Glorie en tragiek van het voetbal ~ Eduardo Galeano

Als er geen sport was geweest, hadden televisiebazen sport wel uitgevonden. Wat zeg ik, dat gebeurt natuurlijk ook. Regels worden aangepast om adverteerders te behagen, en kijkers te lokken. In sporten als volleybal is vastgelegd hoe klein de broekjes van de speelsters moeten zijn.

Taal leent zich minder om direct de spanning in de sport weer te geven. Daar zijn alle kranten op maandag tegenwoordig de treurige illustratie van. In plaats van neutrale wedstrijdverslagen te bieden, schrijven sportjournalisten bovendien recensies. Waarbij er zelfs vanuit gegaan wordt dat de lezer de strijd ook al gezien heeft.

Een goed boek over sport is al helemaal zeldzaam, maar dit is er nu eens wel éen. Eduardo Galeano schreef het in de aanloop naar de Wereldkampioenschappen Voetbal in 1996, maar het is tijdloos.

Dit komt onder meer door Galeano’s aanpak, door heel veel korte verhaaltjes te brengen. Hij doet geen poging om het hele panorama weer te geven, maar zoomt strategisch in op tekenende details, die in zo’n boek met elkaar een overzicht maken.

Het best lukte die aanpak hem in Het boek der omhelzingen, en de drie delen van De kroniek van het vuur over de geschiedenis van Latijns-Amerika. Maar ook deze poging om enkel over voetbal te schrijven is zeer geslaagd. Omdat de sport een geschiedenis heeft, en in die geschiedenis zichtbaar wordt hoe een land bijvoorbeeld omging met niet-blanken.

Honduras en El Salvador begonnen in 1969 een oorlog met elkaar om een voetbalwedstrijd.

Het aardigst nog vind ik dan weer de bijna absurd droge opsommingen over de geschiedenis van de regels van het spel, alleen al omdat die aantonen hoe zeer het allemaal maar bedacht is.

In 1869 werd het definitief verboden de bal met de hand aan te raken, zo leerde ik. Daarop werd in 1871 de keeper ingevoerd die dat wel weer mocht in een beperkt gebied. Waar hij een doel beschermde dat toentertijd vijfenhalve meter hoog was.

En ook wist ik niet dat het tot diep in de 20e eeuw moest duren voordat spelers vervangen mochten worden. Dat het dus voor 1970 altijd loonde iemand uit de wedstrijd te trappen.

Maar goed, tegenwoordig is er weer andere rot in het voetbalspel.

Eduardo Galeano, Glorie en tragiek van het voetbal
275 pagina’s
Uitgeverij Van Gennep © 1996
Vertaling door Dick Bloemraad van El fútbol a sol y sombra

Mooiste leven… ~ Kees ’t Hart

Eén van de eisen die deze tijd stelt aan de man, is dat deze voor een voetbalclub hoort te zijn. Ik vind dat een wat merkwaardige bepaling. Maar in voorkomende gevallen antwoord ik de vraag altijd wel, terwijl ik niet eens een lievelingsclub heb. Zulks hoort nu eenmaal bij de standaard aan kennismakingsrituelen; tegenstribbelen loont de moeite niet. Bovendien antwoord ik dan: sportclub Heerenveen. Want het noemen van die naam oogst altijd respect, dat dan weer op mij afstraalt. In Nederland althans.

Vele voetbalclubs mogen grotere prijzenkasten hebben, er is maar éen club het meest sympathiek. Heerenveen. Toevallig de betaald voetbalorganisatie het dichtst bij mijn huis gevestigd. De Friese dorpsclub die na enkele sterke stukken in de jaren vijftig — met dank aan volksheld Abe Lenstra — in anonimiteit terugviel, om pas decennia later langzaam met steeds grotere regelmaat in de landelijke subtop te verschijnen.

Over een paar weken speelt de ploeg weer eens een bekerfinale.

In het seizoen 2000 — 2001 speelde de club zelfs Champions League, doordat Heerenveen als tweede was geëindigd in de chaotische competitie het jaar ervoor; wat toen nog goed was voor rechtstreekse plaatsing. En over het seizoen 2000 – 2001 gaat dit boek, dat geschreven werd door een totale buitenstaander. De literator Kees ’t Hart, die dan in het dagelijkse leven docent aan de Open Universiteit is.

Hij maakte een nogal matig seizoen mee. Heerenveen speelde voor de winterstop dramatisch slecht in de nationale competitie, om het jaar als tiende te eindigen. Pas na de komst van een nieuwe spits werd het wat.

De Champions League leverde vooral ervaring op, plus vier nederlagen in de round robin, een gelijkspel, en éen winstpartij.

Maar, het boek gaat hier niet om. Kees ’t Hart deed zijn best om zo vaak mogelijk op de club te zijn. Om daarbij jongen onder de jongens te worden, voor zover mogelijk. Met alle platte grappen die daar bij horen, en alle andere groepsgedrag. En zo schreef hij een sportboek dat geheel afwijkt van vrijwel alle sportboeken die ik ken. Altijd gaan die over helden. Of mooier nog, over helden die falen, en zich daarmee naast idool toch ook nog menselijk tonen. Nooit hebben sportschrijvers het over het dagelijkse leven van de atleet. Met alle sleur. Met alle routines, want er moet nu eenmaal elke dag getraind worden. Met alle stress, want het hele voetballeven is alleen maar voorbereiding op die negentig minuten dat het werkelijk gebeuren moet; de wedstrijd.

’t Hart deed een opmerkelijke poging vast te leggen hoe het is om voetballer te zijn. En welke inspanningen zoal nodig zijn om die voetballers te laten presteren. En daarbij heeft hij, wat mij betreft, slechts éen aspect wat vergeten. Al komt dat in deze uitgebreide heruitgave uit 2006 — dit boek verscheen eerst als speciale uitgave van het tijdschrift Hard gras — wel zijdelings aan de orde in de bijlagen. Het was vrij toevallig welk team er stond in het seizoen 2000 — 2001. Vijf jaar later speelde er maar éen van de personages in het boek nog voor de club, de rest was uitgewaaierd, of gestopt.

Het is een mooi leven, dat van de profvoetballer die in het eerste team weet te spelen, maar het is ook wel een heel onzeker leven.

