Freedom evolves ~ Daniel C. Dennett

Er is iets met de boeken van Daniel Dennett dat me altijd weer laat worstelen. En dat ligt niet aan de onderwerpen die hij behandelt. Dat ligt zelfs niet aan zijn schrijfstijl, want die is helder. Over het algemeen.

Nee, het lijkt alsof hij altijd tegen een vijand schrijft die ik niet ben. Waardoor hij mij als medestander van zijn ideeën, toch telkens weer van zich weet te vervreemden.

Zo neemt hij ook nu weer, in die strijd tegen die vijand die ik niet ben, posities in die mij niet houdbaar lijken. Door hun extremisme, en door hun soms nogal speculatieve karakter. Het is éen ding om te benadrukken dat de mens niets anders is dan een dier dat zich evolueert als alle dieren, maar het lijkt mij dat hij daarmee evolutie als een permanente verbetering van alles menselijks interpreteert. Terwijl zoiets als cultuur nu juist ook aan andere wetten onderhevig is.

Goed, misschien heeft Dennett inmiddels door dat het niet loont om indirect te strijden tegen bevolkingsgroepen die hem toch niet lezen. Heeft hij daarom recent dan eindelijk toch dat boek geschreven tegen de ingebakken domheid van georganiseerde religie, dat er al zolang in zat.

Maar dit boek is bovenal nog een onderhuidse strijd tegen relikitscherige gedachten. Al was het maar omdat Dennett van aantal vragen – zoals die naar de vrije wil – vooral wil aantonen dat die helemaal niet zo gesteld mogen worden.

Nee, ik lees Dennett graag. Maar dan vooral om de grote hoeveelheid wetenschappelijke informatie in de zijlijn van zijn betoog. Zelden om zijn centrale thema’s.

Daniel C. Dennett, Freedom evolves
347 pagina’s
Viking © 2003


Onverklaarbaar bewoond ~ Bert Keizer

Onwillekeurig riep dit boek herinneringen op aan de roman Het refrein is Hein. Of eigenlijk is dat al zo bij elk boek van Bert Keizer, omdat ik hoop dat hij die prestatie nog eens herhaalt.

Onverklaarbaar bewoond mist alleen iets, ten opzichte van dat vroege meesterwerk. Hoe goed de beide boeken verder ook te vergelijken zijn. Noem het humor, noem het lucht. Noem het overzicht.

Wat Het refrein is Hein zo prachtig maakte was het evenwicht. Want ja, voor buitenstaanders was het nogal grimmig wat er allemaal plaatsvindt in een verpleegtehuis; die stille laatste halte voor de dood. Maar Keizer had al even in die omstandigheden verkeerd, voor hij aan zijn boek begon. Als hij niet had kunnen relativeren, was het werk daar nooit vol te houden geweest.

In Onverklaarbaar bewoond is Keizer een indringer, die even in een andere wereld kijken mag, en uiteindelijk toch buitenstaander blijft. Hij liep een tijd mee, als toeschouwer, op de afdeling neurochirurgie van het Academisch Medisch Centrum van de Vrije Universiteit [VUMC] in Amsterdam.

Waarom nu per se daar, op die afdeling? Als Keizer dat aan de daar werkzame artsen moest uitleggen, begrepen zij hem niet echt. Terwijl het voor hem toch zo duidelijk was. Wie iets in of aan zijn hersenen oploopt, loopt daarbij ook het gevaar op een andere manier gekwetst te worden. Anders dan bij een beenbreuk, of ander probleem elders in het lichaam. Bert Keizer gebruikt daarbij dan nog het woord ‘ziel’, als de gebruikelijke steno, voor wat er dan aangetast kan raken. En misschien is dat het dan wel wat op onbegrip stuit.

De medici vinden het juist een nogal beperkt vak.

Want Keizer beschrijft in het boek ook vooral een technocratie, met artsen die alle hulpmiddelen hebben om diagnoses te stellen, en vervolgens iets te doen. Of juist niet. Maar wat kunnen ze dan precies?

Over neurochirurgie zei Gorter van Wagendonk: ‘Je kunt het een aap leren’

‘Maar alleen chimpansees hoor,’ sust Suzanne, ‘bavianen kunnen het echt niet.’

