Dictatuur van het design ~ Donald Norman

Er is veel te prijzen aan dit boek, maar het meest nog wel de toon. Steeds als de auteur van een alledaags voorwerp uitlegt waarom het te onhandig in gebruik is, volgt daar een fijne slotconclusie op. Mooi ontwerp, staat er dan. Stijlvol. De ontwerpers zullen er vast een prijs voor gekregen hebben.

Dit boek gaat erover dat de functie van gebruiksvoorwerpen bij het ontwerp altijd boven vorm moet gaan. En informatie zelf is ook zo’n nuttig gebruiksvoorwerp voor Norman. Veel pagina’s in dit boek gaan over elementaire wetten van het ontwerpen, of dit nu om het maken van een deur gaat, een examenformulier, of een verkeersbord.

Nuttig is het boek als uitgelegd wordt hoe mensen omgaan met alles wat aan informatie op hen afkomt. Schattig wordt het, als blijkt dat 1988 in technisch opzicht al een hele tijd geleden is. Zo kraakt de schrijver een systeem af om tekst met telefoontoetsen door te geven dat veel op SMS lijkt; wat later een van de meest populaire communicatiesystemen ooit zou worden.

Neemt niet weg dat het nogal wat fijner is een SMS-je te krijgen, dan er al prutsend met die minitoetsjes eentje terug te moeten sturen.

Ook is de voorspelling schattig dat het wel veel te duur zal worden om informatie via een netwerk beschikbaar te stellen aan het publiek. De auteur toont zich verder ook te positief over de grafische gebruikersinterface van zijn computer, die gezien het tijdstip van schrijven wel van een Apple of een Amiga moet zijn geweest. GUI’s boden inderdaad een vooruitgang vergeleken met de commandline, maar in plaats van extra gebruiksgemak is de ontwikkeling sindsdien richting het bieden van almaar meer functies gegaan. En dat lijkt me nu juist weinig nuttig.

Goed, over technische vooruitgang gaat dit boek niet. Veel belangrijker is dat het nuttige lessen biedt, die ontwerpers helaas nog dagelijks overtreden.

Prettig is ook de goede Nederlandse bewerking, doordat die eigen Nederlandse voorbeelden inbrengt. Jammer wel dat de titel vertaald werd naar iets heel anders, om waarschijnlijk verkooptechnische redenen.

Donald Norman, Dictatuur van het design
Ontwerpen van gebruiksvoorwerpen gezien
vanuit de cognitieve psychologie

272 pagina’s
A.W. Bruna Uitgevers, 1990
vertaling van The psychology of everyday things, 1988


Understanding Design ~ Kees Dorst

Vormgeving vindt plaats op elk niveau. Meest basaal is nog wel dat ik probeer hier heldere zinnen neer te zetten. Maar ik denk aanmerkelijk sneller dan ik typ. En ook al omdat deze woorden er in een paar minuten moeten staan, wil er nog weleens wat aan spelling of stijl mankeren.

Boeklog legt mij nu ook andere eisen op dan toen ik er mee begon. In eerste instantie was mijn bedoeling slechts om vast te leggen wat een boek me geven kon als ik het herlezen wilde, en wat juist helemaal niet. Dit blijft weliswaar een uitgangspunt, maar inmiddels bent u in vrij grote getale gaan meelezen. Dus merk ik almaar meer uit te leggen, want rekening te houden met een publiek.

Nu had ik van mijn andere weblog geleerd hoe prettig het is om informatie in een database op te slaan. De inhoud kan dan namelijk vrij simpel op verschillende manieren ontsloten worden. Dus zelfs toen boeklog nog een privé-dagboek was, werkte het al op dezelfde technologie als nu. Zij het, dat inmiddels meer mogelijk is. Ik ben blij dat bij het plaatsen van een besprekinkje als deze automatisch de alfabetische titellijst wordt bijgewerkt, en in dit geval ook de lijst met auteurs.

Die titellijsten zijn niet alleen voor mij belangrijk, maar ook om bezoekers een beter inzicht te geven wat hier allemaal beschikbaar is. Maar, hoewel die lijsten al bestaan sinds het herontwerp van de site vorig jaar zomer, wordt er pas massaal gebruik van gemaakt sinds ik plaatjes toevoegde aan de kop van deze pagina, met een zichtbare aanduiding.

Net zo, valt niemand op dat de naam van de auteur wel in de kop terugkomt in de resultaten van zoekopdrachten, of op archiefpagina’s, maar juist niet als mij dit niet nodig lijkt. Evenmin kijkt bijna niemand ooit onder ‘archief‘. Wat bezoekers niet direct zien, wordt zelden gezocht.

Ik schrijf dit nu allemaal op om aan te geven hoe zeer ik ervan doordrongen ben dat er regels bestaan om een bezoeker hartelijk welkom te heten. Al improviserend lukt het me ook wel om een paar van die vuistregels zo ongeveer af te leiden. En toch hoeft wat voor boeklog geldt, niet zo voor mijn andere weblog te zijn.

Het is de klasse van dit boek van Kees Dorst dat hij die ambiguïteit ziet en duidelijk aangeeft. Zeker, er zijn regels te geven waaraan een goed ontwerp moet voldoen. Maar al veel minder duidelijk is welke regels precies gelden bij een bepaald ontwerpprobleem, of wanneer die regels juist doorbroken moeten worden.

Ontwerpwedstrijden worden meestal gewonnen door degene die zich niet helemaal aan de letterlijke opdracht houdt.

Pas-afgestudeerde ontwerpers zijn er veel minder goed in spontaan iets te ontwerpen als studenten die net met de opleiding beginnen. Ze kennen te veel regels.

Ik was vooraf wat huiverig om een boek te lezen over ontwerpen zonder ook maar éen enkel toelichtend plaatje. En daarna vroeg ik me af of 150 betoogjes van altijd maar een pagina me meer konden bieden dan een lopend verhaal. Ook dat zijn weer ontwerpvragen. Ik ben gewend bepaalde informatie op een bepaalde manier tot me te nemen. Dus valt meteen op als het aanbod ineens iets anders is, hoewel het niets bleek uit te maken voor de indruk die de inhoud achterliet. Dat ook zette me tot denken aan.

Dit boek lijkt me daarom alleen al een goed boek.