Kees ’t Hart, Het mooiste leven…
Een seizoen bij sc Heerenveen
439 pagina’s
Querido 2006, oorspronkelijk 2001

Essay over het toegewijde bestaan als supporter van voetbalclub Standard de Liège ~ Dimitri Verhulst

Boekhandel Bruna, waar ik doorgaans alleen binnenkom als ik op een trein wacht — veel vestigingen zijn op stations — doet ook aan leesbevordering. Elke maand brengt de winkel een ‘literair juweeltje’ uit; een klein gebonden boekje dat minder kost dan een losse krant. Normaal zijn die uitgaven oninteressant voor mij. Bijna altijd wordt er een hoofdstuk of verhaal in herdrukt dat al in een ander boek staat.

Maar dit essay van Dimitri Verhulst is voor de verandering nooit ergens anders verschenen. Dus nam ik het toch eens mee, in plaats van een tweede krant. Al was het maar omdat de druk me intrigeert om ergens supporter van te moeten zijn.

De voetbalclub Standaard Luik werd in 2009 kampioen van de hoogste Belgische klasse. Verhulst wist dit op het moment van schrijven niet. Standaard was toen wel regerend kampioen. Alleen had de club daar vijfentwintig jaar op moeten wachten.

Aanvankelijk leek me zijn clubliefde heel eerlijk.Supporter worden van een winnaar is weinig meer dan een vorm van gemakzucht. En hij supporterde toch al langer dan dat ene jaar. Verhulst had ook de magere tijden meegemaakt.

Alleen bleek later uit het essay dat hij begin jaren tachtig fan werd, toen Standaard ook een heel goede periode had. Fan werd hij van de kampioen, om de dribbels van Simon Tahamata. Dat is een Nederlandse topspeler die Belg werd, omdat het voor hem als Molukker toch niet uit maakte wat voor vreemd paspoort hem was opgedrongen.

Verhulst vermijdt het beide bovenstaande feiten te noemen. Zijn tekst moet het ook meer hebben van de taal, en de humor, dan dat het essay nu nieuwe verzichten opent.

Graag had ik toch meer vernomen over de jaren dat het allemaal niet vanzelf sprak in Luik. Over het omkoopschandaal, en alle andere problemen daarna.

Nu schrijft Verhulst in een boek over Standard de Liège de meest memorabele woorden over Eendracht Aalst. Dat is de club uit zijn geboortestad waar hij geen supporter van werd, anders dan zijn vader.

Sterven deed mijn vader één seizoen voor zijn club eindelijk promoveerde naar de hoogste klasse, als om te beklemtonen dat hij er altijd een meester in was geweest de successen uit zijn leven te vermijden. [29]

Meer van zulke doorleefde passages waren prettig geweest.

Dimitri Verhulst, Essay over het toegewijde bestaan als supporter van voetbalclub Standard de Liège
63 pagina’s
B for Books, 2009

Player and Referee ~ Collette Schulz Herzenberg (ed.)

Vierenzestig wedstrijden duurt een wereldkampioenschap voetballen. Achtenveertig daarvan doen er nauwelijks toe. De eerste achtenveertig van de poulefase. Die hebben ook geen direct sportief doel, maar zijn in de eerste plaats commercieel bedoeld. Om reclameblokken te verkopen.

Zou het WK direct met knock-out wedstrijden beginnen, verloor het toernooi elke ronde ook steeds de helft van de meest belangstellende kijkers.

Dat zo’n kampioenschap niet in de eerste plaats om sport draait, maar om geld en aandacht is daarmee duidelijk. Dit is ook weer reden dat zo veel politici graag zo’n groot sportevenement naar eigen land willen halen. Nederland doet nu weer een poging, tezamen met België, om de WK voetbal te krijgen, in 2018.

Maar dat voor een succesvolle ‘bid’ meer nodig is dan wat mooie voetbalstadions, met brede toegangswegen, en ruime parkeerplaatsen, mag ook bekend heten.

De FIFA World Cup 2010™ begon vorige week vrijdag. En de eerste week aan wedstrijden leverde aanvankelijk weinig op. Zoals te voorspellen viel. Vandaar misschien dat er bovenmatig aandacht was voor een relletje. Omdat een kleine Brabantse brouwer van waterig bier beschuldigd wordt van ‘guerrillamarketing’ daar. Dit bedrijf had een boeket blonde schonen ingehuurd om leuk op de tribunes op en neer te deinen in een gesponsord oranje jurkje.

Vanzelfsprekend kwamen zij in beeld.

Alleen was een ander bedrijf al de exclusieve bierleverancier van het toernooi.

Bovendien kent Zuid-Afrika wetten tegen zulke guerrillamarketing. Waardoor nu twee blonde schonen van Dietschen bloed mogelijk een half jaar gevangenisstraf wacht. En prompt schoten daardoor eindelijk wat Nederlandse journalisten wakker. Kregen wij straks ook door de FIFA gedicteerde wetten hier? [1].

Op dit moment ontkennen onze politici, en wuiven zij verontwaardigd de suggestie weg dat buitenstaanders zo’n enorme invloed zouden kunnen hebben op de Nederlandse rechtstaat. En journalisten slikken zo’n antwoord dan, zoals altijd.

Ik word juist bij zulke kwesties pas nieuwsgierig. Maar, in plaats dat de media mij in gevallen als deze overvoeren met informatie, en al antwoorden bieden op vragen die nog niet eens in me zijn opgekomen, moet ik altijd moeite doen om meer inzicht te krijgen.

Gelukkig kan zo’n speurtocht heel goed plaatsvinden tijdens zo’n saaie poulewedstrijd.

Want, wat heeft Zuid-Afrika moeten offeren om de FIFA World Cup 2010™ te krijgen? Hoe veel houdt het land er uiteindelijk aan over?

De beste antwoorden op deze twee vragen trof ik aan in dit boek, Player and Referee. Dat werd samengesteld door het Institute for Security Studies in Kaapstad, en bevat zes case-studies. Vier daarvan werden geschreven door Zuid-Afrikanen, en gaan dan om wat er speelde bij de bouw of renovatie van enkele van die grote nieuwe voetbalstadions.