Over snijvaardigheid zegt Kees: ‘Het is als het pellen van een sinaasappel. De ene gaat moeiteloos, schil laat lekker los, partjes vallen makkelijk uiteen, maar de volgende is een en al probleem. Of je nou wilt of niet, je trekt alles stuk. Technisch moet je zo ver zien te komen dat je ze allemaal even keurig pelt’ [199]

Reparaties aan een beschadigd ruggenmerg zijn ook Keizer te eenvoudig, en worden daarom genegeerd. Die behelzen immers weinig meer dan basale werktuigbouw, van een stel kabels die in hun buis ongehinderd moeten kunnen werken.

Alle eerbied gaat in het boek uit naar de hersenen. Dat onbegrijpelijke ding van ruim een kilo, in die schedel.

Zo veel eerbied is er zelfs dat Keizer blijft schrikken van de manier waarop hersenoperaties plaatsvinden. Hij kan niet wennen aan het geluid waarmee het zaagje een luikje in de schedel maakt. Hij vindt het verschrikkelijk als een patiënt tekenen van leven geeft tijdens de ingreep. En dat een chirurg dan bijvoorbeeld laconiek ijswater op de hersenen kan spuiten om weer rust te krijgen.

En ondertussen realiseert hij zich tot welke gewoonten zijn eigen beroep hem gedwongen heeft. Omdat hij weet niet zo veel te kunnen doen voor zijn patiënten, dan ze bij staan of te trachten om hun pijn te verlichten.

feit blijft dat ik als verpleeghuisarts vaak bij een patiënt sta met pijn, angst, benauwdheid, zwelling, koorts, bloedverlies, roodheid enzovoort als een voorbijganger tegenover een huis waar hij niet in kan, terwijl zich binnen mogelijk allerlei akeligs afspeelt. Je hoort een kreet, een slag, geratel of gepiep, maar het blijft gissen naar wat er nou echt gebeurt daarbinnen.

Hier kunnen ze dan wel het huis binnen. En dikwijls weinig uitrichten, behalve uitstel regelen bij de meeste tumoren. [119]

In het laatste hoofdstuk van dit boek gaat Keizer langs bij twee patiënten die hij in het VUMC heeft meegemaakt. Beide mochten nog even wat langer doorleven. Al is éen zich daar bewuster van dan de ander, wat de beperking verlicht dat er nu altijd een looprek nodig is.

En het is mooi dat hij even die moeite nam zich om deze mensen te bekommeren.

Tegelijk had ik bij dit boek steeds het gevoel een ongeluk mee te maken. Maar, wat was dat ongeluk dan?

Bert Keizer, Onverklaarbaar bewoond
Het wonderlijke domein van de hersenen

269 pagina’s
Uitgeverij Balans & VU Uitgeverij, 2010

Power of Habit ~ Charles Duhigg

Er zit meestal een nacht tussen het uitlezen van een boek en het beschrijven van mijn reactie in een boeklogje. En deze gewoonte is niet verkeerd. Want had ik meteen mijn gedachten over The Power of Habit verwoord dan waren superlatieven tekort geschoten.

Zelden las ik een effectiever geschreven boek. Bovendien sloot het onderwerp precies aan op mijn eeuwige onderzoeksvraag: wat is normaal, en waarom dan wel?

Alle theorie die in het boek aan de orde komt, wordt verteld in verhaalvorm; en lijkt dus geen theorie. Bovendien zijn de verhalen spannend. Wie over gewoonten schrijft, heeft het daarbij nu eenmaal eerst over verkeerde gewoonten — en wat daar de gevolgen van kunnen zijn.

In een ziekenhuis levert een foute routine uiteindelijk doden op. Als kaartverkopers in de Londense metro hun hok niet uitmogen, omdat de rijen anders gauw te lang worden, kan dit ook betekenen dat beginnende brandjes niet op tijd geblust worden. En tientallen mensen sterven in dat labyrint daar ondergronds.

Zelfs komt dat stukgekauwde vraagstuk langs of we een ‘vrije wil’ hebben. Alleen geeft de auteur dan eerst twee casussen om over na te denken, voor hij positie kiest.

Is iemand die slaapwandelt, en tijdens dat slaapwandelen gewelddadig wordt — bijvoorbeeld omdat hij droomt met monsters te moeten worstelen — verantwoordelijk voor zijn daden?

