerns was in dat ene landelijke bedrijf, maar vergeet daarbij de spelregels ook even uit te leggen. Of hoe het kan dat sommige stukken op dat bord bewogen zoals ze bewogen.

Wat er op het spel stond.

Als ergens middenin staat dat een supermarkt ergens liefst 4% marge had, leer ik daar dan pas uit dat de winstpercentages in de levensmiddelenbranche niet zo heel groot zijn. Vergeleken dan met sectoren waar ik meer verstand van heb. De investeerders in uitgeverij PCM eisten bijvoorbeeld dat kranten als NRC-Handelsblad en De Volkskrant 20% winst zouden maken. Dit soort basiskennis had er vanaf het begin wat eleganter ingebracht mogen worden.

Ik las Konmar&kwel vooral om iets meer achtergrond te hebben bij het nieuws. De tragedie met dat Laurus speelt nog altijd.

Ondertussen zijn de namen van alle supermarkten hier uit de buurt verdwenen die ooit onderdeel van dat concern waren, of werden. Nieuwe Weme is weg. Super De Boer is weg. Edah is weg.

Niet dat dit me roert, maar van de redenen waarom dat zo is, wist ik naar mijn smaak net even te weinig.

Ondoordachte haast tot schaalvergroting was het, vooral. Trouwens.

Gerard Rutte, Konmar & kwel
de teloorgang van supermarktconcern Laurus

172 pagina’s
RTC bv © 2002

Zonder franje ~ Dieter Brandes

Eerder dit jaar las ik een boek over de opkomst en ondergang van het supermarktconcern Laurus. Een nogal saai verhaal was dat, over managers die de voordelen van schaalvergroting wilden forceren, en daar alleen maar de chaos van oogsten.

Daar hoorde een boek tegenover te staan dat vertelde hoe het dan wel moest in die supermarktbranche, vond ik. En dat werd dit, hoewel ik verder niets met het Aldi-concern heb. Er is iets met die winkels dat me triest maakt, waarmee elke aankoop er aanvoelt als een loodzware noodzakelijkheid.

Op zich was dit een leerzaam boek. Hoewel het vooral bevestigde dat supermarkten minimale winstmarges halen. Zelfs Aldi’s scoren niet hoger dan tussen de 3% en 5%. Maar omdat hun omzet zo groot is, en er zo veel filialen zijn, werden de oprichters toch de rijkste mannen van Europa.

Eten moeten de mensen altijd.

Het belangrijkste geheim van het concern blijkt gecontroleerde soberheid te zijn. De filialen hebben nauwelijks mensen in dienst, zijn nooit gevestigd op dure locaties, en bieden altijd maar een beperkt assortiment van 600 à 700 artikelen. Dit kan omdat er bij vrijwel alles slechts keuze is uit éen merk, in éen grootverpakking. Elke keuze voor een aankoop bestaat daardoor uit een simpel ja of nee.

Om éen of andere reden voelde dit niet echt als een onthulling. Het geheim van dit concern is voornamelijk dat er geen geheim bestaat.

Maar helaas is de schrijver van dit boek nogal in Aldi. Als tekst biedt het een interessante mengeling van genres als het managementsboek en de reclamefolder. Dit maakt het ook pijnlijk, als Brandes triomfantelijk de systeemfouten bij concurrerende supermarkten bekritiseert. Alsof de boekhouder van dienst ineens meent een hitser als Emil Ratelband te moeten spelen.

Dieter Brandes, Zonder franje
en tien andere geheimen achter het succes van Aldi

150 pagina’s
Scriptum, 2005
Vertaling van Die 11 Geheimnisse des Aldi-Erfolgs, 2003

Boodschappenbolwerk ~ Frits Kremer

Na een hagiografie over Aldi, en een werkstuk over de ondergang van het Konmar-concern, is dit al weer het derde boeklogje gewijd aan een boek over supermarkten. Dus lijkt het of ik me bijzonder voor dit onderwerp interesseer. Maar dat is niet helemaal zo. Het punt is meer dat supermarkten zo ergerlijk aanwezig zijn in mijn leven. En ik nog niet goed geformuleerd heb waarom.

Boodschappen doen, is in de eerste plaats een corvee. En omdat ik vooral op smaak koop, moet ik iedere week nog verschillende winkels af ook. Geen enkele supermarkt heeft lekkere tomaten, maar éen heeft echt lekker brood, slechts éen ander verkoopt die echt lekkere rijst. Enzovoorts. Alles via internet bij éen zaak bestellen en thuis laten bezorgen, is kortom geen optie; want dan zijn de bezorgkosten opgeteld duurder dan de boodschappen.