Twee artikelen zijn van Britse journalisten, onder wie Andrew Jennings; die al eerder het boek FOUL! wijdde aan de mafiapraktijken van FIFA, en de aan deze voetbalbond gelieerde organisaties.

Het beeld dat uit deze artikelen oprijst, stemt uiterst somber. De kaartverkoop gaat schimmig. De handel in slaapplaatsen verloopt dubieus. De kosten die het land moet fourneren voor er maar een bal getrapt is, zijn in alle begrotingen van tevoren systematisch te laag gesteld. Om nog maar te zwijgen over de corruptie die er speelt voordat het toernooi vergeven wordt.

Zeker, de FIFA World Cup 2010™ zal veel geld genereren. Zuid-Afrika, laat staan de bevolking van dit land, zal daar weinig van meekrijgen, maar heeft wel flink moeten betalen voor de infrastructuur die het toernooi mogelijk maakt. En vriendjes van FIFA lopen ondertussen binnen.

Juist dat zou meer ergernis moeten opwekken dan ik nu hoor. Want, klagen over alle oranjemeuk in de supermarkten, is toch echt klagen over het verkeerde onderwerp.

* Player and Referee is hier te downloaden [pdf]

Collette Schulz Herzenberg (ed.), Player and Referee
Conflicting interests and the FIFA World Cup 2010™

248 pagina’s
ISS Monograph No. 169, 2010
  1. Anders dan onze media melden, is die marketingwet al in 2003 door het Zuid-Afrikaanse parlement geramd. Vooraf aan de WK Cricket. Waarover vast een vergelijkbaar verhaal is te schrijven []

Al dat zweet ~ Laurie Langenbach

Heel het oeuvre van Laurie Langenbach [1947 – 1984] staat in de boekenkast bij mij. En hoewel dit maar een paar centimeter aan plankruimte vult — daarom ook niet per se weg hoeft — is de kans niet groot dat ik al die boeken nog eens ga lezen.

De merkwaardige dood van Langenbach, die al jong baarmoederhalskanker kreeg, en daarop in de religie vluchtte in plaats een dokter te bezoeken, heeft invloed. Zelfs al mag een schrijver alleen op zijn of haar woorden beoordeeld worden, dan nog heb ik blijkbaar liever niet dat zo iemand in het leven volslagen idiote beslissingen neemt.

Laurie Langenbach schreef begin jaren tachtig columns voor de sportpagina’s van NRC Handelsblad. De voornaamste gimmick daarvan was dat zij aanvankelijk niets had met de sport.

Dat intellectuelen, of zij die zich zo noemen, zonder remming van sport mogen houden, is pas van veel later datum.

En helemaal lukte het Langenbach toch ook niet, om altijd de overstap te maken naar het ongeremde enthousiasme.

Daarnet keek ik naar Studio Sport. Voor de zoveelste keer zag ik dames en heren tegenover elkaar staan, met die verbeten wil om te winnen en het werd me zwaar te moede. Al dat zweet! Al die hartstocht! Waarvoor, zou ik haast willen vragen, pourquoi? [22]

De columns stammen uit een aanmerkelijk onschuldiger periode dan nu. Ruud Krol, de legendarische aanvoerder van voetbalclub Ajax, had nog gewoon een snackbar erbij. Langenbach werd verboden om een wielerwedstrijd vanuit de auto te volgen, omdat renners weleens een plas plegen onderweg, en het geen pas gaf als een dame dit zag. Sport leek in die jaren voor er commerciële televisie was, en het grote geld alles zou gaan verzieken, nog merkwaardig oer en dus puur.

In die zin zou het interessanter zijn wat iemand als Laurie Langenbach vandaag over topsport zou schrijven.

Hoewel. Zolang het maar echt over sporters of hun wedstrijden gaat. Beschouwinkjes over mensen aan de marge van alles, zoals een Mart Smeets, die ook toen al zo opvallend het televisiebeeld vulde, kan iedereen wel schrijven. En helaas had Laurie Langenbach vaker oog voor dit soort afgeleide verschijnselen dan voor strijd, en competitie.

Dat heeft allemaal zo weinig met sport te maken.

Laurie Langenbach, Al dat zweet
132 pagina’s
Uitgeverij Bert Bakker, 1983

Abe ~ Theo van den Boogaard & Nico Scheepmaker

Vaak genoemd zien worden, nooit eerder gelezen. De voetbalstrip Abe van Theo van den Boogaard en wijlen Nico Scheepmaker was een boek waar ik misschien al dertig jaar nieuwsgierig naar was.

Zelfs al was het verhaal dan eerder als feuilleton verschenen in het weekblad Voetbal International; en is dat geen tijdschrift waar ik mijn lectuur doorgaans betrek.

Dus las ik een in opzet wat schematisch blijvend verhaal — hoewel de voetbalscène’s dan weer opvallend goed getekend zijn. Het frêle Friese meisje Abigail, uit Pingjum, kan zo goed voetballen dat het haar in éen keer lukt een contract bij het grote Ajax te veroveren; begin jaren zeventig. Een probleem daarbij is dat iedereen er vanuit gaat dat ze een man is. Wat dan sommige spelers weer ernstig verwart, omdat die zich tot Abe voelen aangetrokken; en homosualiteit in de voetbalsport nu eenmaal niet voorkomt.

En daarmee zal de aantrekkingskracht van dit verhaal vooral hebben bestaan uit de satire van Scheepmaker, en diens commentaar op actuele zaken en toen bekende Nederlanders. Knipogen kevert dit op die voor een groot deel in 2010 geheel onbegrijpelijk zijn geworden; op de allerplatste grappen na.

Dat H.J.A. Hofland ineens in de douche van de voetballers verscheen, met fotograaf Peter Zonneveld bij zich, snapte ik bijvoorbeeld alleen door een passage uit de biografie over Willem Oltmans. Omdat dezelfde Hofland indertijd bij hem op de stoep stond, met diezelfde fotograaf — en een blonde juffrouw met grote borsten, die H.J.A. had willen versieren — toen er Russische diplomaten bij Oltmans op visite waren. Terwijl die maar dertig kilometer buiten hun ambassade mochten komen, en dus niet naar Amsterdam konden reizen. Daarop ontstond een rel, en een brouille tussen de jeugdvrienden Hofland en Oltmans.