En is iemand die alleen gelukkig wordt in het casino compleet verantwoordelijk te stellen voor haar gokverslaving? Als het casino deze goede klant op alle mogelijke manieren paait met limousines, gratis hotelkamers, en extra speltegoed? En als uit hersenonderzoeken blijkt dat gokverslaafden heel anders reageren op bijna-winst in een spel als niet verslaafden?

Charles Duhigg meent uiteindelijk dat deze vrouw zich er niet achter kan verschuilen dat de gokverslaving haar tot een ander mens maakt. Er zijn ook momenten dat ze niet gokt. Waarop zij zou kunnen beseffen een probleem te hebben. En vervolgens actie kan ondernemen daar iets in te veranderen.

Want, The Power of Habit is ook dat. Een Amerikaans boek, staande in een lange traditie van Amerikaanse zelfhulpboeken met de blijde boodschap dat verbetering altijd mogelijk is.

Tegelijk kan New York Times-journalist Duhigg verwijzen naar recent hersenonderzoek. Dit toont aan dat er voorspelbare mechanismen zijn om bestaande en slechte gewoonten af te leren, en om te ruilen voor betere routines.

Voorwaarde daarbij is wel dat men verandering wil. En niet meteen in paniek raakt als resultaat vervolgens even op zich laat wachten.

Nieuwe gewoonten worden het best aangeleerd met kleine beloningen aan het eind. Je gaat iets doen, en dat kan tegen je zin ingaan, maar de inspanning loont alleen al vanwege die luttele gratificatie na voltooiing.

Wie dus goede voornemens heeft voor het nieuwe jaar moet weten dat een nieuw bewegingsregime het best wordt aangeleerd door de training steeds op dezelfde manier te beginnen. En een beloning te laten wachten op het eind. Paradoxaal kan dit beteken dat iemand die afvallen wil, zichzelf lekkernijen moet beloven om eerst die goede gewoonte te vestigen om te gaan sporten.

Uiteindelijk gaat het goede gevoel overheersen iets gedaan te hebben, en is de inspanning een beloning op zich geworden.

Het meest indrukwekkende voorbeeld in het boek van wat de nadruk op goede routines kan betekenen, is het verhaal over het aluminiumconcern Alcoa. Dat bedrijf draaide niet goed, kreeg toen een nieuwe topman, en deze gaf bij zijn aantreden een nogal merkwaardige persconferentie.

In plaats van de normale verkopersbullshit die managers zo gauw praten, zei hij slechts dat het doel van Alcoa zou worden het veiligste bedrijf in de VS te worden — wat nogal iets was voor een onderneming waar met gesmolten aluminium werd gewerkt.

Alleen leidde die nadruk op dat ene ding, die veiligheid, dat de hele bedrijfscultuur veranderde. Omdat iedereen elkaar ineens overal op kon aanspreken, als de veiligheid in geding was. En doordat zo de strikte hiërarchie van voorheen doorbroken werd, ontstond er ook meer ruimte om andere ideeën met elkaar te delen. Waar het hele bedrijf uiteindelijk van profiteerde.

Dat is allemaal prachtig om te lezen. Net als het mijn vooroordelen bevestigt dat dezelfde succesvolle Alcoa-manager, de ziener Paul O’Neill, al snel ontslagen werd nadat hij benoemd was tot minister van financiën in de regering van George W. Bush.

En toch kijk ik een dag later naar het boek, en is de vraag gerezen of Charles Duhigg wel meer heeft gedaan dan een reeks verhalen vertellen die met wat goede wil éen gezamenlijk thema lijken te hebben.

Misschien helpt het om dit boek beter te plaatsen door eens na te gaan wat de routine van acht jaar boeklog me heeft opgeleverd.

[ wordt daarom vervolgd ]

Charles Duhigg, The Power of Habit
Why We Do What We
Do and How to Change

375 pagina’s
William Heinemann, 2012

Verovering van de vrijheid ~ Alicja Gescinska

Laatst kwam ik de uitspraak weer tegen — het aforisme uit de dagboeken van Kierkegaard dat ooit zo veel indruk maakte.

214
Wat een mens waard is kan men afmeten aan het verschil tussen wat hij inziet en wat hij wil: alles wat daar tussen ligt is excuus en uitvlucht.