Toch, misschien speelt bij mijn waardering mee dat ik ooit industrieel vormgeven wilde studeren, maar daarvoor meerdere keren werd uitgeloot. Een leerboek dat toont wat ik had kunnen leren, en daarmee geen enkel moment afschrikt, maakt ook melancholisch over mogelijk gemiste kansen en het eeuwige wat-als.

zie ook Dictatuur van het design

Kees Dorst, Understanding Design
207 pagina’s
BIS Publishers © 2003


Art of Looking Sideways ~ Alan Fletcher

Rijkere boeken dan deze zijn er niet. Of hoogstens alleen voor de mensen die maar éen boek boven alles verheffen, door het heilig te verklaren. Maar The art of looking sideways is nu juist geen bijbel, omdat Alan Fletcher nimmer pasklare antwoorden oplegt. Doel van dit boek is dat de lezer zelf gaat leren nadenken, en zien.

Fletcher was een toonaangevende grafisch vormgever in Groot-Brittannië, die een paar maanden terug overleed. Ik bleek veel van zijn ontwerpen goed te kennen, al leerde ik uit de obituaries pas zijn naam en iets over de man daarachter. Vaak verwezen de herdenkers daarbij naar dit boek. En ik moet zeggen dat de titel me meteen intrigeerde.

Toch, voor hier een stroom aan superlatieven volgt, dient wel gezegd dat dit boek éen groot nadeel heeft. Het is op geen enkel moment een lekker leesboek. Nergens is het mogelijk om helemaal in de tekst te verdwijnen. De opmaak van elke nieuwe pagina verschilt namelijk van de vorige, als om de lezer te prikkelen voortdurend alert te blijven. Vaak ook staat er een losse opmerking nog ergens half gedraaid op de bladzijde.

Maar hoe fraai zijn sommige pagina’s vormgegeven. Van dit boek is al te genieten zonder ook maar éen letter uit de vele tekst te lezen. Al zou dat zonde zijn.

Alan Fletcher wilde per se een boek maken over kijken. Onder meer. Maar ook over gezichtsbedrog. Of hoe je ziende blind kunt zijn. En soms geeft hij elementaire tips, zoals de raad om in de trein eens achteruit te reizen, waardoor er veel meer tijd en rust is om waar te nemen. Wie vooruit raast, ziet alles alleen maar in een noodvaart op zich afkomen.

Toch is zo’n directe aanwijzing zeldzaam. Fletcher probeert veel meer op een indirecte manier aan te geven.

Dit boek is ook een rariteitenkabinet; een schijnbaar onsamenhangende verzameling merkwaardig feitjes en voorwerpen; een hele ervaring op zich.

Dat komt omdat de maker niet te veel analyseren wilde. Het blootleggen van de mechanismen achter de ervaring is immers nooit de ervaring zelf. En daarmee kom ik terug op de eerste alinea hierboven. Verwacht van dit boek geen pasklare antwoorden op een vraag als bijvoorbeeld wat nu goed design is.

Als Fletcher al duidelijke ontwerpaanwijzingen geeft, zijn het er vaak meteen veel. En niet zelden spreken enkele daarvan elkaar dan ook nog tegen.

Zo behandelt hij terloops het ontwerpdogma ‘less is more’ van Mies, door daar twaalf variaties naast te zetten.

Less is only more
when more is no good

Frank Lloyd Wright

Achieve more with less
Norman Foster

Less is a bore
Robert Venturi

Less is a snore
Gianni Versace

For me more is more
Gianfranco Ferré

Less is less
Theo Crosby

More of less
headline on a political appointment

Less is more – providing you
had more to begin with

Rodney Kinsman

As you get older
less is always more

Ivana Trump

More means worse
Kingsley Amis

I’m for maximalism,
Minimalism is very protestant

Ettore Sottsass

More matter with less art
William Shakespeare

Ik zit voor de verandering echt verlegen om woorden om dit boek goed te kunnen beschrijven, vanwege de enorme rijkdom ervan. En ook wel, omdat ik me een goede leerling van Fletcher wil tonen. Het is heel simpel te zeggen dat hij zo’n truc als hierboven vaker uithaalt, door uitgebeende soundbytes of wat langere quotes met elkaar te contrasteren. Maar daarmee verklaar ik niets over wat hij de lezer heeft willen laten zien.

Bovendien heeft Alan Fletcher die contrasterende visies wel allemaal waargenomen. Misschien geeft hij die wel steeds zo door als om te benadrukken hoe belangrijk het is een open blik te houden. Eén antwoord is meestal niet het enig mogelijke antwoord.

Wie met kennis kijkt, ziet altijd meer.

En nieuwsgierigheid loont.

Waarmee ik ook wil zeggen, dit is geen boek om passief te ondergaan, noch om een beetje door te bladeren omdat het er zo fraai uitziet. Maar de lezer die wat met het gebodene wil gaan doen, om beter te leren denken, kan waarschijnlijk nergens beter krijgen. Zolang die het tenminste aandurft niet de hele tijd bij het handje gehouden te worden.

video waarin Fletcher iets over het boek vertelt

Alan Fletcher, The art of looking sideways
1064 pagina’s
Phaidon, 2004


Design of Everyday Things ~ Donald A. Norman

Dit boek besprak ik hier eerder, maar dan in de Nederlandse versie uit 1990. En die kan ik nog altijd iedereen aanbevelen.

Er waren verschillende redenen om toch ook deze Engelstalige editie te willen lezen. Allereerst omdat ermee geadverteerd werd dat dit een nieuwe bewerking was. Zo veranderde de titel, van The Psychology of Everyday Things, naar The Design of Everyday Things. Maar belangrijker nog was dat erbij verteld werd hoe Norman’s carrière verliep sinds in 1988 de eerste versie van dit boek uitkwam. Hij is bijvoorbeeld zakelijk gaan samenwerken met Jakob Nielsen, die weer een heel duidelijke visie heeft op hoe websites er moeten uitzien.

En juist met internet – en zijn interactiviteit – kwamen er allerlei nieuwe vragen op over hoe informatie het best en meest overzichtelijk getoond kan worden.

Leek mij.

Maar Norman dacht er anders over, en herdrukte gewoon zijn boek uit 1988. Er kon nog net een nieuw voorwoordje af, waarin hij trots verklaart hoe tijdloos zijn aanpak is. Ontwerpers moeten meer van gebruikers uitgaan in hun design, zo luidt de boodschap. En daar hoefde niets aan verbeterd te worden.

Maar mij valt toch dat er wel gedeelten zijn uitgehaald, zoals zijn afkeuring van een communicatievorm die veel op SMS lijkt.

