Woede van de wind ~ Hellema

De mensen voor wie hij schrijft, lezen niet meer. En voor wie nog wel leest, schrijft hij niet. Dat merkt de schrijver Hellema ergens achteloos op in deze recente bundel met opmerkingen en aantekeningen. De man overleed vorig jaar, inmiddels 84.

Maar ieder boek is ook een schepping van de lezer. Ik las Hellema niet om wat hij zo belangrijk vond. Die Tweede Wereldoorlog. Dat onnoembaar grote evenement in zijn leven, waarvan zij die het niet meemaakten nooit iets zouden begrijpen. Mij gaat het om die andere kant van de verzetsheld Alexander Bernard van Praag; de dwarsheid die hij ook later in zijn leven zou tonen.

Bovendien zijn er bijna geen Nederlandse schrijvers die zo geloofwaardig over hun werk in het bedrijfsleven hebben geschreven als hij.

Dus waren zijn opmerkingen absoluut niet vervelend te lezen, ondanks dat de schrijver mij daarvoor hoogstpersoonlijk diskwalificeerde. Maar een kritische geest die telkens weer kan aantonen waar het fout gaat, boeit me.

Nooit eerder ook een boek gelezen waarin mijmeringen over de gevolgen van die oorlog toen binnen een pagina werden afgewisseld met opmerkingen over internet. Dit is een rijk boek.

Hellema, De woede van de wind
123 pagina’s
Uitgeverij Querido, 2003

Om erger te voorkomen ~ Nanda van der Zee

Toen ik eerder dit jaar op mijn andere weblog over dat boek van Ies Vuijsje schreef, verwees ik terloops al naar dit werk. Maar dat was niet helemaal eerlijk. Ik kende het alleen van reputatie; had het zelf nooit gelezen.

Was er eindelijk een keer discussie onder historici, wilde ik me nog niet in het debat verdiepen.

Dit komt vooral om de slachtoffercultuur die in Nederland bij de Tweede Wereldoorlog hoort, en mij zo tegenstaat. Die Duitsers waren zo bruut, en wij waren zo machteloos zielig; dat idee. Mijn walging over dat clichématige denken werd deze zomer nog weer bevestigd toen er Nederlanders naar de WK voetbal in Duitsland togen in T-shirts met teksten waarin zij fietsen terugeisten.

Ik ben ook meer geïnteresseerd in wat er alledaags is in het Nederlandse, niet zo zeer wat er gebeurde toen even een paar jaar van alles anders was.

Maar Nanda van der Zee stelt in haar boek de vraag hoe had kan dat in een land zonder virulent antisemitisme, met een bevolking die grotendeels tegen het nationaal-socialisme was, toch driekwart van de Joodse bevolking kon worden uitgemoord. En daarmee had ze me toch te pakken.

Vervolgens laat ze zien dat bestaande verklaringen niet voldoen, eerder een verklaring belemmeren, en dat ze daarom wel eigen onderzoek moest doen. Daarmee werd me ook duidelijk waarom ze zoveel weerstand had opgeroepen.

Over de oorzaken voor de massale dood die zij tenslotte geeft, heb ik verder niet zo’n mening. Het is al moeilijk genoeg om te beschreven wat er precies gebeurde. Met speculaties wat er gebeurd had kunnen zijn als er andere beslissingen waren genomen, en als Koningin Wilhelmina wel in Nederland gebleven was, wordt de loop van de geschiedenis niet veranderd.

Dus vind ik dit boek belangrijker om hoe het de blinde vlekken toont in eerdere onderzoeken, dan om de verklaringen die het biedt. Maar dat is al heel wat.

Nanda van der Zee, Om erger te voorkomen
De voorgeschiedenis en uitvoering van
de vernietiging van het Nederlandse jodendom
tijdens de Twede Wereldoorlog
288 pagina’s
Uitgeverij Meulenhoff © 2003, oorspronkelijk 1997

Ik, de ander ~ Imre Kertész

Kertész riep iets bij me op dat Capek eerder ook al deed. En Thomas Bernhard. Of al de Middeleuropese schrijvers die ik las ruim voor boeklog bestond. Het gaat dan over een gevoel dat lijkt te ontbreken in al die Amerikaanse boeken die ik lees, of misschien wel bij alle Angelsaksische auteurs.

Ik sta nu wel voor het probleem dat dit onderscheid alleen zichtbaar is door het enorm te overdrijven. Maar er bestaat voor mij onderhuids een verschil tussen boeken uit wat ik dan maar het oude Europa noem en die uit de relatief jonge VS.

Noem het pessimisme versus optimisme.

Noem het wantrouwen dat het opeens toch mis zal gaan tegenover het vertrouwen dat het wel goed komt, omdat die American Dream toch alles doordrenkt.

Lang heb ik gewacht om iets van Kertész te lezen. Wat vertegenwoordigt hij, als Joodse Hongaar, dat oude Europa niet. Zijn belangrijkste thema is Auschwitz; voor mij geen onderwerp waar ik voor mijn lol nog eens een boek over lezen wil. Al komt dat waarschijnlijk door de platte emoporno van zoveel Nederlandse artisten, die de Tweede Wereldoorlog nog altijd zien als tiet, die slechts dient om uit te melken.

Ik geef toe eerst gebladerd te hebben om te kijken of de oorlog niet al te veel ruimte innam in dit boek. Maar nee, dit is grotendeels een autobiografisch verslag in fragmenten van de boekenreizen die Kertész maakte in het midden van de jaren negentig. Reizen door Duitsland vooral. Verder bestaat het observaties en mijmeringen.

Al vaker heb ik hier betoogd dat juist dit soort boeken het talent van een schrijver onbarmhartig tonen. Er is geen verhaalvorm. De taal moet het helemaal zelf doen.

En Kertész kan soms diep kervende zinnetjes schrijven. Wat betekent dat ik toch maar eens overwegen moet meer van hem te lezen.

Dit boek gaat onderhuids trouwens ook over de veranderingen in Hongarije na 1989, omdat voor Kertész iets te vaak bevestigd wordt dat zijn wantrouwen gerechtvaardigd blijft.

Enfin.

Vreemd eigenlijk, bedenk ik me nu, dat er geen Nederlandse schrijvers zijn die het beste van beide soorten literatuur in zich hebben. Terwijl er hier toch contact is tussen die twee culturen, waar dat elders ontbreekt. Wat zou ik niet geven voor een roman geschreven met alle kennis van die vitale Amerikaanse verteltraditie, maar dan op spanning gebracht door flink wat Middeleuropese wereldwijsheid. Škvorecký kwam wel een eind, in die zin, ja.

Imre Kertész, Ik, de ander
126 pagina’s
Uitgeverij Van Gennep bv, 2001
Vertaling door Henry Kammer van: Valaki más, 1997


Requiem for a Wren ~ Nevil Shute

Dit zal stiekem mijn lievelingsroman van Shute zijn, ondanks dat het plot al in de titel wordt weggegeven. Zonder twijfel is het de grootste tranentrekker die ik van tijd tot tijd lees. Maar gek genoeg, ook als is van tevoren bekend dat er een vrouw doodgaat — en al kan het alleen maar de bedoeling van de schrijver zijn dat we veel van haar gaan houden — toch werkt dit boek. Iedere keer opnieuw. Ondanks dat ik zeker weet tot medeleven gemanipuleerd te gaan worden.

Misschien speelt mee dat ik dit boek op een nog gevoelige leeftijd leerde kennen. Elders heb ik immers weleens betoogd nu niet gauw meer boeken te lezen waarvan de trieste afloop me in het voor al bekend is.

Het is ook werkelijk allemaal desondanks. Een boek als dit heeft werkelijk heel veel tegen voor mij. Zo is de Tweede Wereldoorlog een zeer wezenlijk deel van het decor in dit boek, terwijl ik een hekel heb aan oorlogsverhalen.

Al is wel weer mooi dat het wijste personage beseft hoe vormend die oorlog was voor haar. Dat het een avontuur kon zijn, juist omdat ze, jong en ongebonden, verder nauwelijks persoonlijke zorgen had. Behalve dan dat ze af en toe zeer sterke emoties doormaakte met haar collega’s bij het vrouwencorps van de Britse marine.

Nee, elke keer als ik dit boek na het lezen wegleg, is er opnieuw die verbazing.

Toch er weer voor gevallen.

Nevil Shute, Requiem for a Wren
253 pagina’s
Pan Books zj, oorspronkelijk 1955

Ladder ~ Koos Tiemersma

Onlangs heeft de Friese Pers Boekerij drie succesvolle Friese romans in het Nederlands uitgebracht. Zwarte engelen van Willem Schoorstra, Prospero van Nyk de Vries, en De ladder van Koos Tiemersma. Dat bood mij de gelegenheid om eens iets te testen. Ik had namelijk niet zo’n goed idee met welke snelheid en intensiteit ik het Fries lees, ten opzichte van het Nederlands. Terwijl ik vermoedde dat er een duidelijk verschil zou zijn.


 

Koos Tiemersma heeft zelf zijn roman De ljedder uit 2002 naar het Nederlands vertaald. Dit was de voornaamste reden om hem te kiezen uit de drie. In de andere twee romans staat niet wie de vertaling heeft gedaan.

Goed, op boeklog heb ik eerder wel Tiemersma’s boekenweekgeschenk Mind games beknord. Geheel onbevangen stond ik niet meer tegenover deze schrijver. Mijn verwachtingen waren bovendien al niet groot door de op het oog wat clichématige onderwerpkeuze van De ljedder | De ladder. Zijn debuut.