Waarbij overigens gold dat ik niet de enige was aan wie deze wijsheid is opgevallen. De Canadese auteur Guy Vanderhaeghe gebruikte het aforisme zelfs op een tekenende manier in zijn debuutroman My Present Age — dat over een dikke schrijver gaat. En dit vond ik ooit een heel goed boek.

Tegenwoordig vind ik aforismen gauw te absoluut. Een genre voor jonge mensen daarmee, die nog in absolute waarheden geloven, en zo makkelijk in zwart-wit tegenstellingen denken.

Niet dat ik met de jaren milder ben geworden. Maar zo’n uitspraak als die van Kierkegaard lijkt me in zijn absoluutheid ook een recept voor depressie. Want stel dat je, zoals ik, politici en andere bewindslieden geïnterviewd hebt, hun vaardigheden en kennis daardoor redelijk hebt leren te beoordelen, en daarmee wel constateren moet dat Nederland geen democratie is. Door een regentenkliek geregeerd wordt. En dat controle op hun handelen door politici van andere partijen laat staan de parlementaire pers vrijwel geheel ontbreekt.

Dan zou op mij volgens Kierkegaard dus de plicht rusten om het Nederlandse volk te steeds opnieuw vertellen wat het verder nooit wordt verteld.

En dan denk ik toch: ik heb leukere dingen te doen.

Want, wie de status quo doorbreekt, wie vertelt dat het helemaal anders zit dan iedereen denkt, moet zich vervolgens áltijd enorm verdedigen — wat alleen al direct twijfel aan zijn of haar oordeel zaait. Zelfs al is er het grootste gelijk van de wereld. Want het gaat er niet om of iemand gelijk héeft.

Deze lange inleiding dient enkel om éen opmerking te plaatsen die anders in het luchtledige zou blijven hangen over De verovering van de vrijheid.

Dat is namelijk het boek van een jonge auteur. Die ondanks haar scholing in de filosofie nog idealen heeft, en daardoor weleens absolutismen poneert.

Niet dat dit per se afdoet aan de kwaliteit van het boek. Maar het is er wel een eigenschap van.

Alicja Gescinska is de jongste dochter uit een Pools gezin dat éen jaar voor de val van De Muur naar België vluchtte. Mede daardoor kan ze twee leeftoestanden vergelijken. Zo waren er in het communistische Polen van toen geen speelgoedwinkels, terwijl er in die in België sprookjesachtige hoeveelheden spullen te koop waren. Maar omdat er geen geld was om éen van die prachtige poppen daar te kopen voor haar moest zij dus wel ineens leven met de tergende wetenschap dat zulke poppen bestonden; binnen handbereik waren zelfs.

De verovering van de vrijheid draait uiteindelijk om het onderscheid tussen twee soorten van vrijheid — dat ooit geformuleerd is door Isaiah Berlin, en toch ook al bij Kant voorkomt.

Negatieve vrijheid bestaat uit de afwezigheid van externe inmenging en beperkingen. Hoe minder van die inmenging en beperkingen, hoe vrijer een mens is. Zulk een opvatting over vrijheid is de meest gangbare en alledaagse. Het gaat om het idee dat vrijheid gelijk staat aan met rust gelaten worden, dat niemand je zegt wat je zou moeten doen en niemand je ergens toe verplicht.

Positieve vrijheid daarentegen bestaat uit de aanwezigheid van een concreet vermogen om datgene na te streven wat goed is. Zij vloeit voort uit de wens van het individu om zijn eigen meester te zijn, en een meester is uiteraard iemand die iets meesterlijks kan. Een meesterlijk leven is een zinvol, goed en gelukkig leven. Daar is de positieve vrijheid om bekommerd: de zelfverwerkelijking van de mens. De mens probeert zijn eigen leven in handen te nemen en wordt steeds vrijer naarmate hij beter in staat is om zichzelf te ontplooien en daarin zijn geluk te vinden. [104]

Alicja Gescinska is het in haar betoog te doen om die positieve vrijheid — en al wat ons zoal tegenhoudt om die te veroveren. Zoals het excuus en de uitvluchten die Kierkegaard hierboven opperde.

En De verovering van de vrijheid is het best als het die persoonlijke barrières verkent — waarbij het boek dat unieke perspectief heeft van iemand die onder twee ideologieën heeft geleefd.