Maar een grap kunnen construeren, is eerder een wat viezige zelffelicitatie dan aanleiding voor lol.

Zo’n boek als dit lezen was uiteindelijk toch als het afstrepen van weer een verplichting. In gedachten was het te groot geworden om ooit nog aan de verwachtingen te kunnen voldoen.

Nico Scheepmaker & Theo van den Boogaard
Abe. Hot story van een voetballerina
47 pagina’s
De bezige Bij, 1973

* illustratie uit het besproken boek [click voor groter]


Glorie en tragiek van het voetbal | 2 ~ Eduardo Galeano

Voetbal is een vervelend spel. Om naar te kijken. Maar voetbal is een vervelend spel geworden, in de jaren zestig van de vorige eeuw. Toen teams ontdekten dat het behoorlijk loonde om er allereerst voor te zorgen de wedstrijd niet te verliezen. De grendel kwam voortaan op de deur. Het tijdperk van de lange gaap brak aan.

En omdat er zo weinig doelpunten vallen, is ook bedrog veel te lonend. Elders heb ik voetbal dus al eens een jurysport genoemd. Dat éen man kan beslissen of een doelpunt telt, een strafschop gegeven moet worden of niet, en of een speler het veld uit moet, maakt de scheidsrechter in het voetbal veel te belangrijk.

Spreek ik nog niet eens over al die andere vormen van bedrog, annex met het grote geld in de voetbalindustrie. Italië is dit jaar voor de zoveelste maal in de ban van omkopingsschandalen. De trainer van het nationale team had zich daarom niet verweerd als UEFA zijn land zou schorsen voor de Europese Kampioenschappen.

Voetbal is slechts op een paar manieren wel interessant. Om te bestuderen, als cultureel verschijnsel bijvoorbeeld. Of als je in het spel gaat investeren, en een favoriet kiest; waarmee het ineens van groot belang wordt dat dit team ook presteert.

En dan zijn er nog verhalen over het spel te vertellen. Achteraf. Zoals Eduardo Galeano deed in El fútbol a sol y sombra. Mijn editie van dit boek dateert uit 1995. Eens in de zoveel tijd, meestal als er een groot kampioenschap wordt georganiseerd, komt er een aangevulde versie uit. Wat ook makkelijk kan, gezien de opbouw in de losse afgeronde hoofdstukjes.

Dus is Ruud Gullit nog een actieve speler in deze uitgave. En daarom schreef Galeano nog niet dat Nederland éen van zijn favoriete Zuid-Amerikaanse teams was — om de vele Surinamers. Ik heb ook een latere pirateneditie, in het Spaans, waarin dat wel staat; als hij over het WK van 2002 schrijft.

Zoals het een vloek is dat ik van alle wielerboeken het eerst De renner leerde kennen, en begon met het beste. Zo geldt datzelfde voor Glorie en tragiek van het voetbal. Want velen voelen zich geroepen over het spel te praten. Weinigen hebben daarbij iets zinnigs te melden. Nog minder schrijven er iets over voetbal dat de actualiteit overstijgt. Vrijwel niemand lukt het om literatuur te maken. Betere boeken over voetbal dan dit zijn er daarom niet. En helaas las ik het eerder dan al die andere uitgaven.

Glorie en tragiek van het voetbal is grotendeels een geschiedenisboek. Waarbij voor Galeano geldt, als Uruguayaan, dat zijn vaderland in de eerste jaren van de georganiseerde sport prettig dominant aanwezig was. Uruguay werd twee keer wereldkampioen, terwijl het vaak het kleinste land was dat deelnam aan de eindtoernooien.

In de geschiedenissen zit ook de grootse waarde van deze uitgave, voor mij. Omdat er in de twintigste eeuw zo veel gebeurde dat ook invloed had op het voetbal. En misschien wel andersom, trouwens. Uit de VS is de betekenis bekend die zwarte sporters hadden op de ideeën over rassenscheiding. Ook in het voetbal was er een eerste gekleurde speler.

Zelfs dat Gullit zijn uitverkiezing tot voetballer van het jaar opdroeg aan Nelson Mandela — toen nog een terrorist die in de gevangenis zat — had betekenis. Hoe lacherig daar ook over gedaan is in Nederland indertijd.

Mij valt telkens op dat de hoofdstukjes over deze tijd me het minst interesseren in dit boek. Als Galeano en ik naar hetzelfde hebben gekeken, voegen zijn woorden daar misschien wat weinig aan toe.

Belangrijk is nog wat hij schrijft over het WK van 1978, in het dictatoriaal geregeerde Argentinië — want Galeano had daar gewoond, en was het land ontvlucht.

Daarom hoef ik geen aangevulde edities te hebben, of nieuwere versies van het boek. Wat het mij te bieden heeft, staat in het eerste gedeelte. En daar geeft het veel.

Eduardo Galeano, Glorie en tragiek van het voetbal
275 pagina’s
Uitgeverij Van Gennep © 1996
Vertaling door Dick Bloemraad van El fútbol a sol y sombra

Soccernomics ~ Simon Kuper & Stefan Szymanski

Voetbal is op het moment voornamelijk emotie. Al lijkt me deze dagen ook onontkoombaar dat iedereen iets wil verdienen aan de voetballiefde van een ander. Komt er een internationaal toernooi waaraan het Nederlands elftal mee doet, dan is de toch al zo schreeuwerige kleur oranje ineens overal onprettig aanwezig.

Elke aankoop in een winkel gaat dan vergezeld van de vraag of ik er voetbalgerelateerde tinnef bij blief. En die ellende begint al weken van tevoren. Dus krijg ik er wel mee te maken. Terwijl ik de overspannen verwachtingen over het Nederlands elftal immer gênant vind, zo niet obsceen.

Daarom is het goed dat er boeken uitkomen die iets aan ratio zetten tegenover al die opgeklopte en gefakete voetballiefde. Want de voetbalsector blijkt goed beschouwd een heel merkwaardige bedrijfstak te zijn. Soccernomics biedt heerlijk leesvoer als de schrijvers zaken eens in perspectief zetten.

Zo lijkt het weliswaar alsof voetbalclubs groot en dominant aanwezig zijn in een stad of dorp. Tegelijk geldt ook dat een goede lokale supermarkt daar waarschijnlijk meer omzet draait, en economisch gezien een groter bedrijf is.