Dus schrijf ik deze woorden met gemengde gevoelens. Dit blijft een goed boek, ook twintig jaar na de eerste uitgave, maar ik voel me behoorlijk bekocht door de marketing van de uitgever.

mijn oordeel over de Nederlandse bewerking van dit boek

Donald Norman, The psychology of everyday things
272 pages
Basic Books; 1st Basic Paperback edition, 2002

Typographics Four ~ Roger Walton (ed.)

Zelden gaat op boeklog over de zakelijke kant van het uitgeven. En gelukkig ook maar. Heel boeiend is die meestal niet. Bovendien ben ik geïnteresseerd in de ínhoud van boeken, en al niet eens om welke druk of editie het gaat.

Toch zijn er boeken waarvoor het zakenmodel van de uitgever belangrijker is dan de inhoud. De risicoloze uitgaven. De boeken waarvan ieder die erin staat zo’n groot deel van de oplage opkoopt, dat de uitgever er zowiezo al winst op maakt. De gids Who is Who is het klassieke voorbeeld van dit soort uitgaven. Maar ook, of misschien wel juist, de grafische sector kent dit soort boeken.

Ik vermoed dat Typographics Four zo’n presentatieboek is. Het ziet er prachtig uit. Het kan zo op de salontafel. En het kostte bij introductie 169,- gulden.

Dat is veel geld voor een boek zonder een bijzondere inhoud. Dit exemplaar werd dan ook niet verkocht voor die prijs.

Na de invoering van de euro heeft het nog tijden voor € 76,70 bij de boekhandel in de kast gestaan. Om jaren later tenslotte voor € 1,00 op de braderie verkocht te worden, aan mij.

Maar ik weet niet of ik daar een goede koop aan gedaan heb. Zo valt me op dat ik geen enkele van de opgenomen ontwerpers van naam ken. Nu hoeft dit zo vreemd te zijn, wie kent die namen wel, maar evenmin kwamen hun ontwerpen me bekend voor. Terwijl ik toch een redelijk fotografisch geheugen heb.

Bovendien zijn nogal wat ontwerpen volkomen gedateerd, in amper acht jaar tijd. Vooral het werk voor websites doet haast primitief Middeleeuws aan. Netscape 3, of Internet Explorer 4, was nog de browser van keuze. En het scherm waarvoor ontworpen werd, was nog wat mensen zo onderhand aan resolutie op hun telefoon bezitten.

Enfin, voor hetzelfde levert dit boek me later nog eens een nuttig idee op, en dan is het de investering natuurlijk wel meer dan waard geweest. Soms is bladeren in andermans werk even heel nuttig.

Roger Walton ed., Typographics Four
Analysis+Imagination=Communication

204 pagina’s
HBI, 2000

Yumeji Graphics ~ 夢二グラフィック 叙情カット・図案集

Mijn mooiste boek van 2009 heeft een titel die ik niet kan lezen. En dat is niet eens het enige. Zo is de achterkant de voorkant, en loopt de tekst van boven naar beneden.

Er blijkt dus niet zo veel nodig te zijn om weer analfabeet te worden.

Maar het ging mij ook om de plaatjes. Die zijn universeel. En om het bezit. Yumeji Graphics is een hebbeboek, alleen al omdat alles er anders aan is dan de boeken die ik gewoon ben te lezen. Van het stukje behang dat als kaft dient — tot het cellofanen kaftje dat daar nog eens als bescherming omheen zat toen het binnenkwam — van de verschillende soorten papier die gebruikt zijn, tot de druk, en de geur.

Soms volstaat het al om een boek in handen te houden.

Yumeji Graphics is mede uitgegeven door een museum. Het zal daarom een overzichtswerk zijn, of misschien niet meer dan een catalogus bij een tentoonstelling. Nu ja, de kunstenaar van wie het werk is afgebeeld, was 75 jaar dood in 2009; misschien gaf dat aanleiding tot iets.

Takehisa Yumeji [1884 – 1934] was een Japanse grafisch ontwerper die vooral meisjes tekende. Hij was een autodidact, publiceerde in tijdschriften, of in opdracht; en viel alleen daarom al buiten het establishment in de kunst. Bovendien liet hij westerse invloeden toe, in zijn houtsneden, omdat hij gereisd had. En die besmetting met dat vreemde is misschien nu pas interessant.

Zijn werk wordt er toegankelijker door, voor mij, terwijl het toch dat exotische houdt van die Japanse traditie.

Nu goed, sommige van Yumeji’s tekeningen zijn aan de naïeve kant. Maar dan nog is er meestal een elegantie aanwezig, die zelfs zijn decoratieve patronen interessanter maken dan alleen maar charmant.

Yumeji Graphics
208 pagina’s
Pie Books, 2009

Illustraties uit het besproken boek:


 

 

 

Penguin By Design ~ Phil Baines

In boeklogjes staat altijd het kaft afgebeeld van het boek dat ik las. Die afbeelding maakt duidelijker dan de beschrijving aan het eind welke versie ik precies gelezen heb. En afgezien daarvan is een webpagina met alleen maar tekst statisch, en dus gauw saai.

Niet altijd heeft een boek meer een kaft. Elektronische boeken doen het meestal zonder, of krijgen hoogstens de voorplaat mee van de papieren uitgave.

Die truc pas ik ook maar toe hier bij van het scherm af gelezen werk. Tegenwoordig is in 99,9% van de gevallen het afgebeelde boek in het boeklogje van het exemplaar dat ik las.

De opmars van het elektronische boek geeft dus wel éen ding aan. Mooie omslagontwerpen zijn niet wezenlijk voor de beleving van een boek. Iets dat ik overigens op een andere manier ook al had opgemerkt. Bij veel van de boeken die ik online bestel, is het maar afwachten hoe het kaft eruitziet, omdat de winkel die niet toont. Regelmatig ook wordt een andere versie verstuurd dan de bestelde, waardoor de afbeelding op de website niet klopte. Maar als de inhoud me meevalt, is dat allemaal gauw vergeten.

Toch lijkt het me nog te vroeg nu alvast maar een requiem voor het boekomslag te componeren. Het e-boek krijgt de eerste tien jaar nog geen dominant marktaandeel. Sterker nog, het zou me niet verbazen dat de uitgevers nog wat meer hun best gaan doen op vormgeving, om beter te doen uitkomen waar papier goed in is. Dus de mooiste boeken moeten nog gemaakt worden, lijkt me.