Want geen mens functioneert in een isolement. De samenleving moet ook een beetje meehelpen om zelfontplooiing mogelijk te maken. En opvallend genoeg vond ik Gescinska’s boek tekort schieten in het beschrijven van wat daarbij dan speelt.

Misschien was dat omdat ze het niet aandurfde om een ideale samenleving te schetsen waarin iedereen die positieve vrijheid nastreven kan. Misschien schrok ze er terug voor om een positie in te nemen als al die anderen die de maatschappij telkens vervolmaken.

Geen politici die bezuinigingen niet verkoopt met een argument waardoor het lijkt alsof alles nog veel mooier wordt daarna.

Geen econoom die stiekem niet ook meeweegt in zijn of haar modellen hoe het idealiter zou moeten wezen.

Maar waarschijnlijker lijkt me toch dat de auteur nog net te veel vastzat aan haar opleiding in de filosofie, en die boekenkennis nog niet in balans kon brengen met het chochme dat doorgaans pas met enige levenservaring komt. Schrijvers kunnen me dus inmiddels gewoon te jong zijn — ondanks de aanwezige kwaliteiten van hun werk.

Alicja Gescinska, De verovering van de vrijheid
Van luie mensen, de dingen die voorbijgaan
219 pagina’s
Lemniscaat, 2011

Intuition Pumps ~ Daniel C. Dennett

Filosofen denken anders over wat denken is dan ik. Dat maakt het lezen van filosofen altijd een wat merkwaardige ervaring. Zelfs als het om een leerboek gaat in de filosofie.

En Intuition Pumps van Daniel C. Dennett is zelfs op twee manieren een leerboek.

De Amerikaanse filosoof had deze teksten allereerst bedoeld als een introductie voor zijn eigen studenten in de methoden om kritisch te denken. Vervolgens kwam er dus ook een versie voor het brede publiek.

Daarnaast biedt het boek terloops een degelijke introductie tot Dennett’s eigen kritische werk.

Nu lees ik Dennett al zeker dertig jaar — al sinds The Minds I dat hij samen schreef met Douglas Hofstadter. En ondanks dat er daarbij altijd iets schuurt tussen ons, houdt Daniel C. Dennett zich wel telkens bezig met onderwerpen die mij aanspreken. Dus bleek ik een diepere kennis te hebben van dat oeuvre dan gedacht. Waardoor Intuition Pumps me op éen niveau al wat tegenviel. Het bood mij te weinig nieuwe ideeën.

Veel van wat er nuttig is aan Dennett’s gedachten was me blijkbaar toch eigen geworden.

Goed aan hem blijft dat hij eeuwig de pretenties van de filosofie aanvalt — Daniel C. Dennett lijkt ook éen van de weinige filosofen te zijn die zijn denkbeelden af en toe bijstelt door wat harde wetenschap aan kennis heeft opgeleverd.

Meest duidelijk is die aanval in Boekdeel IX, aan het eind van het boek, als hij ingaat op de vraag hoe het is om een wijsgeer te zijn. Want Daniel C. Dennett had iets opvallends ontdekt.

Daartoe had hij aan mensen gevraagd hoe ze wilden voortleven:

(A) Je lost een belangrijk (filosofisch) probleem van jouw keuze op zo’n manier op dat er daarna niets meer over te zeggen is. (Dankzij jou kan dit onderzoeksveld worden afgesloten, en je wordt een voetnoot in de geschiedenis);

(B) Je schrijft een controversieel boek van een zo grote ingewikkeldheid dat het nog voor eeuwen op de verplichte leeslijst blijft staan.

Daarop bleek dat echte wetenschappers zonder een tel aarzeling voor optie (A) kozen. Nogal wat filosofen daarentegen kozen (B).

En het was alsof me de schellen van de ogen vielen. Nu ja, toen uit de biografie van Walter Benjamin bleek dat hij nogal geraaskald had in zijn werk, en gebluft, verbaasde dat me weer niet. Het trof me nu vooral pijnlijk dat sommige filosofen dus gewoon toegaven dat zij doelbewust voor imponeergebazel zouden kiezen.

Intuition Pumps is ook allereerst een boek tegen het holle imponeergebazel in dat vakgebied.