Voetbalclubs kopen ook altijd de verkeerde spelers aan — ze overschatten daarbij vooral recente prestaties nogal. De man die het opvallend goed doet op het huidige EK presteert waarschijnlijk heel gemiddeld bij de club die hem straks haastig aankoopt.

Voetbalclubs investeren bovendien doorgaans niet in hun dure aankopen. Waar elke normale multinational lokaal iemand heeft om nieuwe personeelsleden uit een ander land wegwijs te maken, en daarmee hun problemen weg te nemen, zorgen de clubs misschien nog net voor een hotelkamer. Dus kwijnen miljoeneninvesteringen vaak nogal weg in den vreemde.

Aankopen kunnen doen heeft bovendien nauwelijks invloed op de stand die een club op de ranglijst inneemt. Kuper en Szymanski troffen wel een lineair verband aan tussen de salarissen die een betaald voetbalorganisatie betaalt en het behaalde succes. Maar verkopende clubs doen het niet beter of slechter dan kopende teams.

Spelers kunnen kopen, is dan ook allereerst een prestigekwestie.

Enfin, zo staan er veel meer gegevens in die uitnodigen om hier even te worden samengevat. Al geldt ook dat dit rijkelijk gebeurd is in de media toen een eerdere versie van dit boek uitkwam. Want ik bleek daar opvallend veel van onthouden te hebben.

Wat die samenvattingen niet deden, is laten zien dat de auteurs bepaalde trends signaleren en die vervolgens doortrekken naar de toekomst.

Eén zo’n trend zal misschien velen somber maken. Kuper en Szymanski signaleren dat voetbal decennialang een zaak was van de grotere landen die de oorspronkelijke Europese mijnbouwgemeenschap oprichten. Ontwikkelingen in deze landen hebben invloed op elkaar gehad. De grenzen waren open. Kennis werd gedeeld.

Maar Nederland, Duitsland, Frankrijk, en Italië zijn hun unieke kennis gaan exporteren, en daarmee hun grote voordeel aan het kwijt raken. Andere landen, zoals Spanje, zijn ook om andere redenen uit hun isolement gekomen; die halen hun achterstand op voetbalgebied in. En als iedereen dezelfde kennis heeft, gaan ineens voordelen zoals bevolkingsaantallen zwaarder wegen dan voorheen.

Op eindtoernooien, zoals de EK en WK, speelt geluk en toeval vaak een te grote rol om daar dan economische ideeën met een voorspellende waarde tegenover te kunnen zetten. Zo stellen Kuper en Szymanski het tenminste een paar keer. Tegelijk hebben ze indertijd wel degelijk voorspelt dat Engeland niet in de finale zou komen van het WK van 2010 in Zuid-Afrika.

Had Engeland het kampioenschap wel gehaald, dan was iedereen vanzelfsprekend zo blij geweest met de titel dat de auteurs alles vergeven zou zijn. Zo bezien konden ze niet verliezen door een boek uit te bregen dat Why England Lose heette.

Een ander trend die Kuper en Szymanski signaleren, is dat de sommige clubs eindelijk slimmer worden in het gebruik van statistieken. Dus, zullen misschien wel de grootste miskopen in de sport verdwijnen. Tegelijk geldt ook dat de meeste clubs zo slecht geleid worden dat er miljoenen verspild zullen blijven worden aan prestigieuze aankopen. Die nooit gaan renderen. Ook al omdat er nogal vaak nieuwe trainers komen bij een club, en die zich niet gebonden voelen iets te doen met de prestigespeeltjes van een voorganger.

Soccernomics is als boek het best als zulke mechanismen worden blootgelegd. Maar puur als leesboek scoort het eigenlijk pas in een losstaand hoofdstuk op het eind, als de internationale successen van trainer Guus Hiddink eens op een rij worden gezet. Hadden er meer van zulke illustratieve verhalen in gestaan, dan had ik dit boek wellicht een klein meesterwerkje gevonden. Nu zijn de kwaliteitsverschillen tussen de hoofdstukken me te groot.

Simon Kuper & Stefan Szymanski, Soccernomics
Why Transfers Fail, Why Spain Rule
the World and Other Curious
Football Phenomena Explained

update from the original Why England Lose
444 pagina’s
Harper Sport, 2012

Fritz Korbach; Onaangepast ~ Vincent Ronnes

Bijzonder goed verkocht worden ineens de boeken voor mensen die normaal geen letter lezen. Mannenboeken. Die dan telkens de biografie geven van een voetballer die ondanks zijn bevoorrechte uitgangspositie toch een puinhoop van zijn leven wist te maken.

Want het schijnt heel interessant te zijn om te lezen hoe iemand met meer geld dan verstand zijn riante inkomen opmaakte aan auto’s, prijzige vrouwen, verdovende drugs, en onnozele hobby’s als gokken.

Al dat schijnt bij de voetbalsport te behoren. Een groot deel van de miljonairs op de velden is binnen een paar jaar na gestopt te zijn bankroet. In Engeland claimt een belangengroep zelfs dat drie van elke vijf Premier League-spelers al snel na hun carrière in financiële problemen komt. Anderen sussen dat het hoogstens om 10% tot 20% van de oud-voetballers gaat daar.

Fritz Korbach; Onaangepast is een biografie die al verscheen voor de huidige golf aan voetballersportretten. Bovendien gaat het boek over een trainer; die zelf nooit heel hoog voetbalde. Speelt zelfs mee dat Korbach al evenmin ooit een werkelijke topclub trainde.

Waar hij vooral in uitblonk, was om een team uit de Eerste Divisie aan het voetballen te krijgen, en hen dan promotie af te laten dwingen naar de Eredivisie — de hoogste klasse in het betaalde voetbal in Nederland.

Daar kwam bij dat Korbach een aardige babbel had — en het mede daarom goed deed in de media.

Toch is ook een constante in dit boek dat hijzelf zijn leven tot een puinhoop maakte. Deze biografie eindigt als Fritz Korbach [1945 — 2011] nog leeft. Het einde is zelfs onverwacht optimistisch van toon. Korbach lijkt eindelijk van de drank af te zijn. De financiële puinhoop in zijn leven lijkt op orde te komen. Het gaat hem beter dan in de jaren daarvoor. Toen hij nog gesnapt werd op de winkeldiefstal van een pakje rosbief uit een supermarkt, en daarom voor moest komen.