Interessant aan deze monografie van Frits Kremer was daarom alleen al dat hij nogal wat van mijn klachten deelt. Maar Kremer werkte dan weer lang genoeg in de supermarktbranche om zich die problemen persoonlijk aan te trekken.

Waarom concurreren de supermarktketens in Nederland toch alleen op prijs, zo luidt zijn voornaamste kritiek. Want, behalve dat de winkels zich daarmee nauwelijks van elkaar onderscheiden, gaan ze ook dom om met wat ze in huis hebben.

Dus, waar ik me erger aan onnozele caissières, die liever met elkaar kleppen dan mij aan te kijken, ziet Kremer vernietiging van menselijk kapitaal, en een gemiste kans van de winkel om mij als klant te binden.

Zolang de supermarkten het personeel alleen als kostenpost zien, twintigers er al gedwongen ontslag krijgen omdat er nog altijd nieuwe zestienjarigen te vinden zijn om voor een grijpstuiver te werken, maken die winkels geen enkel gebruik van de vaardigheden en creativiteit van de mensen die zij in dienst hebben.

En omgekeerd, zolang supermarktpersoneel alleen voor een tijdelijke zakcent werkt, mist het een directe motivatie om zich om de toekomst van de zaak te bekommeren.

Hoe zouden supermarkten zich dan moeten onderscheiden, volgens Kremer, behalve door een grotere klantvriendelijkheid, waardoor mensen uit zichzelf terugkeren? Hij vindt het vooral merkwaardig dat de winkels, met hun enorme economische macht als inkoopcentrales, zich zo weinig bekommeren om duurzaam produceren, en nauwelijks iets doen om biologische producten te brengen. Nederland onderscheidt zich daarin ook nogal negatief van omringende landen.

Dus is een groot deel van dit boek gewijd aan scenario’s van hoe milieuvriendelijkheid tot wapen kan worden gemaakt, in de slag tussen al die nu wel erg zelfgenoegzame supermarktketens; en de motivatie waarom dat dan nut heeft. Mede daarom kwamen er in de tweede helft van het boek wat weinig nieuwe inzichten voorbij.

Frits Kremer, Het boodschappenbolwerk
Macht en onmacht van de Nederlandse supermarkt

206 pagina’s
Uitgeverij Bert Bakker, 2008

Carried Away ~ Rachel Bowlby

De drie titels die ik eerder boeklogde over supermarkten bezaten éen groot nadeel. Die boeken waren geschreven door mannen. En helaas is daar, heel generaliserend, toch over te zeggen dat die meer geïntrigeerd zijn door de wetenschap van het boodschappen doen, dan door de aard van het boodschappen halen.

Tegenover alle economische beschouwingen moest dus zeker een cultuurstudie staan. Zeker nadat enkele boeken van Ileen Montijn al iets in deze richting brachten, maar toch niet genoeg.

En Rachel Bowlby biedt cultuur. Naast ook ervaring. Van hoe de supermarkt als decor wordt gebruikt in de roman, gaat het over hoe het is om in de rij bij Ikea te staan, in het weekend. Als de computerkassa’s uitvallen, en alles met de hand moet worden afgerekend. En waarom niemand dan klagend zonder aankopen wegloopt.

Rode lijn in het boek is de geschiedenis van de winkel in de twintigste eeuw. En, de invloed daarvan op andere terreinen; waarvan me verbaasde dat dit er zo veel waren. Want, toen winkels steeds meer ingepakte spullen van elders gingen verkopen, werd verpakking ineens belangrijk. Net als reclame.

En, de plaats waar de winkels komen, bepaalt hoe levend dorpen en steden blijven. Massale zaken aan de rand van een plaats zuigen gauw alle vitaliteit uit de eigenlijke centra weg.

Daarnaast bracht Bowlby toch ook wel kennis die ik al elders had opgedaan. Bijvoorbeeld dat de juiste routering in supermarkten een wetenschap is; zodat klanten altijd meer zien, en dus kopen, dan ze zich hadden voorgenomen.

Dus was het vooral de mix van alle elementen, die een vaak prettig onvoorspelbaar, en soms bijna amusant boek opleverden. Waarbij Bowlby zelfs al voorspelt dat door e-commerce een vroegere fase uit de detailhandel terugkomt — die waarin mensen niet meer zelf naar de winkels trekken, maar de leverancier gewoon weer aanbelt thuis.

Dat scheelt in elk geval auto’s op de weg. En, zoals Bowlby signaleert aan de hand van een citaat van Simone de Beauvoir, vroeger was boodschappen doen zowat het enige uitje voor de huisvrouw. Een moment ook om sociale contacten te leggen of te onderhouden.