En daarmee is het nut voor mij uiteindelijk nogal beperkt; zelfs als leerboek. Want, zoals Willem Frederik Hermans ooit schreef:

Filosofische problemen zijn nutteloos, verwarrend, neerdrukkend en bloeduitzuigend voor wie niet van plan is zelf een filosoof te zijn, door zijn voorgangers te verkrachten of te vermoorden.

Hiermee worden de denkmethoden om de redeneerfouten en de bluf bij andere filosofen te ontkrachten ook een gereedschap met een beperkte inzetbaarheid.

En dan ben ik nog niet eens een wetenschapper, die in bovenstaand dilemma meteen voor optie (A) gekozen had. Ik ben veel meer van het ingenieurstype. Voor mij is veel interessanter dat iets werkt, en als het niet werkt om het dan werkend te krijgen, dan om in detail te willen verklaren wáarom iets werkt.

Voor waarom-vragen schiet onze kennis zo makkelijk tekort. Dennett ziet daar een uitdaging in, ik juist een reden om nogal wat waarom-vragen naast me neer te leggen; om mijn energie op andere zaken te kunnen richten.

Een groot deel van Intuition Pumps gaat bijvoorbeeld over die twee eeuwige strijdpunten voor filosofen en inmiddels ook anderen. Wat is het bewustzijn? En: hebben mensen een vrije wil? Er nog van afgezien dat de auteur daar niets anders over schrijft dan hij eerder al deed, in boeken apart gewijd aan deze vragen, interesseren deze kwesties me hoegenaamd niet.

Mijn lopende onderzoek naar ‘De geschiedenis van het ik’ leerde me bijvoorbeeld dat door de eeuwen verandert wie dat ‘ik’ is. En daarmee dus wie ‘wij’ zijn en ‘zij’; plus hoe de verhoudingen tussen al deze groepen liggen.

En groepsdruk bepaalt nu eenmaal nogal wat gedrag.

Bovendien is ons gedrag ook vrij makkelijk te ontregelen met roesmiddelen, als pillen, of drank, door ziekten als koorts, of desnoods een hersentumor.

Zeg ik daarmee dat er geen vrije wil zou zijn? Nee, ik wijs er enkel op dat er altijd voorbeelden zijn te verzinnen waarin iemand niet uit eigen wil lijkt te hebben gehandeld. Maar ook dat er tegenvoorbeelden genoeg te bedenken zijn – het ultieme voorbeeld is altijd weer zelfmoord – waaruit blijkt dat er wel degelijk zelfbeschikking lijkt te bestaan.

Vandaar dat de hele kwestie mij lauw laat. Er is niets te falsificeren aan de vraag of er een vrije wil bestaat, of niet. En daarmee wordt het hele probleem onoplosbaar.

Dennett wijst er overigens terecht op dat het strafrecht van een vrije wil uitgaat — en zulk een pragmatisme lijkt ook mij in deze zaken het meest nuttig. Er bestaat een vrije wil, tenzij die er niet is door omstandigheden. Punt. En de wetenschap moet dan de kennis maar aandragen over wanneer iemand ontoerekeningsvatbaar was, of handelde onder dwang.

Tot de filosofie horen al deze overwegingen alleen amper.

En zelfs al lijkt Daniel C. Dennett nog zo streng voor zijn vakgenoten, hij zou nog meer afstand moeten nemen tot de Wijsbegeerte om mij helemaal tevreden te kunnen stellen.

Zoals uit het leesprojectje blijkt dat ik aan Intuition Pumps wijdde, bleek de korte opsomming van denkmethoden aan het begin van het boek het nuttigst. Helaas daarom dat Dennett nauwelijks op deze technieken inging; omdat hij ze bekend veronderstelde.