Tegelijk weet bijna niemand van tevoren welk kaft nu op zich al de kracht heeft om kopers aan te trekken.

In dit overzicht van 70 jaar Penguin boeken staat een tot nadenken stemmend voorbeeld. Graham Greene wenste in de jaren zeventig dat zijn werk verkocht zou worden zonder omslagillustratie; erop vertrouwend dat alleen zijn naam al wel kopers zou trekken. Dit bleek niet zo te zijn, de verkoop van zijn boeken zakte dramatisch in. Waarop de illustraties prompt weer dienst moesten doen — zonder dat deze nu op het oog zo veel toevoegden.

Penguin is verantwoordelijk voor enkele van de mooiste op boeklog gepubliceerde kaften.

Penguin is evenzeer verantwoordelijk voor een paar van de lelijkste kaften hier.

Het was aardig om onder meer te lezen hoe vormgeving steeds belangrijker werd voor een uitgever. Die aanvankelijk niets meer wilde doen dan succesvolle boeken opnieuw en goedkoop uitgeven. Tegelijk werd dit door de vierhonderd afgebeelde kaften meer een plaatjesboek dan wat anders.

Een heel prettig kijkboek vooral ook, omdat het soms begeerte wist op te wekken, naar het bezit van een boek, enkel om het kaft, en die verlangens tegenwoordig ook te vervullen zijn. Als de verkoper eerlijk is tenminste, online.

Phil Baines, Penguin by Design
A Cover Story 1935–2005

256 pagina’s
Allen Lane, 2005

Designing Pornotopia ~ Rick Poynor

Er stonden ergens opmerkingen online, over ‘Designing Pornotopia’. Dat nu eindelijk eens iemand iets had geschreven over het verdwijnen van het taboe op porno; en de weerslag die dit had op de beeldcultuur. Over dit onderwerp hoorde ik graag eens een expert. Dus liet ik dit boek invliegen uit de VS.

Bleek het geen monografie te zijn, of een essaybundel met een centraal thema. Designing Pornotopia pakte uit als een bundel van columns en journalistieke stukken over vormgeving in het algemeen; met veel nogal tijdsgebonden stukken over wat ergens lokaal speelde tussen 2003 en 2006.

Rick Poynor schreef bijvoorbeeld eens over hedendaags design in Slowakije, omdat hij er een bezoekje bracht. Volgde er bij een tripje naar een ander land een vergelijkbaar verhaal.

Grootste probleem met dit boek was evenwel nog niet eens dat. Ik had er meer moeite mee dat taal zich zo slecht leent om visuele zaken te beschrijven. Elk stuk begon weliswaar met een illustratie, maar dat was de enige visuele informatie die ik kreeg.

Als plaatjesboek was dit, gezien de onderwerpen, interessanter geweest. Poynor deed namelijk geen mededelingen waar ik van op keek. Misschien dat dit bij het gebied hoort, en vormgeving altijd op zijn best omfloerst besproken kan worden, of in abstracties die nooit eens toegelicht worden. In elk geval lukte het Poynor niet om me heel erg te boeien.

Ook het artikel ‘Designing Pornotopia’ zei niet veel meer dan de samenvatting hierboven in éen regel. Behalve dan dat Poynor signaleert dat het schokeffect inmiddels lijkt te zijn uitgewerkt, en beeldidioom uit de porno niet automatisch meer aandacht genereert voor wie dat in de mainstream media toepast.

Had dit boek daarom om twee redenen nut. Het is fraai vormgegeven, en daarom een rijk bezit. En ik heb uren op internet rondgekeken om de beelden te achterhalen waar Poynor in zijn tekst vaak terloops naar verwees, maar die me daardoor toch intrigeerden.

Rick Poynor, Designing Pornotopia
Travels in Visual Culture

208 pagina’s
Princeton Architectural Press, 2006

Just My Type ~ Simon Garfield

Ik wist door lettertypes geïntrigeerd te worden. Mij was me wel bekend interesse te hebben in de geschiedenis van het gedrukte woord, en daarmee hoe letters eruit zien.

Just My Type pakte daarmee vooral uit als een boek dat een benadrukte hoe erg de verslaving eigenlijk is. Er stond namelijk nauwelijks nieuws in, voor mij. Ik wist van IKEA’s overstap naar de Verdana; ontwerper Eric Gill’s merkwaardige sexuele voorkeuren, of de wrevel tegen een font als Comic Sans of Arial. Tegelijk heb ik bij mijn weten nooit eerder een boek over lettertypen gelezen.

Hoogstens kan ik erop bogen op het klassieke werk Typefinder in de kast te hebben staan. En ook, om dat benut te hebben, om uit te vinden welk font iemand ergens voor had gebruikt.

Simon Garfield heeft in Just My Type kortom een heel groot tal vrij bekende verhalen verzameld over letters, en het vormgeven daarvan. En dat is goed. Daarbij springt hij prettig door de tijd heen en weer. Want, ja, het is absoluut nodig om uit te leggen dat teksten ooit uit lood werden gezet; waar op een gegeven moment machines voor werden uitgevonden. Maar dat kan heel goed uitgelegd worden zoals in dit boek; tegen het einde; als al zoveel meer over letters bekend is geworden.

Prettig vond ik ook de soms haast neurotische feitelijkheid. Zo stelt Garfield terloops ergens vast met welke lettertypen de namen van voetballers op hun shirts worden afgedrukt.

Minder prettig was dat als een font afzonderlijk behandeld werd, dit soms wat al te snel in anderhalve pagina gebeurde; waarbij die halve pagina dan ook nog een foto was.

Maar verder is mooi dat het er allemaal instaat. Van welke fonts op bijna alle computers staat — en wat dit betekent — tot wat de nieuwe ontwikkelingen daarbij zijn, sinds het besturingssysteem Microsoft Vista. Allemaal heel prettig opgeschreven, allemaal heel goed te verteren. Helemaal voor een publiek dat nog nooit een tel over het onderwerp heeft nagedacht.

Simon Garfield, Just My Type
A Book About Fonts

352 pagina’s
Profiel Books, 2010

Ogilvy over reclame ~ David Ogilvy

Onverwacht succesvol was deze Nederlandse vertaling van Ogilvy on Advertising in 1984. Terwijl het boek toch eerder dan een beknopt leerboek is voor mensen die de reclame in willen dan iets anders. Veel van de rijk geïllustreerde hoofdstukken eindigen zelfs met een aanbeveling om een uitgebreider boek te lezen over het besprokene.