Het is mij bijvoorbeeld een raadsel waarom een schrijver die geboren werd in 1952 een boek in de Tweede Wereldoorlog laat afspelen. Wat heeft zo’n jongen nog toe te voegen aan de bibliotheken die al over deze periode zijn volgschreven door mensen die er wel bij waren? Ik vind zo’n keuze naar onmacht neigen, of in elk geval weinig zelfvertrouwen tonen. In onze cultuur heeft die Tweede Wereldoorlog een onaantastbaar hoge status. Iedereen weet wat er toen gebeurde. Elke schrijver die zijn boek nu nog in die periode laat spelen, maakt daarmee gebruik van breed bestaande vooroordelen. Zijn boek is al spannend, zonder dat hij daar zelf ook maar iets aan hoefde te doen. Wie daar geen rekening mee houdt als auteur, wordt al te makkelijk tot een zielige partizaan in het naoorlogs verzet.

Iets vergelijkbaars geldt voor de keuze om over een jongetje te schrijven. Ik heb me hier al vaker verbaasd dat het in Nederlandse boeken altijd over iemands jeugd schijnt te moeten gaan. Wat me hierin heel principieel ergert, is dat schrijvers daarmee over het hoofd van hun personages een verbond met de lezers aangaan. Want wij volwassenen weten wel beter dan zo’n kind, hè. Maar is het niet schattig wat zo’n jong denkt? Hebben we niet allemaal die kinderangsten gehad? Ach gossie.

Inspelen op wat lezers al weten en herkennen, dat moeten schrijvers zeker; anders verkopen ze geen boek. Maar ze moeten daarbij wel oppassen. Er is een grens. Schrijvers moeten zelf ook nog wel wat toevoegen. En de beste literatuur bevestigt niet, die breekt juist vooroordelen af.

Met dit uitgangspunt begon ik aan het lezen van De ljedder en De ladder. Mijn idee was om de oneven hoofdstukken in het Fries te lezen, en de even in het Nederlands.

En meteen viel daarbij op dat Tiemersma’s eigen vertaling degelijk is. Het ritme van de zinnen en hun toon bleven aardig bewaard.Toch kon ik naderhand precies zeggen wat ik in welke taal gelezen had. Ik bleek namelijk aanmerkelijk langzamer te lezen in het Fries; dat scheelde zeker een factor twee. En dit was niet altijd een voordeel. Daardoor viel me iets op.

Koos Tiemersma moet het van zijn precieze taalgebruik hebben in dit boek, en de sfeer die hij daar mee oproept. Het verhaal over de jonge Jacob Nauta en de geheimzinnige Joodse onderduiker stelt namelijk niet zo veel voor. De vragen die het opriep, zijn te verwaarlozen. De verhaallijnen die Tiemersma uitzette, waren voorspelbaar. Spanning kwam er niet. Er was voor mij niets daarin dat de lengte van ruim driehonderd pagina’s rechtvaardigde.

Op zo’n boerderij buitenuit is normaal weinig te merken van een oorlog of een bezetting. Dat blijkt ook uit dit boek, waarvan de oorlogselementen er mij iets te nadrukkelijk lijken te zijn ingebracht; in elk geval nauwelijks een organisch deel van de tekst uitmaken. Ook Jacob’s kinderangsten en onbegrip zijn vrijwel tijdloos. Zijn jeugd had zich op elk moment in de eerste helft van de twintigste eeuw kunnen afspelen; en had dit maar beter kunnen doen.

Ik geef daarom toe de laatste drie stukken van dit boek in het Nederlands te hebben gelezen. Het leek me toen wel duidelijk dat de schrijver me niets in het bijzonder te melden had. Het boek uitlezen, was enkel controleren of mijn vooroordelen klopten, en in het Nederlands ging dat nu eenmaal een stuk sneller.

Voor mij persoonlijk had het nut om De ljedder in vertaling te lezen. Daardoor is me meer duidelijk geworden over ik het Fries intern verwerk.

Voor de schrijver lijkt het me dat hij de belangrijkste kwaliteit van zijn boek verloor, door het naar het Nederlands over te zetten.

Koos Tiemersma, De ladder
roman
320 pagina’s
Friese Pers Boekerij, 2007
vertaling door de auteur van: De ljedder
isbn 978 90 330 0638 8
Koos Tiemersma, De ljedder
roman

360 pagina’s
Friese Pers Boekerij 2005, eerste druk 2002
isbn 90 330 0546 8

Drie oorlogen ~ Maarten van Rossem

Ik had dit boek nooit gelezen, als Maarten van Rossem er niet zijdelings een paar intrigerende opmerkingen over gemaakt had, tijdens het marathoninterview op nieuwjaarsdag. Want, een boek als dit is alleen interessant om de auteur, de inhoud is me al bekend. Geschiedenis was mijn studie. Wat er tijdens de twintigste eeuw gebeurde, werd daarmee tentamenstof.

Maar het blijft merkwaardig om een boek te lezen waarin feitelijk niets nieuws staat. Waarin ik kan zien hoe Van Rossem gestructureerd heeft, waarop hij zijn accenten plaatste, en zelfs weet wat hij heeft weggelaten.

Zo verscheen er vorig jaar bijvoorbeeld een historisch artikel van Ward Wilson, waarin deze de chronologie onderzocht van de Japanse reacties op de eerste atoombom. Daarin stelt Wilson dat Hiroshima niet de doorslag had gegeven bij de capitulatie, maar juist de Russische inval in Mantsjoerije die daarop volgde Japan tot overgave dwong.

Door de Koude Oorlog heeft het bezit van atoomwapens een enorme politieke betekenis gekregen. Dat maakt het niet eenvoudig om de vraag te beantwoorden of de bom op Hiroshima werkelijk een strategisch effect had, of dat de uitwerking eerder stevige PR voor de Amerikanen betekende.

Van Rossem doet met deze kwestie niet anders dan te melden hoe de gebeurtenissen in augustus 1945 chronologisch verliepen. En dat kan goed hoor, eigen interpretaties van deze kale feiten, en het verband daartussen, zijn lang niet altijd noodzakelijk. Maar mij valt zoiets dus op.

Ik moet na lezing toch vooral concluderen dat politieke geschiedenis — en dat is het enige wat Van Rossem brengt in dit boek — me grotendeels koud laat. Oorlogen en strijd zijn de uitzonderingen in een mensenleven; anders zou ook het niet best wezen. Mij interesseert veel meer wat de constanten zijn in een leven bestaan, en wat daarin verandert.

Wat is normaal, en waarom dan wel?

Dus geef ik Maarten van Rossem groot gelijk om de eerste woorden van zijn epiloogje. Daarin meldt hij:

De Eerste en Tweede Wereldoorlog en de Koude Oorlog hebben de evenementiële geschiedenis van de vorige eeuw sterk gedomineerd. Waarschijnlijk zal de herinnering aan die conflicten langzaam gaan vervagen naarmate zij verder raken in de tijd. In een geschiedenis van de twintigste eeuw zullen zij over honderd jaar zeker aandacht krijgen, maar het zou mij niet verbazen als tegen die tijd de enorme expansie van de wereldbevolking en de ontwikkeling van de economie en de technologie in de twintigste eeuw veel prominenter zullen worden behandeld.

Maar goed, van een boek dat al in de titel meldt over oorlogen te gaan, is het al heel wat dat er op het laatst nog vier pagina’s ingeruimd zijn om de tekst daarvoor te relativeren.

meer Van Rossem op boeklog

Maarten van Rossem, Drie oorlogen
Een kleine geschiedenis van de 20e eeuw

319 pagina’s
Nieuw Amsterdam, 2007

Oostindisch kampsyndroom ~ Rudy Kousbroek

Dit was de enige bundel van Rudy Kousbroek die ik niet eerder gelezen had. Mijn vooroordelen waren te groot. Niet dat ik Kousbroek wantrouwde. Maar Het Oostindisch kampsyndroom leek me een boek vol polemiek. En het is heel moeilijk om geïnteresseerd te blijven in een pennenstrijd over een onderwerp dat me niet raakt.

Het glorierijke koloniale verleden van het vaderland zegt me niets.

Hoogstens is het psychologisch interessant wat er met al de Indische Nederlanders gebeurde toen ze in het moederland kwamen na de oorlog. Waar ze in een samenleving belandden die zich niet interesseerde voor hun problemen.

Daarmee werd het verblijf in een Jappenkamp voor sommigen ineens een emotioneel kapitaal, waarmee anderen te overbieden waren. Het slachtofferschap ontheft iemand bovendien van allerlei verantwoordelijkheden. Helemaal als het slachtoffer meent op van alles recht te hebben. En opvallend is dan dat iemand als Kousbroek, die telkens zo actief tegengas bood tegen deze trend, daarmee de vervelende querulant werd genoemd.

Maar dit wist ik al, daar hoefde ik niet per se meer van te weten. En daarmee werd het lezen van de tweede helft van dit boek inderdaad iets van een corvee.

Waar ik meer van hoopte te zien, was iets van Kousbroek’s heimwee naar Nederlands Indië; nog weer een beschrijving over zijn verdrijving uit het paradijs. En dat element zat er wel in, maar is in andere boeken prettiger aanwezig. In het brievenboek Verloren goeling bijvoorbeeld. Of in Terug naar Negri Pan Erkoms.