  1. Maak fouten. Wie bang is om fouten te maken, komt nergens in het leven;
  2. Trek vergelijkingen door tot in hun uiterste consequenties. De kracht of zwakte van een idee blijkt doorgaans pas in de extremen;
  3. Ga in kritieken uit van de beste bedoelingen van de ander. Cabaret bedrijven door een valse voorstelling van zaken te geven, zegt nog het meest over jou;
  4. Sturgeon’s Law. 90% van alles is korstig opgedroogd sperma. Richt je op de 10% die wel de moeite van het onderzoeken waard is;
  5. Occam’s scheermes. Zoek het niet in extravagante verklaringen, als er simpeler mogelijkheden voorhanden zijn;
  6. Occam’s bezem. Veeg de feiten die in je betoog niet van pas komen niet onder het tapijt;
  7. Zoek gericht kritiek op van niveau. Je moeder en je vrienden zullen het namelijk zonder meer met je voorstelling van zaken eens zijn. Een lekenpubliek is al gauw onder de indruk;
  8. Spring eens uit het systeem. Hoe onmogelijk dat ook is. Maar herken hierdoor wat het systeem inhoudt;
  9. Bezondig je niet aan Stephen Jay Gould’s favoriete stijlfiguren. Gould had volgens Dennett de neiging om in tegenstellingen te schrijven die op de keper beschouwd geen complete tegenstellingen waren;
  10. Vanzelfsprekend is het gebruik van woorden als ‘vanzelfsprekend’ verboden. Bij anderen zijn ze gauw eens een waarschuwing dat er iets komt dat die ander waarschijnlijk niet bewijzen kon;
  11. Denk er eens over na, hebben retorische vragen nut?
  12. Leer schijnbaar diepe uitspraken herkennen, die zo vaag zijn dat ze helemaal niets zeggen.

Het gegeven dat je uit het systeem moet durven stappen om te kunnen zien wat het systeem inhoudt, is misschien ook wel de grootste waarheid in het boek. Want heel weinigen voelen zich geroepen.

En dan nog: daarop treedt zo makkelijk concisie op. Wie zegt dat iets niet deugt, omdat iedereen er altijd verkeerd naar kijkt, moet zich vervolgens altijd verdedigen. Hoe groot zijn of haar gelijk ook is.

Daniel C. Dennett, Intuition Pumps
And Other Tools for Thinking

496 pagina’s
Allen Lane, 2013

Free Will ~ Sam Harris

Dat ik deze woorden hier plaatste, was een bewuste daad. Voortkomend uit mijn vrije wil — zo u wilt. Wat daarmee bewijzen zou dat er zoiets als ‘vrije wil’ bestaat.

Alleen had ik toch betrekkelijk weinig controle over welke woorden hier precies kwamen te staan. Of over de tijd die het duurde om dit boeklogje te schrijven; al is dat hoogstens tot op zekere hoogte waar; want binnen twintig minuten moest dit toch wel klaar zijn. En het gebrek aan controle dat er was na mijn beslissing om dit tekstje te schrijven, zou juist bewijzen dat ‘vrije wil’ een illusie is.

Als ik Sam Harris tenminste geloven mag.

Zijn Free Will is een relatief kort pamflet waarin de auteur twee dingen doet. Hij vat millennia aan discussie samen over het onderwerp ‘vrije wil’ door de argumenten onder te verdelen in verschillende denkrichtingen; die vanzelfsprekend elk een eigen blindheid hebben. En Harris betoogt vervolgens dat vrije wil niet kan bestaan.

It is not that free will is simply an illusion–our experience is not merely delivering a distorted view of reality. Rather, we are mistaken about our experience. Not only are we not as free as we think we are–we do not feel as free as we think we do. Our sense of our own freedom results from our not paying close attention to what it is like to be us. The moment we pay attention, it is possible to see that free will is nowhere to be found, and our experience is perfectly compatible with this truth. Thoughts and intentions simply arise in the mind. What else could they do? The truth about us is stranger than many suppose: The illusion of free will itself is an illusion. [64]

Nu denk ik misschien iets te makkelijk over dit onderwerp, om ook Harris’ pamflet heel grondig te willen analyseren. Ik meen nog altijd dat ‘vrije wil’ niet zozeer een illusie is, als wel een vruchteloos begrip bedacht in duisterder tijden, dat toen misschien nut had om houvast te hebben. Wat het begrip eigenlijk tot zoiets onhandigs als ‘flogiston’ maakt, of welk willekeurig inmiddels achterhaald wetenschappelijk inzicht ook.

Want ideeën kunnen ook zo makkelijk het denken verduisteren.

Vasthouden aan de idee ‘vrije wil’ in tijden van hersenscans — die aantonen dat we al besluiten voordat we ons bewust zijn te hebben besloten — lijkt me daarmee niet heel handig.