Enfin, het Wikipedia-lemma over David Ogilvy [1991 – 1999] geeft aan dat hij ooit de ‘vader van het adverteren’ werd genoemd. Het mede door hem opgerichte bureau had nogal wat buitenlandse vestigingen. Dit boek schijnt velen enthousiast te hebben gemaakt om de reclame als vak te kiezen.

Terwijl ik het toch behoorlijk zakelijk vond. Volgens mij is de belangrijkste boodschap van Ogilvy dat vrijwel geen campagne lukt, zonder gedegen kennis over de doelgroep waarop de boodschap zich richtte.

Verder was het onontbeerlijk om het product te kennen, en zelfs om er iets mee te hebben, om er een behoorlijk reclame voor te kunnen maken.

En zelfs een tekstschrijver, zoals David Ogilvy oorspronkelijk was, die ook nog vrijwel alleen advertenties bedacht voor de gedrukte media, besteedde nauwelijks tijd aan schrijven. Te druk bezig met alles om dat schrijven mogelijk te maken.

Toch begrijp ik de aantrekkingskracht van dit boek ook wel weer. Zelfs nu. Ruim vijfentwintig jaar na uitgave, levend met een medialandschap dat totaal anders is geworden.

Veel van de waarheden van die Ogilvy mee hielp te ontdekken dateren trouwens ook al van voor de Tweede Wereldoorlog. Dat onderschriften bij foto’s vaker gelezen worden dan een bijbehorend artikel zal zelfs online niet anders zijn.

Nee, prettig aan Ogilvy over reclame zijn de vele voorbeelden, van wat werkte, en wat niet. Zelfs al doen veel van de opgenomen advertenties nu wat ouderwets aan.

En ook mooi is de zelffelicitatie van David Ogilvy, en hoe hij telkens terloops benadrukt dat geslaagde reclamemakers intelligent moeten zijn. Zo maakte hij een vak, dat zeker in de jaren zeventig een dubieuze reputatie had alhier, toch ook intellectueel aanvaardbaar.

David Ogilvy, Ogilvy over reclame
224 pagina’s
Sijthoff, 1984
vertaling van Ogilvy on Advertising, 1983

Dick Bruna ~ Joke Linders e.a.

In 2005 was er vijftig jaar verstreken sinds het eerste prentenboek uitkwam over het konijntje Nijntje. Dit werd feestelijk herdacht. Jubilea leveren ook altijd leuk wat gratis publiciteit op voor de uitgever.

Over de betekenis daarvan moet niet te gering worden gedacht.

Eén van de activiteiten die ik aan deze verjaardag link, is de publicatie van dit boek. Dat grotendeels gaat over de Nijntje-boeken, en hoe Dick Bruna daartoe kwam. Ook mocht Ivo de Wijs uitleggen hoe er liefst twee musicals aan een getekend konijn konden worden gewijd.

En het is goed hoor, dat uitgebreid wordt stilgestaan bij hoogtepunten uit dat oeuvre, zoals het navrante boek Lieve oma Pluis.

Alleen heb ik vrijwel niets met Nijntje. Ik ben niet met haar boeken opgegroeid. Dus wordt mijn blik niet gekleurd door zoete jeugdherinneringen. En, hoewel ik de vormgeving van de tekeningen zeer bewonderen kan, vind ik de vierregelige versjes daarbij vaak nogal naar. Om de rijmdwang, die daar zo vervelend bij hoort.

Is er ook nog die kwestie dat Dick Bruna het uitdrukkelijk verbiedt dat parodieën op zijn Nijn worden gemaakt. Waarbij diens advocaten de in het recht unieke stap hebben gezet om het auteursrecht op hun pleitnota’s aan Bruna te geven, opdat maar niet openbaar kan worden hoe kleinzielig zij zeuren.

Nee, Dick Bruna is voor mij interessant om zijn werk als grafisch vormgever. En dan misschien wel het meest nog, om de ruim tweeduizend kaften die hij ontwerp voor de goedkope pocketboeken van de uitgeverij van zijn vader. Twee à drie kaften per week waren dat. Elke week. Jarenlang.

In dit boek zijn ook 130 van de kleine vierkante pagina’s gewijd aan Bruna’s grafische werk. Die voorbeelden die daarbij gegeven werden, smaakten vooral naar meer. Want, die voorkanten van de Maigrets, met enkel die pijp en een werkje op de achtergrond, die kunnen toch helemaal niet.

Behalve dan dat ze altijd wel zo goed hebben gedeugd.

Dick Bruna
Joke Linders, Koosje Sierman, Ivo de Wijs, Truusje Vrooland-Döb
553 pagina’s
Waanders Uitgevers, 2006

* voorbeelden van Bruna’s boekenkaften voor de Zwarte Beertjes-reeks. Lang allemaal niet opgenomen in het boek.






Information is Beautiful ~ David McCandless

Abstracties, zoals heel grote getallen, die bijvoorbeeld horen bij het nieuws hoeveel een oorlog kost, kunnen maar beter in een beeld worden gevat. In woorden zeggen zulke feiten weinig. Daarvoor tellen wij mensen te slecht.

David McCandless deed in het boek Information is Beautiful niets anders dan het presenteren van zulke gegevens, maar dan op zo’n manier dat deze informatie aantrekkelijk werd om naar te kijken.

Daarmee is dit een boek waar vrijwel geen lopende tekst in staat — een bladerboek dat tegelijk geen bladerboek werd, omdat daarvoor sommige feiten te veel intrigeren.

Indrukwekkend is bijvoorbeeld de dubbele pagina die toont hoeveel onze zintuigen waarnemen. Omdat daarbij de meeste indruk maakt hoe weinig van dit al wij ons bewust zijn. Dat is een klein wit vlekje rechtsonder op de rechterpagina.

Nieuw voor mij was ook, hoewel het gegeven vrij logisch is, dat frisdrank de grootste hoeveelheden koolstofdioxide uitstoot van alles op aarde.

Handig, en heel simpel, was dan weer McCandless idee om literaire kritiek te bedrijven. Men neme daartoe gewoon de verzamelde tekst van iemand, laat daar uit distilleren welke woorden zo’n auteur het meest gebruikt, en presenteert dat in een woordwolk, zoals hier onderaan de pagina.

En zo is er zo veel meer.