Het was ook niet dit boek dat me met vragen achterliet — dat is vlot geschreven. En de verhalen van en over Korbach’s vaak zo onaangepaste gedrag zijn niet eens onaardig. Ondanks zijn stuitende egoïsme.

Ik werd alleen nog meer tot nadenken aangezet over de totem die voetbal is in de huidige samenleving.

Terwijl voetbal toch niet meer is dan volksvermaak, kost balletjetrap de samenleving miljoenen, zo niet miljarden, mede vanwege de grote politie-inzet die bij zo veel wedstrijden nodig is om ‘supporters’ uit elkaar te houden. Zwijg ik nog over de kapitalen aan rechten die de publieke omroep meent te moeten betalen voor reeksen aan wedstrijden waarvan de meeste er in het geheel niet toe doen.

Voetbalclubs worden ook altijd erg slecht gerund financieel, mede omdat er doorgaans onnozel wordt ingekocht, en de spelers er te veel verdienen — anders gaan ze weg. Waarop lokale overheden dan weer schijnconstructies bedenken om de clubs te subsidiëren; omdat rechtstreekse subsidie verlenen officieel nu eenmaal niet mag.

Zijn vele voetballers en hun trainers ook nog stuitend nare mensen. Vanzelfsprekend omdat ze heiliger worden gemaakt dan goed voor ze is.

Punt wordt daarmee dat er niet eens een boek nodig is met leuke verhalen over voetbal om een aardig onderwerp bij de kop te hebben. Beschrijf enkel hoe het echt zit, en de werkelijkheid blijkt al te krankzinnig voor woorden. Want als er zulke vrijgestelden bestaan, worden die toch allereerst gemaakt door ons aller bewondering.

Vincent Ronnes, Fritz Korbach; Onaangepast
191 pagina’s
Trion Sport, 2007

Extra tijd ~ A.H.J. Dautzenberg

De Limburgse club Roda JC degradeerde in het seizoen 2013/2014 onverwacht op de laatste wedstrijddag rechtstreeks uit de hoogste klasse van het Nederlandse betaalde voetbal. Die ik nog altijd Eredivisie noem, maar die helaas telkens anders heet omwille van een tijdelijk sponsorbelang.

Wie herinnert zich de PTT-Telecompetitie niet…

Voor weinig mensen heeft zo’n degradatie werkelijk betekenis. Voetballers zijn wintergasten geworden, die al snel wegtrekken als het geld elders zit. Misschien dat de organisatie van zo’n club ineens moet bezuinigen, en enkele werknemers dient te ontslaan. Alleen heeft Simon Kupers al eens becijferd dat zelfs een beetje buurtsuper meer omzet draait en personeel in dienst heeft dan vrijwel alle betaald voetbalclubs.

Enkel de supporters van de gedegradeerde club worden tot in hun ziel geraakt.

Het eeuwige raadsel is mij dan waarom — zelfs de tien geboden waarschuwden indertijd al tegen het aanbidden van valse goden — want mij trekt het eenvoudig niet om voor mijn geestelijk gezond zo afhankelijk te worden van de grillen en wisselvallige prestaties van anderen. Dus investeer ik daar ook geen emoties in.

In de roman Extra tijd van A.H.J. Dautzenberg streed de voetbalclub Roda JC ook al tegen degradatie uit de Eredivisie. Het voetbalseizoen was toen 2008-2009. En Roda diende om het lijfsbehoud extra wedstrijden te spelen in een nacompetitie.

Parallel aan het verloop van deze nacompetitie wordt er nog een strijd gevoerd in het boek. Zij het dat die al verloren is. De vader van de hoofdpersoon uit de roman leidt aan een fatale vorm van kanker, waardoor diens einde nadert. En deze vader is een groot supporter van Roda JC. De prestaties van de club hebben daarmee rechtstreeks invloed op zijn welbevinden.

Die felle clubliefde staat dan in contrast met de relatie tussen de vader en zijn zonen — een tweeling. Want voor hen was hij er nooit. Althans, zo kwam dit op hen over.

En daarmee vertelt de roman Extra tijd eigenlijk het klassieke verhaal van dat bijna iedereen ouders heeft, en hoe deze op zekere dag sterven. Waarbij een complicatie dan vaak blijkt te zijn dat de auteur of de verteller of de hoofdpersoon in het boek hun vader of moeder nooit goed heeft leren kennen. Waardoor er geheimen kunnen zijn; en daarmee postuum nog onverwachte onthullingen komen.

Pijnlijk kan dan ook al het besef worden hoe weinig ouder en kind gemeen hadden.

Dautzenberg hield bij dit gegeven wel een mooi evenwicht in het boek. Al te sentimenteel wordt het niet, omdat hij slim afstand inbouwt, bijvoorbeeld door het steeds over dat voetbal te hebben — hoewel de roman toch de kroniek van een aangekondigde dood is. Zelfs al heeft hij van zijn hoofdpersoon wat een lulhannes gemaakt, en had dit van mij niet gehoeven.

Van deze ‘Marcel Meulenberg’ komt als losse uitgave een klein bundeltje met gedichten mee met de roman.

A.H.J. Dautzenberg, Extra tijd
233 pagina’s
Atlas Contact, 2012

Voetbalgek ~ Jan Vorstenbosch

Als aan een boek is af te lezen dat de auteur plezier had in het schrijven, dan pleit dat doorgaans voor zo’n boek. Alleen betekent schrijfplezier helaas niet automatisch ook enkel leesplezier.

Voetbalgek van de ethicus Jan Vorstenbosch bleef me net wat teveel hangen in het persoonlijke verhaal van de maker. Hij probeerde om manieren te vinden de wereld uit te leggen vanuit zijn eigen beleving van het spel, dat hij decennia lang met liefde speelde. Leende hij daartoe zelfs weleens een citaatje uit de rijke bibliotheek der Wijsbegeerte.

Terwijl er toch nogal wat meer over voetbal te zeggen is dan in dit boek gebeurde.

Alleen al met het gegeven dat het hier om een spel gaat, dat dus vrij willekeurige regels heeft — want waarom wordt voetbal gespeeld met elftallen, en niet met tien- of negentallen? — was veel meer te doen geweest.