Ik houd nu alleen aan dit boek over hoe zeer Kousbroek bewondering toont voor Studs Terkel’s interviewbundel The Good War. Waarover toch ook op te merken is, dat dit boek vol met gesprekken staat met overwinnaars. Nauwelijks met slachtoffers. Wat prompt alle verongelijktheid scheelt.

Rudy Kousbroek, Het Oostindisch kampsyndroom
Anathema’s 6

494 pagina’s
Meulenhoff, 1992

‘The Good War’ ~ Studs Terkel

‘De goede oorlog’ was al jaren geleden mijn kennismaking met Studs Terkel, en zijn sprankelende manier om geschiedenis te schrijven. Hij tekende verhalen op van schijnbaar gewone mensen; en liet daarmee zien dat er historie zit in eenieders leven. Merkwaardig genoeg duurde het daarna lang voor ik na deze eerste positieve ervaring me opnieuw in Terkel verdiepte.


Dit kwam mede omdat zijn meeste boeken een tijd maar moeizaam verkrijgbaar waren, en de dollar toen alles juist extra duur maakte.

Volgens mij is trouwens alleen Terkel’s ‘Goede oorlog’ in het Nederlands vertaald. Misschien omdat diens andere bundels te specifiek Amerikaans zijn — en een oorlogsboek meer in het algemeen aanspreekt. Misschien omdat er nogal wat in de boeken voorbijkomt. Ze zijn dik. Zo realiseerde ik me pas met de Amerikaanse uitgave erbij dat in de Nederlandse vertaling liefst een derde van alle gesprekken is weggelaten. Daar zal vast een reden voor zijn, maar ik vond dit een pijnlijke ontdekking.

Neemt niet weg dat zelfs zonder inkortingen ‘The Good War’ niet het hele beeld biedt van die Tweede Wereldoorlog. Terkel interviewde alleen mensen die aan ‘de goede kant’ stonden. Al levert dit dan weer genoeg indrukwekkende doorkijkjes op in de levens van zijn gesprekspartners. De VS veranderde als samenleving nog amper, door de oorlog. Al was het maar omdat het land niet rechtstreeks aangevallen werd. Tegelijk kregen vele achtergestelde groepen een idee van hoe het was om niet meer gediscrimineerd te worden. Voor vrouwen werd het ineens makkelijker een eigen inkomen te verdienen, omdat zo veel mannen in het leger zaten. En de zwarte bevolking kon in dat leger juist weer de geïnstutionaliseerde apartheid uit het normale leven ontlopen.

Soms.

De frase ‘Good War’ heeft een groot aantal betekenissen. De VS kwam natuurlijk als geheel goed uit die oorlog. Ineens was het land niet alleen een economische grootmacht, maar ook militair, en financieel, de machtigste natie op aarde. Tegelijk bood de periode 1941 – 1945 voor vele Amerikanen ongekende mogelijkheden, en kansen. Zo afwisselend als toen zou het nooit meer worden, en dat kan in een later leven als een gemis aanvoelen. Daarnaast was er ook nog die ‘Verkeerde oorlog’, waarbij het van de gesprekspartner afhing of die daarbij Vietnam bedoelde, of de Koude Oorlog met de Sovjet-Unie. Al dit nog afgezien van de vraag of een oorlog ooit goed kan zijn.

Vanzelfsprekend komen er genoeg vervelende gebeurtenissen langs in het boek. Gevechtshandelingen volop. Maar de verzameling is vooral zo knap als verzameling. Bij Terkel las ik bijvoorbeeld voor het eerst hoe moeizaam het was om fabrikanten aan te zetten om hun productie voortaan te richten op oorlogsinspanningen. Bij hem las ik het eerst over Galbraith’s conclusies dat de geallieerde bombardementen op de Duitse oorlogsindustrie geen meetbaar effect hadden op de productiviteit daarvan. En zo’n opmerking beslaat dan maar een halve pagina, van de ruim zeshonderd.

Studs Terkel, ‘The Good War’
An Oral History of World War II

608 pagina’s
New Press 1997, oorspronkelijk 1984
 
Studs Terkel, ‘De goede oorlog’
Een verzameling herinneringen aan
De Tweede Wereldoorlog

382 pagina’s
Uitgeverij L.J. Veen, 1985
vertaling door Th.H.J. Tromp van ‘The Good War’, 1984

Zeeland ~ Hans Koning

Hans Koning wist geen Nederlandse uitgever meer te vinden voor Zeeland, en dat is jammer. Niet dat ik deze roman nu de beste vond ooit van Koning gelezen. Maar het publiek hier is zo wel een pakkend boek onthouden, met bijvoorbeeld op het laatst opvallende details over de strijd om Walcheren, in 1944.

Ik wilde het lezen omdat Hans Koning er nogal wat eigen ervaringen in zou hebben verwerkt uit de Tweede Wereldoorlog. Hoe hij via Spanje in Engeland terechtkwam bijvoorbeeld. En waar hij vervolgens streed, als éen van de jongste sergeants bij de Britse commando’s.

Maar, de vraag wat of echt beleefd was, en wat niet, kwam bij het lezen niet bij me op. Daarvoor zit de roman veel te goed in elkaar.

Ouderwets goed, zou ik haast schrijven. En blijkbaar kan zoiets niet meer worden uitgegeven hier.

Zeeland vertelt twee parallelle verhalen; dat van de Fransman Michel Beauchamp, en zijn Amerikaanse kleinzoon Michael Beauchamp. Beide zijn ontheemd. Michel omdat hij pamfletten en boeken drukte tijdens de Parijse Commune, in 1871, en daarom tot misdadiger is verklaard. Michael omdat hij in 1941 een krijgsgevangenkamp in Duitsland is ontvlucht. Alle twee trekken ze naar Spanje, waar de aanwezigheid van de grootvader toen nog grote betekenis voor de kleinzoon krijgt zeventig jaar later.

Beschrijf een vluchtpoging, en het boek krijgt vanzelf een stuwend plot. Koning slaagde er daarnaast nog in een liefdesgeschiedenis in het verhaal te weven. Michael ontmoet onderweg in Frankrijk de Joodse Marie de Jongh, zonder wie hij zijn reis waarschijnlijk nooit gered zou hebben.

Natuurlijk krijgen ze elkaar pas op het allerlaatst, zoals in elke behoorlijke liefdesgeschiedenis.

Ik vind het nog wel een interessante vraag of Koning dat liefdesverhaal er als vakman heeft ingebracht om te voorkomen dat het boek doodbloedde na het verhaal van de vlucht naar Spanje, en alle problemen daar. In elk geval was dit een heel prettig doorleesboek — éen van het soort boeken waarvan me, over een heel jaar genomen, veel te weinig onder ogen komen.

Hans Koning, Zeeland
or Elective Concurrences

255 pagina’s
NewSouth Books, 2001

Austerlitz ~ W.G. Sebald

De roman Austerlitz riep een vraag op over de relatie tussen fictie en werkelijkheid. Een lastige vraag. Omdat het standpunt dat ik daarbij inneem een duidelijk minderheidsstandpunt is. Iedereen vindt dit een geweldig boek. Ik vind dat de werkelijkheid erin getrivialiseerd wordt..

Al in 2007 stelde ik in een Fries literair blad aan de orde hoe vreemd het is als iemand uit 1952 per se toch een boek in de Tweede Wereldoorlog wil laten plaatsvinden. Die periode biedt geen neutraal decor. Sterker nog, iemand van na die oorlog moet wel een heel unieke visie op die tijd hebben, wil die nog eens iets extra’s brengen ten opzichte van de mensen die alles wel bewust meemaakten; en daarover schreven.

Alleen het stellen van deze vraag ging de betreffende auteur al te ver. En in zijn hoedanigheid als voorzitter van de Friese schrijversbond heeft hij later nog veel moeite gedaan om mij tot persona non grata te verklaren bij het provinciebestuur.

Misschien dat ik sindsdien helemaal allergisch ben voor fictie-auteurs met holle pretenties.

Maar waarin verschilt deze Koos Tiemersma, of W.G. Sebald, dan van zeg iemand als Nevil Shute, voor wie de Tweede Wereldoorlog ook zo vaak het decor was van zijn vertellingen? Shute deinsde er daarbij zelfs niet voor terug om spannende sprookjes te schrijven over die tijd …

En zie, daar kom ik dan niet helemaal uit.

Een Brits auteur als Shute, die geboren werd in 1899, staat om twee redenen al anders tegenover deze oorlog dan de zo veel later geboren Nederlander Tiemersma of uit Beieren afkomstige Sebald. Zijn land hield stand, en won uiteindelijk, wat een heel andere literatuur oplevert dan bij de geknevelden of de verliezers. Maar waarom kan ik wel billijken dat Shute een waar gebeurd verhaal van iemand gebruikte voor een boek — A Town Like Alice — en neem ik dit Sebald juist kwalijk? Zeggen dat in die roman zo’n groot gedeelte na de oorlog plaatsvindt, heldert evenmin iets op.

Mijn oordeel is blijkbaar hoogst subjectief. Of niet?

De roman Austerlitz is het verhaal van een Joods jongetje uit Praag, dat, vlak voor Bohemen ‘Heim ins Reich’ ging, met een kindertransport naar Groot-Brittannië werd gebracht. Daar kwam hij in Wales in een opvanggezin terecht, om vervolgens langzamerhand zijn achtergrond en herkomst te vergeten.

Het boek begint in Antwerpen, als de jongen, die allang een architectuurhistoricus op leeftijd is geworden, tezamen met een naamloze verteller begint aan de reconstructie van zijn verleden. Omdat hij móet vertellen over wat hij net ontdekt heeft.