Wel heeft dit prachtboek anderhalf probleem; want McCandless gebruikt nogal eens geel om iets te illustreren, en een afbeelding in die kleur alleen is te slecht zichtbaar op een ietwat glimmende witte boekenpagina. Maar ernstiger lijkt me dat feiten vaak nog inzichtelijker zijn als ze in een animatie gepresenteerd worden. En papier kan veel, het is geduldig, maar beweging overbrengen lukt maar matig.

Gelukkig dus maar dat er inmiddels de website Information is beautiful bestaat. Waarop veel van de voorbeelden uit het boek terug te vinden zijn; en vaak ook verbeterd. Zo was Nederland in het boek nog de koploper in de wereld met spek, omdat elk land ergens het beste in is, maar ondertussen schijnt dat met XTC te zijn.

Fraai vond ik ook de pagina die toont hoeveel moeite het kostte om tot het ontwerp van het kaft te komen.

David McCandless, Information is Beautiful
255 pagina’s
Collins, 2009

* illustratie aan de hand van het besproken boek, de woordenwolk van bovenstaande tekst [click voor groter]


Bionica ~ John J. Videler

Door natuurlijke selectie hebben dieren en planten al lang een oplossing gevonden voor allerlei mogelijke menselijke problemen. De moeilijkheid is alleen wel die oplossing te zien.

En vervolgens, zoals John Videler in zijn praktijk als biologisch onderzoeker ontdekte, moeten mensen er ook nog van overtuigd raken dat de natuur betere oplossingen paraat heeft voor hun praktijkproblemen. Een constante in het boek Bionica is toch dat wij erg conservatief zijn, en graag vasthouden aan hoe het altijd was.

Dus werken de cutterzuigers van baggeraars nog altijd met snijkoppen waarvan de tanden veel te snel verslijten. Terwijl de bionica leert dat slakken die op een vergelijkbare manier boren geen rechte snijtanden hebben, maar gebogen.

Dus zijn bijna alle vliegtuigen veel te smalle buizen, die alleen daarom al energie vreten om verplaatst te worden. Hadden ontwerpers gekeken naar de ideale stroomlijn van snelle vissen, dan waren de vliegtuigrompen veel breder geworden, waardoor aanzienlijk meer mensen te verplaatsen zijn voor dezelfde energiekosten.

Aardig aan dit boek is onder meer dat Videler de speculatie niet schuwt. Spreeuwenzwermen, en hun luchtballetten, laten volgens hem perfect zien hoe het fileprobleem in de toekomst is op te lossen. Als die vogels zo dicht op elkaar kunnen bewegen, en zich zonder problemen van de zwerm kunnen losmaken, moet er ook geleidetechniek mogelijk zijn waarmee auto’s en masse over de snelwegen verplaatst kunnen worden.

Files ontstaan ook zelden door drukte, maar vrijwel altijd omdat automobilisten zich zo onvoorspelbaar gedragen, voor elkaar. Daardoor blijft hun onderlinge snelheid niet gelijk.

Videler is inmiddels emeritus hoogleraar Bionica. Hij werkte aan de Rijksuniversiteit Groningen. Dit boek biedt een overzicht, aan de hand van uitgewerkte voorbeelden, van problemen waar zijn vakgebied mee bezig is.

Daarbij ziet hij zijn lezers voor vol aan. Middelbare-schoolkennis van de scheikunde en natuurkunde zal een aantal malen bij het lezen helpen. Ik kon dat geen probleem vinden.

John J. Videler, Bionica
Leren van de natuur
232 pagina’s
Atlas, 2010

Terwijl je leest ~ Gerard Unger

Wie dit leest, let daarbij slechts op de betekenis van wat hier staat. En ziet daardoor niet hoe elk woord gevormd is, of hoe de letters op het scherm meehelpen om de herkenning van de woorden te vergemakkelijken.

Maar wat niet wordt opgemerkt is nog niet onzichtbaar, schreef Gerard Unger.

In zijn boek Terwijl je leest onderzoekt hij of er wetmatigheden zijn die een tekst goed herkenbaar maken. Unger is een letterontwerper, éen van de bekendste die Nederland heeft, en hij verdiept zich vanuit die achtergrond al decennia in dit onderwerp.

Een uitgangspunt voor het boek is daarbij dat de meeste lezers onbewust al een grote typografische kennis hebben opgedaan door hun lezen — alleen hebben ze meestal geen directe toegang tot deze kennis. Dus vult Unger die leemte nu eens voor hen in met aanwijzingen.

Daarbij geeft hij onder meer weer hoe in de geschiedenis over typografie is gedacht, en welke vuistregels daarbij dan golden.

Terwijl je leest is in de meeste hoofdstukken een leesboek, waarin Unger de ruimte neemt om dingen uit te leggen. Van mij had hij daarbij veel nerdiger mogen zijn.

Interessant is wel dat Unger zich heeft afgevraagd hoe dat precies werkt, met die herkenning van tekst. Helaas wreekt zich daarbij wat dat dit boek een licht bewerkte heruitgave is van een titel uit de jaren negentig. Sindsdien zijn bijvoorbeeld de methoden verbeterd om te meten wat er in de hersenen gebeurt bij het lezen. Wat weer tot nieuwe theorievorming heeft geleid. Waardoor ik bijvoorbeeld een uitspraak miste over de huidige ideeën van Stanislas Dehaene.

Ook had ik Unger graag gehoord over een nog actueler kwestie. Er bestaat online groot dédain over de lelijkheid van het lettertype ComicSans, dat standaard op alle Windows-computers geïnstalleerd werd. Tegelijk tonen testen aan dat ComicSans opvallend goed leesbaar is voor mensen die juist bij het lezen van andere letters problemen hebben.

Wat weegt dan zwaarder? Voor een letterontwerper. Nieuws was voor mij in elk geval dat typografen niet meer warm lopen voor een discussie over de vraag of een tekst meer opvalt in een geschreefd of een ongeschreefd lettertype.

En zo zijn me vooral de weetjes bijgebleven uit dit boek — waarvan ik sommige overigens al kende. Zo wordt de tekst in kranten tegenwoordig groter afgedrukt dan enkele decennia terug; toen er rustig 8-punts letters werden gebruikt voor de broodtekst. Maar dat is iedereen duidelijk die weleens het archief in moest om oude kranten door te nemen.