Tegenwoordig is winkelen al gauw een corvee, dat het best maar zo gedachteloos als mogelijk kan worden uitgevoerd.

Rachel Bowlby, Carried Away
The Invention of Modern Shopping

281 pagina’s
Faber and faber, 2000

Einde van winkels? ~ Cor Molenaar

Non-fictie heeft éen eigenschap opmerkelijk veel vaker dan fictie, voor mij dan. De boodschap die een boek brengt kan zo sterk zijn dat verder wegvalt dat er op het boek eigenlijk wel éen en ander is aan te merken.

De monografie Het einde van winkels? beschrijft een vrij fundamentele verschuiving die net is ingezet. Molenaar plaatst het begin in 2008. Door internet gaat de consument bepalen waar hij of zij zijn spullen of diensten koopt. Door internet is het namelijk voor het eerst aan iedereen mogelijk om te vergelijken wat er allemaal op de markt wordt aangeboden. De afhankelijkheid van de lokale middenstand en wat die zoal op voorraad heeft, verdwijnt volkomen.

Ik las dit boek als aanvulling op mijn lopende dossiertje over de supermarkt. En de supermarkt valt opvallend genoeg buiten deze trend. Volgens Molenaar tenminste. Die ziet het doen van de dagelijkse boodschappen allereerst als een routinezaak, waar de meeste mensen liefst niet te veel over nadenken. Supermarkten blijven daarom nog wel even bestaan, dicht bij waar hun klanten wonen.

Alleen kopen mensen zo veel meer zaken dan al wat ze nodig hebben om in leven te blijven. En dan hebben winkels in winkelstraten inmiddels toch wel wat nadelen ten opzichte van webshops. Het assortiment is beperkter — omdat fysiek alles ruimte kost, anders dan op een website. Er moet naar toe worden gereisd, en dan dient er meestal betaald te worden voor een parkeerplaats. En winkels zijn maar een klein deel van de week open.

Cor Molenaar is verfrissend in zijn afkeer van de politieke keuze om de openingstijden van winkels zo te beperken. Mede omdat ervaringen in andere landen leren dat mensen graag shoppen op momenten dat er voor hen geen tijdsdruk bestaat. Typisch genoeg zijn dat nu net de momenten dat hier alles dicht is. Zoals op zondag, zoals in de avonduren.

Dus moet ik nu het winkeltijdenbesluit voegen in de lange rij aan ontwikkelingen die achterhaald zijn door de digitale revolutie.

De winkel zoals die nu is, kan niet blijven bestaan, aldus Molenaar. Door internet moet iedereen ineens met de hele wereld concurreren. En zeker de kleine detailhandelaren kunnen het daarbij nooit winnen op prijs.

Daarom moeten winkels een extra waarde gaan bieden, die klantentrouw oplevert. En Het einde van winkels? is niet opvallend anders dan overige boeken in wat de auteur over dat onderwerp te melden heeft.

Nee, het is die ene simpele mededeling die de waarde van dit boek uitmaakt, dat de vier traditionele waarden die winkels hadden, sterk aan het eroderen zijn. Zo kunnen ze er niet langer op rekenen voldoende omzet te draaien. Verder staat hun winstmarge onder druk, omdat klanten online vergelijken wat producten elders kosten. De winkelpanden worden steeds minder waard, bovendien, omdat er te veel winkels gebouwd zijn, en de prijzen voor alle vastgoed dalen. En de rente staat ook al historisch laag, zodat er geen voordeel te behalen is door leveranciers later te betalen, met geld dat klanten dan al hebben ingebracht.

Molenaar had wat mij betreft vervolgens dieper mogen ingaan op hoe fundamenteel deze ontwikkelingen ingrijpen in het bestaande politieke beleid. En wat dit allemaal voor vragen oproept over bijvoorbeeld ruimtelijke ordening, of stedebouw.

Zo schrijft hij wel ergens dat het winkelbestand in Groot-Brittannië net iets anders is georganiseerd dan in Nederland. Omdat daar de detailhandel veel vaker al uit de stadscentra is weggetrokken naar speciale winkelgebieden aan de periferie. En hier blijft het dan bij. Maar, zo’n verschil is niet toevallig ontstaan; daar steken wel degelijk politieke ideeën achter over ruimtelijke ordening en autoverkeer. Ideeën bovendien die verschillen tussen beide landen.