Opmerkelijk aan de roman is onder meer dat Sebald zonder commentaar foto’s in het verhaal opnam. En ook dat dit boek geen hoofdstukken of andere rustpunten telt, maar éen geut aan vaak zeer geladen taal is.

Op de vorm heb ik ook weinig aan te merken. Het gaat voor mij ietwat mis bij de inhoud.

W.G. Sebald [1944 – 2001] verwerkte in Austerlitz namelijk een bestaand levensverhaal. Dat van Susi Bechhofer, die daarover een boek geschreven heeft, waarover ook een documentaire werd gemaakt.

Tegelijk werd Susi Bechhofer in het boek een jongen, Jacques Austerlitz, en iemand waarin Sebald nog de ideeën verwerkte van een bekende, die architect was geweest.

Die constructie roept daarmee de vraag op: verrijkt de romankunst in dit geval mijn kijk op dat verleden? Of niet?

Wat op zich al een heel merkwaardige vraag is.

In die Tweede Wereldoorlog zijn, net als in welke oorlog ook, vele mensenlevens vernietigd, en nog veel meer aangetast. En een roman kan een middel zijn daar de aandacht op te vestigen. Maar de roman leent zich er ook toe om op een goedkope manier een bedacht plot te tooien met levensverhalen en ware details, om het boek zo een grotere authenticiteit te geven. Dit kan daarmee wel als gevolg hebben dat het verleden gebanaliseerd, zo niet getrivialiseerd wordt.

En zo beschouwd is Austerlitz voor mij toch een banalisering van iemand anders’ verhaal. Want daarvoor voegde dit boek daar te weinig aan toe.

Voor mij voelt het of Sebald zich iets heeft toegeëigend dat hem niet behoorde — of hij als Duitser, begenadigd door zijn late geboorte, nog even in het verzet moest. En ja, ik begrijp heel goed dat auteurs zich vaak verhalen toeëigenen die de hunne niet zijn. Maar waarschijnlijk maakt dit pas niets meer uit als alleen zo’n roman er nog is om die geschiedenis te vertellen.

wordt morgen vervolgd

Ziet ook: Jatadvies van Sebald

W.G. Sebald, Austerlitz
417 pagina’s
Süddeutsche Zeitung Bibliothek 2008, oorspronkelijk 2001

De Witt’s War ~ Hans Koning

Opnieuw een boek over de Tweede Wereldoorlog, met een grotendeels verzonnen plot. Mag dit dan wel? Ook al kan het literair gezien voor velen waarschijnlijk nog niet in de schaduw staan van Sebald’s Austerlitz?

Ja.

Hans Koning [1921 – 2007] heeft die oorlog in verschillende hoedanigheden meegemaakt. Als inwoner van bezet Nederland, actief als verzetsman, als illegaal onderweg naar de vrije wereld, als student in het neutrale Zwitserland, en vervolgens als sergeant in het Britse leger.

Maar veel meer nog dan dat curriculum weegt mee dat, in deze zo prettig doordenderende roman, tegelijk wordt geschreven over hoe de Nederlanders reageerden op de Duitse bezetting. En zich schoorvoetend aanpasten. In die tekening van de tijd wijkt het al opvallend van de standaard af.

Hoofdpersoon van dit boek is Jerome De Witt, die in de Nederlandse vertaling vast wel Jeroen zal heten, of zoiets. De Witt is een man van tegen de veertig, en burgemeester in oorlogstijd, in de kleine gemeente Amsteldijk. Begin 1941 breekt de tijd aan dat hij maatregelen moet nemen die tegen zijn geweten ingaan.

Maar eerst wordt er iemand in zijn gemeente vermoord. En vervolgens diens vrouw. En plots moet De Witt, die ook het plaatselijke hoofd van de politie is, zich allerlei zaken afvragen.

Hij komt dan onregelmatigheden op de beurs op het spoor, die grote gevolgen voor de hele oorlog kunnen hebben. Hans Koning weet met die gegevens toch ook fijntjes het historische feit in zijn verhaal te weven dat de geallieerden nooit de fabrieken in Duitsland bombardeerden die gedeeltelijk in Britse handen waren. Oorlogen zijn smerig.

In dit geval gaat het om het bezit van bijvoorbeeld de olie en rubber in Ons Indië.

Wat Koning heel knap doet, is om De Witt langzaam van een wat passieve bureaucraat tot een actief handelende verzetsman te veranderen. Er daarbij tegelijk voor wakend om van hem een held te maken. De Witt klungelt en blundert telkens behoorlijk.

Maar dit deed iedereen.

En de grote ironie van dit boek is natuurlijk dat het zich geheel in 1941 afspeelt, en de gebeurtenissen in de wereld daarna de betekenis van dit verhaal nog zo zouden wijzigen. Maar Hans Koning lijkt me een te groot vakman om dat niet beseft te hebben.

Hans Koning, De Witt’s War
252 pagina’s
Allison & Busby 1989, oorspronkelijk 1983

Jaren die dubbel telden ~ J. de Kadt

Het is jammer dat de politieke herinneringen van Jacques de Kadt [1897 – 1988] maar drie delen beslaan, en geen vier. Nu houden zijn memoires op in de jaren veertig. Terwijl hij daarna nog Kamerlid werd, voor de PvdA. En trouwde.

Mij intrigeert het inmiddels, wat De Kadt over de wederopbouwjaren te zeggen zou hebben gehad. Over de welvaartsgroei, en de effecten daarvan. Of over hoe de Sociaal-democraten, in ruil voor eindelijk wat macht, hun beginselen verkwanselden.

Jaren die dubbel telden gaat over De Kadt’s tijd in Indonesië. Waar hij aanvankelijk in 1940 niet binnenmocht, door het politieke onbenul van veiligheidsdienst. Dan toch werd toegelaten, als gast, vanwege de speciale omstandigheden. En toen de oorlog met Japan uitbrak wel weer geacht werd om dienst te nemen.

De Kadt weigerde, juist omdat hij niet officieel in het land was toegelaten. Daarop moest hij toch burgerdienst doen. En die kwam er op neer dat hij, dat toch zo onbetrouwbaar geachte sujet, telefoonlijnen moest afluisteren, en zo nodig censureren.

Als er éen ding naar voren komt uit dit derde deel, dan wel hoe incapabel het Nederlandse bestuur in Indië was. Al zal daar zeker wat kleuring bij zitten van De Kadt. Heel interessant is bijvoorbeeld hoe het er volgens hem tijdens de eerste maanden van de vrije republiek Indonesië voor stond. Zo had Nederland absoluut goede betrekkingen met het nieuwe bewind kunnen krijgen. Maar zowel daar, als in Den Haag, dachten de hoge heren nog als kolonisatoren. Dus werd het oorlog.

Jacques de Kadt was het al in de jaren dertig duidelijk dat verzelfstandiging van het land de enig logische ontwikkeling zou zijn.

Boeiend aan dit boek waren voor mij niet de gekende verhalen, zoals het verblijf in de Jappenkampen, maar bijvoorbeeld hoe hij na de capitulatie van Japan correspondent in Indonesië werd, voor Het Parool in Nederland — een krant die illegaal tijdens de Tweede Wereldoorlog werd opgericht. Over zijn goede contacten met de Indonesiërs toen. Hoe moeilijk het daarbij was om zijn stukken in Nederland te krijgen. Of dat hij niet wist dat er amper papier was om kranten te drukken, waardoor zijn artikelen sterk ingekort verschenen. Waarmee ook alle ruimte voor nuance verdween.

Verder verschilt dit boek op éen cruciaal punt van de eerdere twee delen. Die boeken gingen over hoe een zelfstandig denkend mens reageerde op normale omstandigheden, hoe veel mis daar ook mee was. Dit slotdeel gaat erover hoe dezelfde man reageerde op eenmalige uitzonderlijke omstandigheden. En daar zal me absoluut minder van bijblijven.

J. de Kadt, Jaren die dubbel telden
Politieke herinneringen
uit mijn ‘Indische jaren’

201 pagina’s
G.A. van Oorschot, 1978

Road Back to Paris ~ A.J. Liebling

Boeken over de Tweede Wereldoorlog zullen nooit mijn lievelingsboeken worden. Mijn oordeel over dit onderwerp is te zeer gekleurd door de jankerige manier waarop Nederland met de periode omgaat, en het vanzelfsprekende slachtofferdenken daarbij. Vandaar dat het me nog altijd verbazen kan schrijvers over die oorlog te lezen die me wel interesseren.

In de bloemlezing met het beste van A.J. Liebling vielen me drie lange oorlogsverhalen heel positief op. Vandaar dat ik het wel aandurfde een hele band met zijn oorlogsstukken aan te schaffen.

Als eerste boek is The Road Back to Paris opgenomen in deze verzamelbundel. Die titel verscheen al toen de uitkomst van de oorlog nog ongewis was.

Liebling maakte namelijk vanaf 1939 verschillende malen de oversteek naar Europa, als correspondent voor het tijdschrift de New Yorker. Als Amerikaan was hij lang een buitenstaander in het conflict, dat begon toen Duitsland Polen binnenviel. Tegelijk wilde hij niets liever dan dat zijn vaderland zich bewapende — want wat hij achtte Hitler gevaarlijk genoeg om de hele wereld te zullen aanvallen.