Alleen mag ik van Sam Harris niet zo denken. Ik zou daarmee namelijk net doen wat hij aan zijn vriend Daniel Dennett verwijt — over ‘vrije wil’ redeneren door de hele idee buiten de discussie te stellen.

En wellicht heeft Harris daarin gelijk.

Niet omdat ik zijn betoog nu per se geloof. Nee, eerder om een gegeven dat hij nog buiten het boek heeft gehouden ook. Want voor mij is nadenken over ‘vrije wil’ iets academisch; dat verder geen gevolgen heeft. Maar niet te ontkennen is dat de discussie over dit begrip onderhuids wel woekert in juridische zaken, en zeker ook in de politiek.

We bewegen zo langzamerhand toch naar een samenleving toe die hardvochtig stelt: als je arm bent, is dat geheel jouw eigen keuze. Politici pretenderen dus dat vrije wil bestaat.

En alle religies bewijzen: iets hoeft helemaal niet te bestaan om toch geloofd te worden.

[ is vervolgd ]

Sam Harris, Free Will
85 pagina’s
Free Press, 2012

Erasmus en het gelijk van de spindoctor ~ Daniel C. Dennett

Toen ik Free Will las van Robert Harris, was me al bekend dat Daniel C. Dennett daar vrij recent een uiterst negatieve kritiek over had geschreven. Toch was me allereerst de toon bijgebleven van die terechtwijzing, en de inhoud niet zo zeer.

Ik heb Dennett elders ook al eens iemand van het honende gelijk genoemd. De man lijkt filosofie vaak als een soort vechtsport te zien; die weliswaar aan regels moet voldoen, maar waarin intimidatietactieken blijven toegestaan.

Tegelijk claimt hij zelf in een polemiek altijd uit te willen gaan van de beste bedoelingen bij zijn opponent.

Alleen had Harris in Free Will nogal wat kennis voor het gemak genegeerd, en daardoor te veel argumenten herhaald uit de oude doos van de filosofie; die toch al even ontkracht waren. Komt daar bij dat Dennett meent dat ‘vrije wil’ bestaat, en Harris deze een illusie acht. Dus knetterde het in de recensie.

Want er bestaat nu eenmaal geen wetenschappelijk onderzoek dat ondergraaft dat mensen een morele verantwoordelijkheid hebben — het belangrijkste gevolg van dat bezit van een vrije wil, volgens Dennett.

Naast de kritiek op Harris kwam bovendien nog dit essay te staan. Dat verscheen in 2012, toen Daniel C. Dennett in Nederland de Erasmusprijs ontving. En waarvoor hij zich in twee voorgangers had verdiept, die tussen 1520 en 1524 ook al gepolemiseerd hadden of de ‘vrije wil’ nu bestaan kon of niet.

Maarten Luther wist indertijd zeker van niet. En de vraag zelfs maar opperen stond voor hem al zo ongeveer gelijk aan twijfelen aan God’s grootheid; en is daarmee aan ongepast gedrag.

Erasmus daarentegen vond de idee dat alles al helemaal voorbestemd zou zijn, en de mens helemaal nergens invloed op zou hebben, dan weer te negatief.

En Dennett meldde vijf eeuwen later nog verrassend veel aan deze discussie te hebben gehad. Ook al was er nauwelijks sprake van wetenschappelijk denken in de vroege zestiende eeuw, en konden Luther noch Erasmus uitgaan van een andere autoriteit dan God’s woord in de Bijbel.

Daarbij had Erasmus het dus moeilijker dan Luther. En Dennett had genoten van de retorische vragen die de Rotterdammer had opgeworpen om zijn gelijk te halen. Waarom had God bijvoorbeeld al die geboden dan aan Mozes geopenbaard, als hij toch alles al bepaald had?

Waarop later volgens Max Weber zelfs de Lutheranen Luther’s ongelijk aantoonden, en nijver aan het werk gingen; overtuigd dat hen daardoor een beloning zou wachten; anders dan die rare Katholieken lukken zou.

Want zelfs al wordt het bestaan van de vrije wil ontkent volgens de dan heersende mode, vreemd genoeg blijken er altijd manieren te bestaan om je te ontrekken aan dat gegeven.

Daniel C. Dennett, Erasmus en het gelijk van de spindoctor
Praemium Erasmianum Essay
45 pagina’s
ISVW Uitgevers, 2012