Wel stelt Unger terecht de vraag hoe het kan dat kranten hun tekst nu groter afdrukken. We hebben immers helderder licht gekregen thuis, de druktechnieken zijn beter dan toen, en ook de hulpmiddelen om scherp te blijven zien zijn nu overal verbreid.

Gerard Unger heeft dan weer een krantenletter ontworpen — de Swift — die door zijn afnemers niet altijd in dezelfde grootte wordt gebruikt. Waardoor de artikelen in verschillende dagbladen er met gebruik van dezelfde letter toch opvallend anders uitzien; beiden zelfs tot een andere klasse aan media lijken te horen.

Dat is heel vreemd om te zien. En tegelijk ook fraai.

Gerard Unger, Terwijl je leest
223 pagina’s
De Buitenkant, 2006

Small Things Considered ~ Henry Petroski

Afgelopen herfst werd online ineens weer gretig de legende herhaalt dat Philips indertijd best gloeilampen maken kon die eeuwig branden, maar dat het bedrijf voor de oorlog al afspraken had gemaakt met andere lampenmakers om dit niet te doen.

En dan kunnen er best zulke afspraken zijn geweest, dat interesseert me niet eens. De gloeilamp is alleen een zeldzaam onvolmaakt ontwerp. Het ding produceert per definitie meer warmte dan licht. Want dat licht ontstaat pas omdat er veel stroom wordt gejaagd door iets dat enorme weerstand biedt — de dunne kronkelende metaaldraad die van ellende gaat gloeien.

Ingenieurs konden best een gloeidraad ontwerpen die minder leed onder dat eeuwige opwarmen en afkoelen, en daarmee langer houdbaar was. Maak zo’n draad gewoon enorm dik. Weet dan alleen wel dat zo’n lamp aanzienlijk meer stroom gaat vreten, duurder in aanschaf wordt, en desondanks weinig licht afgeeft.

Elk ontwerp is een compromis, tussen wisselende grootheden.

Dat geldt zelfs al voor heel bescheiden scheppingen, zoals een tekstje als dit. Deze waarheid is me dus bekend.

En Henry Petroski legt dit principe heel goed uit in zijn Small Things Considered, zonder het daarbij over de gloeilamp te hebben, overigens. Schreef hij zelfs opvallend beter dan ik in eerdere boeken van hem had gezien. En toch is dit een wat vreemd boek.

Small Things Considered leest als een bundel van losse essays, die voor de gelegenheid bijeen werden gegaard. Toch is het een monografie. Alleen dan eentje met wat willekeurig ogende voorbeelden, bedoeld om dat ene principe te illustreren dat wie ontwerpt daarbij keuzes maken moet. Zelfs als het om iets kleins gaat.

Dus komt de geschiedenis langs van het papieren bekertje — uitgevonden indertijd omdat de standaard metalen beker bij de gemeenschappelijke waterbronnen die iedereen gebruikte een besmettingsgevaar vormde.

Of dan beschrijft Petroski welke ideeën in de negentiende eeuw allemaal leidden tot de vervolmaking van de papieren boodschappenzak.

Of hoe autofabrikanten ineens overvallen werden door de eis van consumenten om bekerhouders te wensen in hun auto’s.

En dus is Small Things Considered ook een Amerikaans boek, van een Amerikaans auteur. En dan niet eens alleen om die papieren boodschappenzak. Want ergens beschrijft hij bijvoorbeeld hoe prachtig het toch is dat in de VS de deurknoppen op een heel andere hoogte zitten dan de lichtknoppen.

Terwijl dat in mijn huis niet zo is.

Al heb ik ook wel in een huis gewoond waar de lichtknoppen, zoals in de VS, veel hoger zaten.

De huidige oplossing hier acht ik alleen wel zo kindvriendelijk. Al projecteer daarmee misschien een reden op de hoogte van de lichtknopjes. Maar standaardisering in deze is nu eenmaal prettig. Het helpt behoorlijk om een vreemde donkere ruimte binnen te stappen, zoals een hotelkamer, en dan in elk geval te vermoeden waar de bediening van het licht zo ongeveer te vinden is.

Petroski had ongetwijfeld uitgezocht waarom wij voor deze hoogte hadden gekozen, in het bouwbesluit, ware hij een Nederlander geweest. Zo’n auteur is het wel. Wat daarom de vraagt oproept waarom ik geen landgenoten ken die me in detail kunnen uitleggen waarom alles hier eruit ziet zoals het eruit ziet.

Henry Petroski, Small Things Considered
Why There is No Perfect Design

288 pagina’s
Vintage Books 2004, oorspronkelijk 2003

Fox and the Star ~ Coralie Bickford-Smith

Wanneer ik het als kind precies te horen kreeg, is me ontschoten. Maar ooit werd me ingeprent dat er in ‘echte’ boeken geen plaatjes staan. En hoewel ik daar inmiddels ook zelf tal van redenen voor kan aanvoeren, voelt het toch weleens als een gemis dat zo weinig van mijn boeken met illustraties komen.

Zo zien ze er allemaal vergelijkbaar uit. Bijna-witte pagina’s hebben ze, met bijna-zwarte kriebeltjes daarop.

De waarde is daardoor niet direct zichtbaar. Om de waarde te kunnen beoordelen, moeten eerst die tekentjes gedecodeerd worden naar taal.

Ik denk, mede daarom, dat nogal wat schrijvers profiteren van de moeilijkheden in dat decoderingsproces. Het kost tijd om vlot te leren lezen. Een groot deel van de bevolking lukt dat al helemaal niet. En een meerderheid van degenen die er wel in slagen, denkt vervolgens dat als een tekst onleesbaar is dat dit aan hen ligt. Onzin op schrift wordt merkwaardig slecht als onzin herkend, door velen.

De boeken in mijn bezit die wel plaatjes tonen gaan voor het merendeel over beeldende kunst. Ik heb een kast vol met titels over schilders en tekenaars, en hele rijen met tentoonstellingscatalogi. Opvallend is alleen wel dat er deze eeuw vrijwel geen uitgave meer bij kwam. Sinds Google is het namelijk aanzienlijk makkelijker geworden om plaatjes te vinden — ondanks dat de mensheid meer beelden vastlegt dan ooit. Dankzij internet is het niet meer nodig om er thuis een bibliotheek op na te houden van beeldmateriaal. Want dat lijkt toch de belangrijkste reden te zijn geweest om al die boeken over kunst te moeten hebben.

Staan er ook honderden stripboeken nog in mijn kasten, en enige tientallen prentenboeken daarbij.