The Road Back to Paris is opgebouwd uit drie delen. Het eerste speelt in de luwte tussen de inval in Polen, en de periode na mei 1940 als Frankrijk overlopen wordt. In het tweede boekgedeelte wordt Groot-Brittannië zwaar aangevallen, al begint er dan ook iets van georganiseerde tegenstand te komen. In het slotgedeelte zijn de Amerikanen eindelijk wel betrokken in het conflict — wat Liebling’s rol nogal veranderde. In plaats van de oorlog uit te moeten leggen aan een publiek dat de luxe heeft onverschillig te kunnen zijn, is hij ineens verslaggever van wat de eigen jongens doen op campagne in Noord-Afrika.

Dat derde boekgedeelte liet me opvallend onverschillig, hoe briljant Liebling ook dan soms schrijft.

Het zijn die eerste twee delen van dit boek die het lezen tot zo’n opmerkelijke ervaring maakten. Omdat ik niet eerder zo’n objectief verslag las over hoe het was om de eerste jaren van de Tweede Wereldoorlog mee te maken; omdat de schrijver niet direct veel gevaar liep, en hij lang een buitenstaander bleef.

De luchthartige zekerheid bijvoorbeeld, zoals hij die beschrijft, van de Franse bevolking, dat het bij de onvermijdelijke aanval wel los zou lopen, gezien de ervaringen van ’14-’18. Dus was tout Paris op 10 mei 1940 op de renbaan te vinden, om elkaars kleding te bewonderen.

En dit boek staat vol met zulke, vaak terloops gebrachte, maar inzicht brengende opmerkingen. Die eerste twee boekgedeelten brengen heel erg goed schrijven.

A.J. Liebling, The Road Back to Paris
308 pagina’s
© 1944
in: A.J. Liebling, World War II Writings
1090 pagina’s
The Library of America, 2008

Geheim van De Telegraaf ~ Mariëtte Wolf

De Telegraaf is nooit een krant geweest die ik las. Netzomin kijk ik naar commerciële omroepen, of luister ik naar zulke zenders. Die richten zich allemaal op publiek waartoe ik niet behoor.

Het is makkelijk zo’n constatering tot een veroordeling te maken. Als ik het niets vind, is het ook niets, dat werk. Maar eerlijk gezegd laten de heel commerciële media me eerder onverschillig, dan dat ik er nu echt een mening over heb. Zolang er genoeg alternatieven zijn, zal ik er niet over klagen.

Al vind ik De Telegraaf wel ontstellend lelijk, met zijn drukke opmaak en potsierlijke typografie.

Neemt niet weg dat De Telegraaf me om twee redenen ook intrigeert. De eerste reden luidt dat de krant vakmatig heel goed is in het selecte tal gebieden dat aandacht krijgt. Gebeurt er eens iets onverwachts met een normaal mens, dan laat De Telegraaf zo iemand vaak als eerste of enige aan het woord, bijvoorbeeld.

De tweede reden is dat De Telegraaf wat apart staat van de rest van de kranten. Tenminste, dit was altijd zo, voordat de commerciële televisie en radio opkwamen, en er ineens ook wat doorstroming kwam. Wie voordien journalist werd bij De Telegraaf trad tot een soort sekte toe, waar wel verhalen over bestonden, maar eigenlijk nauwelijks iets over bekend was.

Die status aparte heeft verschillende oorzaken. Zo was daar lang de spreekwoordelijk kwade rol die de krant in de Tweede Wereldoorlog gespeeld zou hebben. Mariëtte Wolf gaat uitgebreid op deze periode in, en laat daarbij zien dat De Telegraaf vrij lang zeker niet fouter was dan de andere kranten die in Nederland verschenen tijdens de bezetting.

Eén van de voor mij verrassendste feiten uit dit boek was overigens dat alle krantenoplagen tijdens de Tweede Wereldoorlog zijn gestegen. Iets was blijkbaar beter dan niets — en het bezit van een radio was door de Duitsers verboden.

Pas in oktober 1944 werd De Telegraaf een SS-krant, omdat de fanatiek Duitsgezinde zoon van de eigenaar het toen geheel voor het zeggen kreeg. Na de bevrijding mocht de krant vier jaar niet verschijnen, en dit gegeven alleen al zal bij velen de indruk hebben gewekt dat er weinig goeds was aan het blad.

De tweede reden voor de ongunstige reputatie van De Telegraaf bij buitenstaanders is de campagnejournalistiek die de krant bedreef tegen mensen en politieke partijen. Onder de huidige hoofdredacteur, en gezien de band van het dagblad met een shockblog als GeenStijl, zou die tendentieuze berichtgeving tegenwoordig trouwens weer opgang maken. Ik heb dat niet gecontroleerd.

Mariëtte Wolf gaat in dit boek — toch een dissertatie ook — naar mijn zin te weinig in op het waarom van zulke journalistieke keuzen, of welke regels daarbij spelen — danwel overtreden worden.

Het geheim van De Telegraaf is in de eerste plaats een bedrijfsgeschiedenis. Dit betekent dat het verloop van de geschiedenis buiten de onderneming grotendeels bekend wordt verondersteld, en de meeste aandacht naar binnen is gericht. Ondanks alle beperkingen die ik zo’n aanpak vind hebben — wie éen krant beschrijft, maakt misschien bijzonder wat ook bij andere bladen speelde — is dit wel een zeldzaam rijke bedrijfsgeschiedenis. Een rijkere ken ik eigenlijk niet, als het gaat om de Nederlandse mediahistorie.

Zeker de hoofdstukken over beginperiode van de krant, die toch ook zijdelings over de opkomst van de krant als massamedium gaan, zijn erg goed.

Bovendien is dit een zeer rijk en vol boek. Het werd bijvoorbeeld uitgegeven op een groot formaat, zodat oude voorpagina’s bijna leesbaar konden worden afgebeeld. Helaas is er wel voor gekozen om de broodtekst van het boek af te drukken in twee kolommen per pagina. Helaas, want, ik lees juist vrijwel geen kranten meer omdat ik geen teksten in kolommen naast elkaar zo vreselijk vind.

Mariëtte Wolf, Het geheim van De Telegraaf
Geschiedenis van een krant

565 pagina’s
Boom, 2009

Mollie and Other War Pieces ~ A.J. Liebling

Dat er een overlap zou bestaan tussen deze bundel en die bloemlezing met het beste van Liebling verbaasde me niet. Maar dat in Mollie and Other War Pieces ook al stukken over de campagne in Noord-Afrika herdrukt zijn uit The Road Back to Paris verraste wel. Mede omdat ik beide boeken in een band verzameld las, en die verzameling dus binnen enkele pagina’s vrij opvallende doublures kent. Die stukken staan er gewoon twee keer in.

Enfin, dus telde dit boek honderdtwintig pagina’s minder dan gehoopt. Dan nog deed dit er betrekkelijk weinig toe. A.J. Liebling heeft er wel bijvoorbeeld zijn reportage in opgenomen over hoe het was om Normandië te bestormen vanuit de zee.

Hij maakt de overtocht vanuit Engeland op een groot landingsvaartuig, dat in totaal vier minuten aan het Franse strand lag voor het zich terugtrok. Maar, voor iedereen aan boord hadden die paar minuten minstens een half uur geduurd. En zo komt die landingspoging ook over.

Waar de film Saving Private Ryan miljoenen kostte, om het authentieke oorlogstuig, de grote kluften figuranten, en alle special effects, kon dus ook éen man ooit met een typemachine en wat taal heel aardig overbrengen wat voor hel het daar was, ’s ochtends vroeg op 6 juni 1944.

Ging hij nog niet eens van boord.

De rest van het boek is gevuld met reportages over de weg naar Parijs, en de verovering van de Franse hoofdstad — waardoor voor Liebling de cirkel rond werd. Hij had in 1940 ook beschreven hoe de stad gevallen was. Nu waren er feestelijker berichten te geven.

Opvallend is dat daarmee Liebling’s actieve betrokkenheid bij de Tweede Wereldoorlog ook ophield. Hij reisde eind 1944 terug naar de VS, mistte daardoor het Ardennen-offensief, en voor hij daar spijt van kon krijgen, was het vrede in Europa.

Nu ja, er was eerder dan deze bundel al een ander boek verschenen, met meer herinneringen aan de invasie, en de bevrijding van Parijs.

wordt daarom vervolgd

A.J. Liebling, Mollie and Other War Pieces
260 pagina’s
© 1964
in: A.J. Liebling, World War II Writings
1090 pagina’s
The Library of America, 2008

Zaak 40/61 ~ Harry Mulisch

In 1960 ontvoerde de Israëlische geheime dienst de voormalige Nazi-ambtenaar Adolf Eichmann uit Argentinië; het land waar hij naartoe gevlucht was. Een jaar later werd hij in Jeruzalem berecht, door een rechtbank waarvan alle leden oorspronkelijk uit Duitsland kwamen. Harry Mulisch was indertijd bij een aantal van de zittingen aanwezig. Hij schreef daar essayistische reportages over voor Elsevier; die gebundeld zijn in dit boek.

En ik geef toe deze klassieker uit de Nederlandse journalistiek nooit eerder te hebben gelezen. Maar ook daarmee niet vreselijk veel gemist te hebben.

De zaak 40/61 is in de eerste plaats een tijdsdocument, en als zodanig niet meer onbevangen te bekijken. Wat het gemiddelde schoolkind nu aan details over de Holocaust weet, is waarschijnlijk meer dan de doorsnee Nederlander in 1961 paraat had.

Mulisch vond het bijvoorbeeld nog nodig voor dit boek naar Auschwitz te reizen. En om daar de leegte in het kamp, begin jaren zestig, in zijn beschrijvingen te stofferen met geleende kennis over de ellende van toen.