Zwijg ik nog over de factoren buiten het spel om. Zoals de moderne slavenhandel in spelers. Of zoals dat de internationale voetbalbond FIFA een zeldzaam corrupt gezelschap is. Terwijl dat toch voor vrijwel geen land een bezwaar lijkt te zijn om niet toch een groot internationaal kampioenschap te willen hebben — hoezeer er daarbij dan toch voor FIFA gekropen worden moet. Of hoeveel witte olifanten dat ook opleveren mag.

En hoe ethisch is dat allemaal dan?

Vorstenbosch had in éen ding wel groot gelijk. De verhalen van voetballers die het nooit ‘maakten’, die altijd amateur bleven, en allereerst speelden om hun eigen plezier, zijn al gauw rijker dan de steriele belevenissen van profvoetballers; die altijd in alles werden verzorgd.

Aardigst vond ik dit boek evenwel als Vorstenbosch bekijkt wat anderen zoal hebben geschreven over het voetbalspel. Waarbij dan onder meer opvalt hoe veel beschouwingen eraan gewijd zijn dat tegen een voetbal getrapt wordt. Omdat de voet daarbij ineens grote betekenis krijgt; waar dat lichaamsdeel verder vrijwel nooit apart van belang is.

De schrijver zal die anderen dan alleen niet hebben aangehaald om hun inzichten te diskwalificeren. Toch had dit boek wel dat effect op mij.

Terwijl ik toch ook als bijna vanzelfsprekend geïnteresseerd ben in wat anderen bedacht hebben over het omgaan met beperkingen. Want schrijven lijkt me nu net evenzeer een spel van beperkingen; omdat de taal zo’n vreemd indirect middel is om een ander iets over te brengen.

Maar wellicht zat mijn voorbehoud tegenover dit boek nog dieper.

Ik ben een oud-sporter. En sport onderscheidt zich nu net van spelletjes, zoals voetbal, doordat daarvoor vrijwel geen regels nodig zijn. Om te bepalen wie het hardst kan lopen, of het verst springt, is zelfs een scheidsrechter overbodig.

Mij valt dus altijd allereerst de onmiskenbare willekeur op, aan het voetbalspel.

Sporters zijn bovendien individualisten — wat bijvoorbeeld het wielrennen tot zo’n merkwaardige bezigheid maakt. Geen renner kan iets zonder zijn of haar ploeg. En toch wordt alleen onthouden welke wielrenner een belangrijke wedstrijd won; slechts zelden tot welke ploeg deze toen behoorde.

In het spel, waarin teams winnen of verliezen, is er lang zo veel ruimte niet voor individualiteit. Ook de grootste top-aanvallers in het voetbal krijgen doorgaans hoogstens enkele kansen per wedstrijd. Want het tegenhouden, door hen te verdedigen, en dus het beletten van individuele klasse, is veel en veel makkelijker.

Vorstenbosch toont zich in dit boek dan toch allereerst een romanticus, die vooral de schoonheid wil laten zien van het voetbalspel. Zelfs al ontkomt ook hij er niet aan te signaleren dat de verdedigers in het voetbal het spel momenteel te zeer bepalen in negatieve zin.

En ik ben dan waarschijnlijk te zeer een ongelovige, die weliswaar de woorden van een gelovige met enig plezier kan lezen, om daarbij toch nooit overtuigd te raken door een boek; omdat dit puur uit principe al niet lukken wil.

Jan Vorstenbosch, Voetbalgek
Bespiegelingen van een filosoof

207 pagina’s
Lemniscaat, 2010

Je hebt het niet van mij ~ Marcel van Roosmalen

Heel bijzonder is het seizoen 2005-2006 niet te noemen in de geschiedenis van Vitesse. De club uit Arnhem eindigde als elfde van de achttien, in de hoogste divisie van het betaalde voetbal in Nederland. Gevaar voor degradatie was er niet geweest — anders dan een paar seizoenen daarvoor. In de jaren vlak nadat suikeroompje Karel Aalbers werd afgezet als voorzitter om een vermoeden van fraude, en er geen gratis geld meer te besteden was.

In het voorjaar van 2008 dan weer zou de voetbalclub surséance van betaling aanvragen — om daarop uiteindelijk toch gered te worden door de gemeente. En in 2010 kwam Vitesse zelfs in handen van een nieuwe suikeroom, Merab Zjordania. Die ondertussen alweer werd opgevolgd door een ander.

Er waren in het seizoen 2005-2006 kortom niet direct redenen om eens in te gaan op het gegeven dat voetbalclubs zo vaak een wel heel merkwaardig soort bestuurders aantrekken. Of dat onze overheden altijd weer constructies vinden om de lokale betaald voetbalorganisaties miljoenen te schenken; terwijl deze vorm van steun aan bedrijven helemaal niet mag.

De liefhebber van onderzoeksjournalistiek in mij vond dat jammer.

Maar de liefhebber van het goed geschreven boek had verder weinig te klagen.

De oerversie van Je hebt het niet van mij van Marcel van Roosmalen werd ook bekroond tot beste sportboek van 2006. Dat was éen lange aflevering van het voetbaltijdschrift Hard Gras. De uitgave die ik las is een vermeerderde herdruk. Waarin onder meer al verwerkt werd dat het boek die prijs won.

Ook kon Van Roosmalen de reactie van Vitesse-speler en clubicoon Theo Janssen op de oeruitgave al meenemen.

‘Iedereen vond het een kutboek,’ zei Theo. ‘De stukken die over mij gaan, zijn niet goed voor mijn imago. Hele slechte stukken waren dat, maar verder kan het me geen ruk schelen. Het was ook helemaal geen stevig boek. Als je het een tijdje hebt, valt het vanzelf uit elkaar.’

Aad de Mos daarentegen, die het seizoen daarop trainer zou worden van Vitesse, had de uitgave dankbaar twee keer gelezen. Omdat hem daardoor zo mooi duidelijk was geworden bij wat voor club hij terechtkwam.

Terwijl het op het oog toch nauwelijks iets voorstelt wat Marcel van Roosmalen deed. Hij kwam in de loop van dat seizoen 2005-2006 een paar keer kijken op de club. Soms bij een wedstrijd. Wat vaker op een gewone trainingsdag. Hij praatte dan met iedereen, voor zover dat kon. En mocht.