Waarvan die prentenboeken vrijwel de enige boeken in mijn bezit zijn die werden gekocht omdat ik ze er zo mooi vond uitzien — zonder dat daar dan eerst die moeizame decodering voor nodig was van de tekst.

Aan verhaal heeft The Fox and the Star van Coralie Bickford-Smith bijvoorbeeld ook niet vreselijk veel te bieden. Het boek gaat over een vos, in een donker bos, die daar slechts éen vriend heeft. Een ster die nog net boven de bomen zichtbaar is.

Alleen verdwijnt deze vriend op kwade dag.

Zelfs tekentechnisch heb ik wel wat aan te merken op het werk van Coralie Bickford-Smith. Alleen gaat het ook daar niet om. Bickford-Smith is allereerst grafisch vormgever, die voor Penguin rijen aan prachtige heruitgaven heeft ontworpen. En zowel grafisch als druktechnisch is dit een heel fraai boek.

Een hebbeding.

Memento bij het gegeven dat het voor een heleboel titels betrekkelijk weinig uitmaakt of je ze van papier zou lezen of van een scherm, maar bij sommige toevallig wel. Illustratie dat uitgeverijen nog altijd plannen hebben met dat gedrukte boek.

Coralie Bickford-Smith, The Fox and the Star
z.p.
Penguin, 2015
illustraties uit het besproken boek


Golden Age of Handbuilt Bicycles ~ Jan Heine & Jean-Pierre Pradères

Er is iets vreemds voor mij aan het kijken naar fietsen. Het lijkt er namelijk op of me enkel de fietsen bevallen waar ik zelf zo op zou kunnen wegrijden.

Alleen ben ik wel een zoon der Friezen in deze; een lang end uit het volk van grote mensen. De frames van de fietsen in mijn eigen stal zijn aan de grote kant vergeleken met de doorsneemaat; helemaal internationaal gezien. Pas als de zitbuis 61 centimeter meet of meer — hart tot hart, bij een horizontale bovenbuis — wordt een fiets interessant.

Helaas gaat de aandacht zelden uit naar zulke voor mij normale maten. Dus is het met boeken of websites over fietsen vaak alsof ik de schoonheidsidealen van een ander volk te bewonderen heb, die ik dan niet helemaal deel.

Terwijl ik me, als het om andere kunsten gaat, inmiddels toch ook heb aangewend een stuk neutraler te kijken. Ik hoef echt niet verliefd te worden op de vrouwelijke hoofdpersoon om een roman positief te kunnen beoordelen. Al is voor mij het benul van een auteur wel weer vrij bepalend voor het oordeel over een boek.

En tegelijk ben ik ook zo iemand die Italiaanse sportauto’s bekijkt met de vraag: hoe komen die ooit over de verkeersdrempels in mijn straat?

Dus was het lezen van dit boek vol glamourfoto’s van fietsen nu weer een dubbel genoegen. Want, ja, verstandelijk kan ik zeker de inspanningen waarderen die de bouwers hebben geleverd vroeger. Hun creatieve vondsten. Of hoe zij beetje bij beetje de fiets steeds bruikbaarder hebben weten te maken. Alleen, als ik niet een keer of wat hebberig word tijdens het kijken, is er verder niet echt veel aan zo’n uitgave te beleven.

The Golden Age of Handbuilt Bicycles gaat over fietsen van een hele reeks Franse constructeurs; waaronder René Herse en Alex Singer in het bijzonder. Nadruk daarbij ligt op de periode na de Tweede Wereldoorlog. Toen auto’s aanvankelijk nog veel te duur waren voor de meesten, en de wegen veel te slecht. Toen het bezit van een goede fiets even een statussymbool kon worden onder de Fransen.

Ging het daarbij ook nog vooral om fietsen waarop comfortabel einden te rijden was. Modellen die later weleens toerfietsen gingen heten; om ze van de racefiets te onderscheiden. Lichtgewicht sportieve fietsen met spatborden, versnellingen, en verlichting ook. Dure fietsen.

De wondertuigen waarop vederlicht aluminium beetje bij beetje de plaats kon overnemen van staal, of gietijzer zelfs.

Al besteedt Jan Heine in het boek tegelijk aandacht aan tandems, en zogeheten porteurs — fietsen die welhaast vergelijkbaar zijn met wat de schooljeugd tegenwoordig in Nederland rijdt, door het bagagerek boven het voorwiel.

Mij ging het deze maal bij het lezen vooral om die toerfietsen, en hun eigenschappen. Niet eens per se alleen om de geschiedenis die het boek aanbrengt. Vooral omdat me ineens opviel dat al deze fietsen zo’n enorme lange wielbasis hadden.

Die konden dus heel goed en comfortabel rechtuit rijden.

Voeg daar alleen de ietwat plompe banden aan toe, de luie geometrie vanwege de algemene wens om bagage boven het voorwiel mee te nemen, en de zonder meer opvallend klein uitgevallen frames — de Fransoosjes van vroeger zijn geen Friezen — en het lukte me werkelijk niet om de schoonheid te vóelen van al die klassieke unikaten.

Konden ze nog zo mooi glimmen op de foto’s.

Intellectueel beredeneren wat er bijzonder was aan zo’n fiets is dan ook iets heel anders.

Nu zijn nogal wat oude racefietsen voor grote mannen al evenmin aardig om te zien. De internationale wielerbond UCI heeft heel lang aan de absurde eis vastgehouden dat wedstrijdfietsen slechts een wielbasis van 100 centimeter mochten hebben. Dus van de weeromstuit hebben al die oude hoge raceframes iets naar gedrongens.

Hadden Heine en Pradères kortom meer fietsen in mijn maat kunnen vastleggen, dan was mijn waardering voor hun werk anders geweest. Dan had ik — om de fijne lange wielbasis — menig exemplaar onmiddellijk mooi gevonden dat nu vrijwel onopgemerkt passeerde.

En ik weet best dat elke lezer zichzelf mee brengt bij het openslaan van een boek. Maar zo aanwezig hoefde al die eigendunk nu ook weer niet te zijn. Die maakte deze uitgave tot porno; plaatjesporno die toch niet prikkelen kon.

Jan Heine & Jean-Pierre Pradères, The Golden Age of Handbuilt Bicycles
Craftmanship, Elegance and Function

167 pagina’s
Rizzola Internation/Vintage Bicycle Press 2009, oorspronkelijk 2005

illustratie uit het besproken boek