Eichmann was een zeer nuttig radertje in het mechanisme dat de Eindoplossing in beweging zette. Maar, hij was in de eerste plaats een uitvoerder, die succesvol oplossingen vond bij het probleem dat al die joden weg moesten. Mulisch tekende met enige verbazing op dat Eichmann zich antisemiet noch jodenhater noemde. Bovendien begreep hij slecht dat Eichmann zich niet bijzonder schuldig leek te voelen.

Want, dit is het voornaamste dat opvalt aan het boek, of aan wat Hannah Arendt over dezelfde zaak schreef. De auteurs maakten er een probleem van dat Adolf Eichmann zo’n gewone ambtenaar leek. Heel primitief, omdat de gewoonheid van de man de gruwel van zijn werk zo veel minder begrijpelijk maakte.

Bovendien woog bij beide een ander historisch gegeven mee.

Duitsland was een democratie, en een cultureel rijk land, met een gedegen ontwikkelde wetenschap. En toch kon dit land zich binnen enkele jaren tot een totalitaire staat ontwikkelen. Die vervolgens meteen begon om specifieke delen van zijn bevolking uit te moorden.

Ik begrijp ergens wel dat Arendt alsook Mulisch toch aandrang voelden om deze ontwikkeling te willen verklaren, en niet enkel zo goed mogelijk te beschrijven. Alleen vluchtten ze daarbij in de metafysica, wat hun betogen vervolgens troebel maakte. En ik schrijf dit vanuit de genade van de late geboorte — mijn eigen verleden weegt al helemaal niet mee bij deze observaties, anders dan bij Mulisch of Arendt.

Vijftig jaar afstand tot Mulisch’s verslag bleek in dit geval alleen wel een erg grote afstand.

Harry Mulisch, De zaak 40/61
Een reportage
221 pagina’s
De Bezige Bij 2006, oorspronkelijk 1962

Nonviolence ~ Mark Kurlansky

Een boek als Nonviolence is een geschiedeniswerk zoals ik ze het liefste heb. Kort, en krachtig. Zelfs de algemene uitspraken over het onderwerp zijn al veelzeggend, en zetten zo het verleden in een net wat ander licht. Al begint Kurlansky wel wat demagogisch, door te stellen dat geen enkele taal een apart woord voor geweldloosheid bezit.

Altijd is er eerst dat woord voor geweld, van waaruit dan een woord voor het afwijzen van geweld is geconstrueerd.

En dat nu zegt mij op zich niets. Woorden als ongelovige, atheïst, of agnost, zijn ook afgeleid van een religieus begrip. Maar het lijkt me onzin om alleen daaruit af te leiden dat samenlevingen altijd georganiseerd waren rond religie, en daar pas later afwijkingen op ontstonden.

Als iets normaal is, wordt het namelijk zelden benoemd. De vis kent het water niet waarin die zwemt.

In Nonviolence valt overigens op dat de twee meest voorkomende religies in ons land — het Christendom, en de Islam — weliswaar vrede preken, maar tegelijk bijzonder gewelddadige verledens hebben. Al speelt daar bij mee dat religie door machthebbers misbruikt is, om zielen te kunnen onderwerpen.

Once a state takes over a religion, the religion loses its nonviolent teachings.

Kurlansky heeft ook veel aandacht voor de geweldloze varianten van het christelijke geloof. Ik was daarbij alleen al dankbaar eindelijk eens iemand te zien uitleggen waarom de Quakers zo heten — de grondlegger kwaakte tijdens zijn religieuze vervoering. Alleen blijkt dat detail volgens andere bronnen dan weer niet te kloppen. Ook noemt Kurlansky Menno Simonsz foutief Simon Menno. En dus biedt dit boek zeker het niet laatste woord over alle zaken.

Maar mij gaat het eerlijk gezegd ook om de grote lijnen. En om weetjes als dat de burgerrechtenbeweging in de VS wortelt in de activiteiten die dienstweigeraars tijdens de Tweede Wereldoorlog ondernamen tijdens hun gevangenisstraf. Om te zien dat geweldloos verzet van de Maori’s voorkomen heeft dat ze allemaal werden uitgemoord. Of om de bevestiging dat machthebbers zo vaak niet anders op geweldloos protest hebben weten te reageren dan door daar geweld tegen in te zetten.

De kwaliteit van dit boek zit in het overzicht. Dus neem ik de foutjes en de uiteindelijk nogal sterk Amerikaans-Britse focus van dit boek voor lief.

Mark Kurlansky, Nonviolence
The History of a Dangerous Idea
Foreword by His Holiness The Dalai Lama

203 pagina’s
Vintage 2007, oorspronkelijk 2006

Normandy Revisited ~ A.J. Liebling

In 1955 bezocht A.J. Liebling opnieuw de kust van Normandië. Elf jaar was dit nadat hij in de voetsporen van het Amerikaanse leger Frankrijk was binnengevallen, om vast te leggen hoe deze de Nazi’s versloegen. Hij wilde onder meer weten hoe het verder was gegaan met de mensen die hij toen ontmoet had. En hoe de vrede hen ondertussen behandelde.

Dit voornemen leverde een memorabel boek op. Al was het maar omdat Liebling zich door Frankrijk verplaatste in een Simca Versailles, bestuurd door de zwijgzame Wit-Rus Michel. Die, hoewel al ruim twintig jaar in het land woonachtig, nog altijd maar rudimentair Frans sprak. En die het niet leuk vond dat zijn tijdelijke broodheer niet de gebruikelijke toeristische hotspots wilde bezoeken. Op deze plekken verzamelden zich namelijk ook altijd collega-chauffeurs; andere ballingen uit Wit-Rusland met wie het wel prettig babbelen was.

Elf jaar na de invasie van Normandië was het meestal nauwelijks nog merkbaar dat er ooit een oorlog had gewoed. Wat voornamelijk opviel, was dat het Britse en Amerikaanse officieren indertijd alle calvados hebben opgedronken overal. Daardoor was er in 1955 alleen drank te krijgen van amper tien jaar oud; die dus amper drinkbaar genoemd mocht worden.

De oorlog herleefde vooral in de gesprekken die Liebling overal voerde.

Behalve een herinnering aan 1944, maakte de reis ook een sentimental journey mogelijk naar 1926. In dit jaar zou Liebling aan de Sorbonne gaan studeren, en bracht hij voordien een periode in Normandië door. Waar hij leerde eten.

Dus worden in dit boek ook vele maaltijden gememoreerd. En, Liebling weet van het schrijven over eten altijd iets bijzonders te maken.

Al is hij nog beter over het eten in Engeland, aan het begin van de reis.

The cold meat was quite good, and only the flavor of the brown soup recalled the war. As I tasted it, a tune came into my head (this association of two sensory memories is, I believe, called synesthesia), but I had to down the spoonful of soup and hum two experimental bars before I could identify the air. It was “There’ll Always be An England”. Mr. Biggs looked astonished and remarked. “I’ve always said there’s nothing like a dash of high spirits, sir.” The gentlefolk at the other tables looked peculiarly depressed, as if they had all come down into the country to hear the wills of relatives who had left them nothing. [833]

Sloot het boek niet af nadat de reis met Michel was afgelopen, maar werden er nog twee stukken in opgenomen, over de veroveringstocht naar Parijs in 1944. Dat vond ik net wat te veel aan dit zo prachtige reisboek. Al hoefde ik deze reportages ditmaal niet per se te lezen, omdat ze ook al in de bloemlezing staan.

A.J. Liebling, Normandy Revisited
174 pagina’s
© 1958
in: A.J. Liebling, World War II Writings
1090 pagina’s
The Library of America, 2008

Kriegstagebuch ~ Ingeborg Bachmann

Bij hoe weinig eigen woorden is het nog gerechtvaardigd om een boek uit te geven onder de naam van een bekend auteur?

Ik weet het antwoord niet op deze vraag. Wel is me duidelijk dat als ik de objectieve gegevens over dit Kriegstagebuch had gekend, het me niet de moeite van het lezen waard had geleken.

Deze uitgave bevat vijftien groot gezette pagina’s met tekst van Ingeborg Bachmann [1926 – 1973]; overgenomen van wat slechts een paar volgetypte vellen papier zullen zijn geweest.

Verder bestaat de helft van dit boek uit brieven die de Britse militair Jack Hamesh aan Ingeborg schreef. Hij was een Weense jood, die in 1938 op een laatste transport naar Engeland wegkwam. Zij was de dochter van een sterk Nazi-gezinde vader. Na de oorlog bloeide er even iets tussen die twee.

In zijn brieven viste Hamesch naar haar ervaringen tijdens de aansluiting van Oostenrijk bij Duitsland, en de oorlogsjaren daarna.

Voor de Bachmann-vorsers zal dan vooral interessant zijn wat Hamesch weer heeft gegeven van haar woorden — want die vullen de biografie dan weer zo aardig aan. Voor een meer neutrale lezer geldt slechts: was het nog wat, dit allegaartje, zo bij elkaar?

En dan moet gezegd dat die getikte vellen met impressies uit 1944 en 1945, die hier zo grootst dagboek heten, geen heel bijzondere indruk maakten. Een jonge vrouw probeerde haar pen. En leek daarna de best gelukte passages te hebben willen bewaren door ze officieel te maken in typoscript.

Van de brieven aan haar zal me al evenmin veel bijblijven.

En toch was er iets groters dan al dat waardoor Kriegstagebuch toch de moeite waard bleek om te lezen. Dat mag ‘historische sensatie’ heten, of misschien is het dat andere etiket wel, van ‘echt gebeurd’.