Als boek informeert Het einde van winkels? dus heel goed over éen enkele ontwikkeling. Bovendien heeft Molenaar een website aan het onderwerp gewijd, en zijn vanuit de tekst video’s op te roepen. Alleen is er ook nog die context, waar het mij wat te veel aan ontbrak.

Cor Molenaar, Het einde van winkels?
De strijd om de klant
Waarom het niet meer vanzelfsprekend is om naar een winkel te gaan

220 pagina’s
Academic Service, 2011

Salt, Sugar, Fat ~ Michael Moss

Wie weleens heeft nagedacht over wat goed eten is, weet voor een groot deel al wat Michael Moss beschrijft in Salt, Sugar, Fat. Fabrieksvoedsel zit vol toevoegingen. Voor een deel om het spul langer houdbaar te maken op de winkelschappen. Voor een deel om de smaak. Het eten is ontworpen om zo lekker te smaken als kan; en liefst ook om tot dooreten aan te zetten.

Gezonder is het daarom om je maaltijden te bereiden met verse ingrediënten. En fabriekseten gewoon te zien zoals snacks; heel handig voor noodgevallen, en dan zelfs nog smakelijk ook. Alleen niet vreselijk goed voor je, bij overmaat.

Salt, Sugar, Fat biedt dan ook nog wat meer kennis over wat zout, zuiker, en vet precies doen, in de geprefabriceerde hap.

Zonder zout smaakt de fabriekshap bijvoorbeeld simpelweg niet. Al geldt bijvoorbeeld voor brood ook dat het deeg zonder zout minder goed bakt, en zelfs niet zo’n fraai bruin korstje krijgen kan.

Toch schijnt het genieten van zout aangeleerd gedrag te zijn. Tot een maand of zes moeten baby’s er niets van hebben.

Suiker daarentegen roept bij iedereen meteen een sterke respons op. Zoet is goed, zo heeft de evolutie ons geleerd. Helaas omdat zoet honderdduizenden jaren lang zo zeldzaam was.

Opvallend aan zoetheid is wel dat die een plafondwaarde heeft — in dit boek het ‘bliss point’ genoemd — waarna nog meer suiker niets meer toevoegt. Al schijnt het ‘bliss point’ van iemands leeftijd af te hangen, kinderen vinden zoeter fijner, en ook van zijn of haar cultuur.

Fabrikanten leerden hieruit dat ze producten moesten maken met verschillende zoetwaarden — voor als u zich nog afvraagt waarom supermarkten vierhonderd soorten jam verkopen.

Vet is nog calorierijker dan suiker, en roept bij het eten een al even grote genotsrespons op. En vet heeft die plafondwaarde niet; waardoor vet vrijwel zonder limiet aan fabrieksvoedsel is toe te voegen indien nodig.

Salt, Sugar, Fat bleek enerzijds het verslag van een wapenwedloop te zijn. Want overheden zijn zich overal gaan bemoeien met de gezondheid van hun bevolking. Dus zijn er al lokaal oorlogen gevoerd tegen de toevoeging van zout in het eten. En vet heeft al decennia een kwade naam.

Daar tegenover staan de voedselfabrikanten — die inmiddels bijna enkel nog uit mondiaal opererende monsterconglomeraten bestaan. Deze bedrijven trekken zich betrekkelijk weinig aan van overheidsbemoeienissen, of van de zorgen over het overgewicht van de bevolking. De fabrikanten kijken allereerst naar elkaar. Hen is het te doen om de meeste schapruimte te veroveren in supermarkten.

Michael Moss’ verslag over deze ontwikkelingen bleek sterk Amerikaans gekleurd te zijn; en paradoxaal genoeg dus welhaast anti-kapitalistisch. Al zijn de genoemde voedselgiganten vanzelfsprekend ook hier actief. En Moss schreef met zijn boek uiteindelijk een pamflet. Dat als grootste waarschuwing de boodschap bevat: u hoeft geen geprefabriceerd voedsel te kopen.

En juist daarom waren vooral de kijkjes in de fabriekskeukens het aardigst. Als het boek harde kennis biedt over hoe wij mensen geprogrammeerd zijn om iets lekker te vinden. Als duidelijk wordt dat uitgesproken smaken snel verzadiging oproepen, en fabrieksvoedsel en frisdranken dus subtieler tot consumptie verleiden. Als Moss telkens met de mensen spreekt die de beslissing namen om eten te maken dat nog beter verkopen zou.

Michael Moss, Salt, Sugar, Fat
How the Food Giants Hooked Us

449 pagina’s
WH Allen 2014, oorspronkelijk 2013

Birdseye ~ Mark Kurlansky

Kapitein Iglo uit de reclame voor vissticks heet eigenlijk Captain Birdseye.