Meest opvallend daaraan was hoogstens dat Van Roosmalen niet met een eigen auto kwam; dat hij altijd van het station opgehaald moest worden, of een lift terug bietste.

Alleen genoot hij daarmee blijkbaar vrijheden die andere journalisten niet kregen — terwijl Van Roosmalen lang nog geen letter van zijn boek geschreven had — en dat zette ter plaatse kwaad bloed. Want voor sommige lokale media lijkt er niets belangrijkers te zijn dan hoe de plaatselijke FC het doet.

En ik denk dat Van Roosmalen vooral dat gegeven enorm goed heeft weten te vangen. Een subcultuur werd vereeuwigd in de eigen woorden van de betrokkenen. Betaald voetbalclubs vinden zichzelf nogal wat — en dit straalt af op veel van het omzittende laag. Tegelijk hebben die dan misschien nog wel voetbalkwaliteiten, alleen houdt het voor de rest vaak niet over.

Marcel van Roosmalen is onverbiddelijk in het vastleggen van eenieders ijdelheden. Terwijl hij daar dan ook nog nauwelijks iets voor lijkt te hoeven doen. Want de mensen waarmee hij praatte, zijn oprecht zo. En die kwaliteit van de schrijver geeft dan een verhaal over een doorsnee club in een weinig bijzonder jaar iets oers.

Zo klungelig vreemd moet het bijna overal wel gaan in deze sector weet je, na lezing.

Marcel van Roosmalen, Je hebt het niet van mij
Een tragikomisch verslag van een jaar Vitesse

175 pagina’s
Nieuw Amsterdam 2007, oorspronkelijk 2006

Gras groeit niet sneller door aan de sprietjes te trekken ~ Marcel van Roosmalen

De eerste ruim zeventig pagina’s van deze bundel waren taai — maar de rest maakte me als lezer weer even blij als eerdere boeken van deze auteur hadden gedaan.

En heeft het dan zin om na te lopen wat het begin zo moeilijk te verteren maakte?

Marcel van Roosmalen ging er in die eerste columns telkens op uit. Zoals ik zo vaak wens dat meer columnisten zouden doen.

Hij deed daarbij dan telkens verslag van éen van de merkwaardige toneelstukjes die altijd overal opgevoerd worden in Nederland, en die andere mensen volkomen normaal lijken te vinden. Wat al een tweede cruciale eigenschap is, wil een column me iets doen.

Van Roosmalen ging daarbij alleen steeds cursussen af, en andere dagen die georganiseerd worden om mensen te helpen. Al wil de organisator daaraan natuurlijk dan ook verdienen.

Meer dan alleen een pakkende titel voor het boek leverden die dagen tezamen toch niet op. De herhaling aan voorspelbare zetten was waarschijnlijk te groot. Teksten waar elk op zich niets op aan te merken is, werden merkwaardig genoeg naar voor mij door ze zo bij elkaar te zetten.

Na de afdeling met cursusverslagen volgt in het boek een bundeling van columns waarin een doorgaans vroeger ooit bekende Nederlander een rol speelt. En toen was direct alles weer goed. De onvoorspelbaarheid alleen al maakte deze columns beter. Woog er misschien ook wel enige opluchting mee dat ik me niet vergist had in de kwaliteiten van de schrijver.

Volgt daarop een boekdeel met columns waarin voetbal het centrale thema is; hoewel Van Roosmalen vooral schrijft om alle gedoe daaromheen. Blijft Vitesse daarbij zijn club. Waarbij er zelfs weleens wat te vieren viel in Arnhem:

Voor de wedstrijd was er ‘een spetterend vuurwerk’. Op het veld stonden een stuk of tien kanonnen, die deden het helaas wel. Clubvogel/zeearend Hertog II – opvolger van de aan een schimmelinfectie overleden Hertog I – raakte door de knallen zo van slag dat hij maar door het Gelredome bleef vliegen. De vlucht eindigde tegen de ruiten van een van de business-boxen, waarna het beest tussen het publiek op de hoofdtribune viel. Er werd niemand geraakt. Zijn verzorger Gerard, de eenogige directeur van De Valk Roofvogels uit Lunteren, die tien minuten voor Jan Lul op het veld had staan zwaaien met een kipfilet, was snel ter plaatse om zijn beest op te rapen en weg te voeren.

Halverwege de saaie wedstrijd meldde stadionspeaker Theo van Baal vanuit het niets: “De vogel maakt het goed.”

Voor die mededeling werd geklapt.

Medewerkers van de club verklaarden later dat het glas van de business-box niet beschadigd was en dat Hertog II voor het belangrijke nacompetitieduel tegen NEC weer zou zijn gerepareerd. Zelf vond ik het wel symbolisch om het 120-jarig bestaan op deze manier te vieren. Altijd als je denkt dat de club eindelijk succesvol zal zijn, gaat er wat mis. […]

[Het 120-jarig jubileum]

Eindigt deze bundel met een reeks zonder centraal thema; waardoor ik dacht dat het boek erbij gewonnen had als alles in deze uitgave ongeordend was gebleven.

Las ik dus toch een boek waarin aan tweehonderd pagina’s veel plezier te beleven was. Zelfs al leek het er door de ordening op dat Gras groeit niet sneller door aan de sprietjes te trekken een soort bijvoegsel was bij Van Roosmalen’s eerdere boeken.

Is alleen merkwaardig slecht uit te leggen wat er precies zo leuk en goed blijft aan deze auteur. Het zal de droge opeenstapeling van zijn waarneminkjes wel zijn.

Als trouwe bezoeker van de Nationale Boomfeestdag — een initiatief uit 1956 van professor J. Houtzagers — ging ik naar een kale vlakte in Cuijk. In het gebouw van boomkwekerij Ebben — een belangrijke sponsor, ze leverden de bomen — sprak ik een van de promotiedames van het evenement. Mevrouw Gemma Roelofs, een vrouw van vijftig verkleed als boom. […]

[Boomfeestdag Máxima]
Marcel van Roosmalen, Gras groeit niet sneller door aan de sprietjes te trekken
299 pagina’s
Prometheus, 2012