Ik zat even in de belevenissen van twee jonge mensen, die net alle ellende overleefd hadden van wat tot dan zo’n immens stuk van hun leven bepaald had. En goed, dat is zo’n universeel gegeven dat tientallen zo niet honderden vergelijkbare boeken gemaakt zouden kunnen worden. Punt is dat ik daar geen van zou lezen, omdat die dan dat andere lokkertje missen, een schrijver aan het woord te zien.

Ingeborg Bachmann, Kriegstagebuch
Mit Briefen von Jack Hamesh

107 pagina’s
Suhrkamp, 2010

Catch-22 ~ Joseph Heller

Catch-22 lijkt een roman te zijn over de waanzin van de Tweede Wereldoorlog. Het verhaal speelt zich af in die tijd, als de Amerikanen al in Europa vechten, en vanaf een eilandje bij de Etna bombardementen uitvoeren op het Italiaanse vasteland.

Maar Joseph Heller schreef het boek allereerst in reactie op de Korea-oorlog, en wat er zoal meer speelde vanaf 1953; zoals de heksenjacht van McCarthy op alles wat naar communisme rook. En de uitgave werd dan weer een succes in de jaren zestig omdat vele Amerikanen in de satire zo’n geslaagd protest in zagen tegen de oorlog in Vietnam.

Ofwel, wie deze roman wil gaan duiden, is haast gedwongen om ook een cultuurgeschiedenis te schrijven van de VS in het derde kwart van de twintigste eeuw. Toch lijkt Catch-22 me allereerst een boek dat nu nog bekend is omdat het ooit op het juiste moment verscheen; en toen zo veel succes oogstte.

Waarop een vraag wordt of de roman houdbaar is gebleven in de ruim vijftig jaar sinds de eerste publicatie.

En dan moet gezegd, Catch-22 was voor mij zowel een boek van het teveel als een boek van het veel te weinig.

Heller bedacht te veel personages, een hele luchtmachtbasis vol, die bovendien allemaal iets karikaturaals kregen. De hele roman lijkt slechts éen bijna normaal mens te kennen. Dat is de bommenrichter John Yossarian, die uit alle macht eens een tijd weg wil van het front.

Tegelijk draagt Yossarian het boek niet.

En voor een oorlogsboek zit er dan weer opvallend weinig aan traditionele vijand in. De Nazi’s komen nimmer rechtstreeks voor in het verhaal. Behalve dan dat door hun verweer op de bombardementen er in de loop van het boek steeds meer doden vallen in het Amerikaanse squadron. Mede door deze eenzijdigheid is er uiteindelijk wat weinig aan lopend verhaal.

In de weken dat ik het boek las, leerde ik dat Heller jaren aan de roman geploeterd heeft. En dat hij uiteindelijk enorm geholpen is door Hašek’s Lotgevallen van de brave soldaat Švejk. Zonder dat oerboek tegen de oorlog had het zijne nooit de vorm gekregen die het heeft.

Eenmaal me van dit gegeven bewust, werd een stuk begrijpelijker waarom er ook in Catch-22 evenmin een directe vijand voorkomt; behalve dan dat het lijkt of het eigen leger ook bij de tegenstander hoort. Nazi’s waren nu eenmaal niet nodig voor de intrige; zoals Švejk in vier boeken evenmin ooit arriveert aan het front.

Er komt al genoeg bedreiging voor de piloten en hun bemanning van de eigen organisatie. Waarin de hoge officieren vooral hun positie koesteren, en de mogelijkheden die er zijn om in rang te klimmen. En waaraan sommigen zelfs flink weten te verdienen, zoals de messofficier Milo Minderbinder, die door iedereen medeplichtig te maken rijk kan worden aan de zwarte handel.

Gebruikt Minderbinder ondertussen wel de kooldioxidecapsules die bedoeld waren om reddingsvesten op te blazen om lekker luchtige luxe-drankjes te kunnen serveren aan de officieren in zijn mess.

Maar voor de meeste piloten en hun bemanning is de luchtmacht niets anders dan een doof en blind monster dat schijnbaar handelt naar willekeur. Telkens keer als zij denken met een lang verlof te mogen, wordt het aantal operationele vluchten verhoogd dat gevlogen moet worden om in aanmerking te komen voor verlof.

Vast zitten ze, in een situatie die zich amper ontwikkelt, behalve dan dat er steeds meer sleet op hen komt, en dat ze kameraden zien sterven.

Catch-22 deed me bij het lezen in de eerste hoofdstukken meteen denken aan de latere TV-serie M*A*S*H. Ook die speelt zich voornamelijk af in een tijdelijk legerkamp, ergens in het midden van niets, en heeft een oorlog voornamelijk als een gerommel op de achtergrond; dat soms even dreigend kon aanzwellen. Bovendien was het uitgangspunt vrijwel hetzelfde. De verhalen in M*A*S*H gaan evenzeer allereerst om de strubbelingen tussen de personages onderling.

En deze constatering pakte typisch uit als een inzicht dat ik beter niet had kunnen hebben. De kijk op het boek werd er waarschijnlijk nogal door gekleurd.

Tegelijk blijft mijn oordeel staan dat elk hoofdstuk als de aflevering van een sitcom was, en daarmee afzonderlijk dus soms heel goed. Het telkens uitvergroten van een onderling misverstand is een vast stijlmiddel voor de schrijver in dit boek.

Alleen werd de roman daarmee een tekst die het best slechts even te genieten was, en meteen daarna weggelegd moest worden. De hoeveelheid aan verwikkelingen en details werd anders al gauw te groot om nog te kunnen verwerken. Heller vergt nogal wat van zijn lezers.

Als roman is het totaal daarom voor mij nooit groter geworden dan de delen.

Heller is daarom misschien eerder te prijzen als de ontdekker van een aantal inmiddels universele sitcom-formules dan dat ik hem nu zo’n groot schrijver vind. Tegelijk werkt al ons drama nog volgens regels die de oude Grieken al snapten. Zo veel ontwikkeling is er op dit gebied nu ook weer niet geweest.

En dan is er nog het begrip ‘Catch-22’ dat Heller muntte, en dat zo veel groter werd dan de roman. Ook al omdat romanschrijvers verder zelden iets bedenken dat het algemene spraakgebruik haalt, en daarmee het woordenboek.

Deze ‘paragraaf’ kwam in mijn editie het eerst voor op pagina 52:

There was only one catch and that was Catch-22, which specified that a concern for one’s own safety in the face of dangers that were real and immediate was the process of a rational mind. Orr was crazy and could be grounded. All he had to do was ask; and as soon as he did, he would no longer be crazy and would have to fly more missions. Orr would be crazy to fly more missions and sane if he didn’t, but if he was sane, he had to fly them. If he flew them, he was crazy and didn’t have to; but if he didn’t want to, he was sane and had to. Yossarian was moved very deeply by the absolute simplicity of this clause of Catch-22 and let out a respectful whistle.

“That’s some catch, that Catch-22,” he observed.

“It’s the best there is,” Doc Daneeka agreed.

Dat iemand een probleem niet kan oplossen volgens de regels, omdat diezelfde regels een oplossing onmogelijk maken, komt telkens terug in de roman. En ongetwijfeld zal er ergens iemand gepromoveerd zijn op het tellen van de varianten die Heller verzonnen heeft.

Voor mij zat op het laatst de voornaamste attractie van het boek in het gegeven of de auteur nog een nieuwe paradox had weten te vinden. Helaas.

[wordt morgen vervolgd]

* ik las Catch-22 gelijk op met Achille van den Branden. Zijn bevindingen staan hier.

Joseph Heller, Catch-22
540 pagina’s
Vintage Books 2011, oorspronkelijk 1961

Slaughterhouse-Five ~ Kurt Vonnegut

Herlezen is het ware lezen, denk ik. En weinig is er daarbij mooier dan om een boek te lezen dat minstens zo veel indruk maakt als bij de eerste kennismaking; wat bewijst dat de opwinding van toen terecht was.

En Slaughterhouse-Five is misschien wel zo eminent herleesbaar omdat de schrijver worstelde met datzelfde dilemma als de herlezer voor aanvang kwelt. Is niet al te goed bekend wat er komen zal? Haalt die kennis bij voorbaat niet al de meeste verrassing weg?

Waarop de vervolgvraag werd: is een vorm te vinden die alles eens opschudt?

Kurt Vonnegut [1922 – 2007] was in de Tweede Wereldoorlog een soldaat in het Amerikaanse leger. Tijdens het Ardennenoffensief werd hij krijgsgevangene gemaakt. En omdat krijgsgevangen soldaten hun eigen opsluiting moeten bekostigen — voor officieren geldt dat niet — werd hij tewerkgesteld in Dresden. Dat was een veilige stad. Daar was geen oorlogsindustrie.

Dresden zou in de Valentijnsnacht van 1945 gebombardeerd worden door de geallieerden. Hierbij werd 70% van de stad in éen keer verwoest. Schattingen van het tal slachtoffers lopen sterk uiteen. Vonnegut weet zeker dat er die nacht meer doden vielen dan later dan bij de bombardementen op Hiroshima, en Nagasaki. Naast de normale bevolking hadden namelijk nogal wat vluchtelingen onderdak gezocht in de stad; omdat die zo veilig scheen.

Vonnegut overleefde het bombardement door een stom toeval. Hij was met zijn medegevangen opgesloten achter de dikke muren van een oud slachthuis. Schlachthof 5. Van daaruit betraden hij en zijn zenuwachtige bewakers de volgende ochtend een maanlandschap.