Vanwege het merk aan diepvriesproducten dat dit typetje verkoopt. Iglo heet elders in de wereld Birds Eye. En dat merk is dan weer genoemd naar de pionier in het nuttig bewaren van voedsel. Clarence Birdseye [1886 — 1956] heeft echt bestaan.

Mark Kurlansky schreef met Birdseye een biografie over deze uitvinder — mede omdat hij diens vondsten had genoemd in eerdere boeken, en hem was opgevallen dat er geen complete levensbeschrijving bestond over de man.

Terwijl er toch een bijna sprookjesachtig verhaal zat in dat leven.

De self-made man en avonturier Birdseye ontdekte voor de Eerste Wereldoorlog, tijdens de poolwinters die hij doorbracht in Labrador, hoe goed vis later smaakte als die meteen na de vangst was bevroren. Dat hadden de lokale eskimo’s hem geleerd.

Vervolgens kostte het enige tijd en moeite voor hij doorhad waarom. Hoe sneller iets bevriest, des te kleiner blijven de ijskristallen in dat voedsel, en des te minder worden de cellen daarvan beschadigd.

Eind jaren twintig was Clarence Birdseye zo ver dat hij op industriële schaal groenten, vlees, en vis lekker blijvend kon invriezen. Daartoe had hij tal van technische vondsten moeten doen.

Punt was alleen, aan enkel een fabriek van diepvriesvoedsel heeft niemand wat. Want de productie moet vandaar nog geëxporteerd worden om ergens in een keuken terecht te komen. Alleen kan dit pas als er koelwagens bestaan bij de spoorwegen, of vrachtwagens waarin het getransporteerde voedsel bevroren blijft, en er winkels zijn met vrieskisten, en een winkelend publiek komt dat thuis iets van een koelkast heeft staan.

Ofwel, de hele infrastructuur om diepvries tot een verkoopsucces te maken, was er in de VS pas eind jaren vijftig. Dertig jaar later.

En op zich vertelt Mark Kurlansky dit verhaal wel. Die geschiedenis is ook niet helemaal te negeren. Want eten werd zelfs in de negentiende eeuw al ingevroren. Alleen gebeurde dat toen altijd te langzaam, waardoor diepvries veel minder lekker was dan vers. Was vers bovendien vrijwel nergens heel duur. Waardoor de fabrikanten van diepvriesvoedsel de laagste kwaliteit aan ingrediënten gebruikten, om tenminste nog iets te kunnen verdienen.

Pas toen de huisvrouwen massaal achter hun aanrecht vandaan waren gekomen om elders te gaan werken, en er ineens grote behoefte kwam aan eten dat snel was klaar te maken, overwon het publiek zijn grote weerzin tegen diepvries. Dat was ruim na die Tweede Wereldoorlog. En inmiddels waren de fabrikanten dus ook zo ver dat ze waren konden leveren met enige kwaliteit en smaak.

Moesten er nog supermarkten komen, bovendien.

Dus zat ik er tijdens het lezen van deze biografie mee dat de voor mij interessantste ontwikkeling — die hele technologische en culturele transitie — zich buiten het eigenlijke verhaal over de hoofdpersoon afspeelt, en me terloops werd afgedaan.

Want het is éen ding om de visie van een man te roemen — als vervolgens de hele samenleving moet veranderen voor diens ideeën uitkomen, en dit decennia duurt, dan is de factor geluk voor deze man om later nog als visionair erkend te worden ook enorm geweest.

Clarence Birdseye was slechts een klein maar heel nuttig schakeltje in het grote geheel. Hoe kleurrijk zijn verhaal ook was. Toch gaat de aandacht in het boek allereerst naar hem.

Had Birdseye bovendien het grote geluk dat hij zijn zo unieke diepvriesfabriek vlak voor de Beurskrach voor ruim $ 22 miljoen kon verkopen — omdat de kopende partij diens patenten zo waardevol achtte.

Nu stuit ik vooral bij Amerikaanse auteurs wel vaker op dit probleem. Dat zij uit het niets toch een onderwerp interessant weten te maken. En dat dit dan gebeurt door in te zoomen op het leven van éen mens. Doorgaans een man. Waarop de schrijver me vervolgens dan net teveel in de human interest blijft hangen om een echt memorabel boek te kunnen schrijven. Wat John McPhee kan, om dan ook dat grotere verhaal goed te vertellen, lukt verder haast niemand.

Mark Kurlansky, Birdseye
The Adventures of a Curious Man

251 pagina’s
Doubleday, 2012