Na de oorlog werd Vonnegut schrijver. En verkoper van Saabs. En al die tijd lag er het gegeven dat hij nog eens iets moest doen met dat bombardement op Dresden. Alleen lukte dat niet. Waardoor hij toch eens een oude dienstmaat opzocht om herinneringen op te halen. Om daarbij uitgescholden te worden door diens vrouw. Omdat hij nog een baby was geweest in het leger, en het alleen daarom al geen pas zou geven leuk stoer te gaan doen over die oorlogstijd.

Daarmee werd Slaughterhouse-Five niet alleen een boek over het bombardement op Dresden, maar allereerst een boek tegen het kinderoffer dat oorlog heet.

De roman kwam uit in 1969. Sloeg meteen aan, mede om de anti-Vietnam-stemming in de VS. En het boek is merkwaardig genoeg nog altijd omstreden in sommige kringen. Slaughterhouse-Five wordt met regelmaat verboden, door schijnheilige schoolbesturen of ouderraden; die altijd zeggen dat het om de seks is, of de vloeken.

Zelf meent de auteur overigens dat zijn inspanningen geen enkel effect tegen de Vietnam-oorlog hadden.

When it became obvious what a dumb and cruel and spiritually and financially and militarily ruinous mistake our war in Vietnam was, every artist worth a damn in this country, every serious writer, painter, stand-up comedian, musician, actor and actress, you name it, came out against the thing. We formed what might be described as a laser beam of protest, with everybody aimed in the same direction, focused and intense. This weapon proved to have the power of a banana-cream pie three feet in diameter when dropped from a stepladder five-feet high.

Vonnegut verkoos het om niet zelf het belangrijkste personage te worden in zijn verhaal. Al komt hij nadrukkelijk wel in het boek voor. Hij begint namelijk meteen te vertellen geen vorm te kunnen vinden voor zijn ervaringen met dat ene bombardement. En Vonnegut rondde de roman aan het eind ook zelf af in de tekst.

Hoofpersoon is in plaats van hem de naïeve Billy Pilgrim. Een bonestaak van een jongen, die ongewapend en op geleende herenschoenen door het Ardennenoffensief doolt. Doordat de hak onder éen van zijn schoenen mist, hobbelt hij daarbij.

Tegelijk kan Pilgrim zich de naïviteit veroorloven. Ook hij weet wat er komen gaat, en dat hij dit overleven zal — in tegenstelling tot velen om hem heen — waarna een redelijk gelukkig bestaan als opticien op hem wacht in Ilium, New York.

Pilgrim leidt nog een parallel leven. Hij is ontvoerd door buitenaardse wezens, en wordt daar tentoongesteld in hun dierentuin op hun planeet ver ver weg. En soms is hij daar, in zijn hok, en soms is hij terug op aarde — zonder hier controle over te hebben. Daardoor reist hij heen en weer in zijn eigen leven, soms vooruit en een andere keer weer terug.

Het zal door dit gegeven zijn dat Slaughterhouse-Five in de lokale bibliotheek gerubriceerd stond bij de SF. Maar, zoals ik bij de dood van Kurt Vonnegut schreef, dat was voor mij een gelukje, en las ik hem op een moment dat dit nog grote invloed hebben zou.

En kunstgreep of niet, in deze roman werkt die onverwachte wisseling in perspectief telkens heel goed. Omdat Vonnegut daardoor steeds in staat was even een andere toon te gebruiken. Misschien dat zijn nadrukkelijke humor het minst houdbaar is gebleven bij hernieuwde kennismaking, maar de opluchting dat het niet steeds over die oorlog hoefde te gaan, bleef overeind. Slaughterhouse-Five blijft licht, en waarschijnlijk moest dat ook omdat juist de volstrekt ware gebeurtenissen in het boek te onvoorstelbaar zijn.

Deze roman was bij elke andere auteur, op basis van hetzelfde gegeven, waarschijnlijk ook prekerig geworden, en voorspelbaar, en daarmee saai. [1]

Mij overviel opnieuw verbazing over alle vrijheid die Vonnegut nam tegen het zo normale realisme in boeken met oorlog als thema. En dat hij zich die vrijheden met zo’n gemak kon veroorloven.

Het bombardement op Dresden diende geen enkel strategisch doel, de oorlog is er geen seconde door bekort. En Vonnegut haalde na publicatie van Slaughterhouse-Five de rest van zijn leven een leuk inkomen uit dit ene oorlogsfeit, als enige profiterend van iets dat tienduizenden mensen het leven koste. Het was de zoveelste ironie van het toeval waarover hij zich het hoofd schudde.

So it goes.

Kurt Vonnegut, Slaughterhouse-Five
Or
The Children’s Crusade: A Duty-Dance with Death

189 pagina’s
Delacorte, 1969
  1. Het is te lang geleden dat ik Mulisch’ Stenen bruidsbed heb gelezen om te kunnen vergelijken. Zo is deze uitspraak dan ook niet bedoeld []

Fatale reis ~ Alfred Döblin

Drie redenen waren er om eens een boek van Döblin te lezen. De belangrijkste daarvan is dat ik hem niet kende als auteur. Hoe groot zijn belang ook geschat wordt als vernieuwer van de Duitse literatuur, zijn bekendheid is nu eenmaal kleiner dan die van tijdgenoten als Thomas Mann, of Franz Kafka.

Tweede reden was dat ik Manhattan Transfer inmiddels las. De eerste roman waarin de grootstad ook een voornaam personage was, en die nogal bepalend zou zijn geweest voor Döblin’s klassieker Berlin Alexanderplatz — de roman over de moordenaar Franz Biberkopf. En Berlin Alexanderplatz is zo’n beroemd boek dat nog altijd eens moest. Alleen is het zelden aan te bevelen om met het meesterwerk van een auteur te beginnen — dat kleurt de verwachtingen te veel.

Derde en actuele reden was dat voor Döblin de Tweede Wereldoorlog begon in 1933, net als voor Golo Mann. Toen zij Duitsland verlieten, en in Frankrijk kwamen te wonen. Beide mannen slaagden er vervolgens in 1940 nog net in om via Marseille naar de VS te reizen. En de memoires van Golo Mann boden daar lang niet genoeg details over.

Schicksalreise [Fatale reis] biedt deze informatie wel.

Was Alfred Döblin [1878 – 1957] wel veel ouder dan Golo Mann. Vluchtte hij bovendien met vrouw en zijn jongste zoon uit hun woonplaats weg toen de Duitsers naderden in 1940.

Twee andere zonen bleven de hele oorlog in Frankrijk achter. Hun oogappel Vincent was zelfs al in de eerste oorlogsdagen gesneuveld en begraven. Daar kwamen de Döblin’s pas na de oorlog achter.

Hun oudste zoon woonde al in New York, en was daar van grote betekenis om de uitreis naar de VS mogelijk te maken.

Maar dat gegeven speelt pas ruim over de helft van het boek. Fatale reis is allereerst een bijzonder gedetailleerd verslag van Alfred Döblin’s vlucht naar Toulouse. Waarbij hij al snel gescheiden raakte van vrouw en kind, en de ontberingen grotendeels alleen moest doorstaan.

En heel erg kon dit verslag me niet boeien. Er leek me iets te ontbreken aan Döblin’s schrijven. Noem het zintuigelijkheid, noem het aandacht voor het juiste detail. Ik las nu vooral een opeenvolging van feiten. En daarmee niet echt een verhaal.

Toen ik hier over had nagedacht leek dit me mijn fout; ontstaan omdat ik de gebruikelijke vertelclichés had gemist. Een hoofdpersoon die moet vluchten is een standaardpersonage in fictie; en bij diens positie zijn dus blijkbaar ook standaard dramatische kunstgrepen gaan horen.

Toch, evenmin werd Fatale reis meer dan een verslag nadat de familie weer herenigt was, en Döblin misschien van zichzelf weer iets mocht voelen.

Tegelijk zal het voor welke autobiografische schrijver ook moeilijk zijn geweest om de angst over te brengen die de Döblin’s voelden in Marseille toen de uitreis niet bekostigd kon worden, en niemand hen van geld kon voorzien. De lezer weet immers al meer.

Döblin schreef het lange eerste deel van dit boek in 1940, liet het manuscript toen zeven jaar liggen, en vervolgde de tekst nadat hij weer in Duitsland was teruggekeerd. Daarbij moest hij en passant nog even mededelen ondertussen Katholiek te zijn geworden, en dit een grote rijkdom te vinden.

Merkwaardig genoeg was dit laatste boekdeel verder aanmerkelijk interessanter dan het eerste. Döblin’s verblijf in het verslagen Duitsland leverde daarin wel waarnemingen op zoals ik niet eerder las.

Zo was éen van zijn taken toen onder meer om de boeken en manuscripten te lezen van de Duitsers die waren gebleven; waarschijnlijk om te kijken wie een publicatieverbod moest krijgen, en wie niet. En weinig werk zal ooit treuriger zijn geweest.

Ook beschrijft hij hoe de bevolking op hem overkomt na twaalf jaar aan nazi-bewind.

De mensen zijn dezelfde als die welke ik in 1933 verliet. Maar er is heel wat met hen gebeurd. Ik constateer dat in de dagelijkse omgang met hen. Ze hebben dezelfde belangstelling, allures als vroeger, hebben onveranderd gevoel voor muziek, velen bezitten kennis. Maar ze zijn als geheel minder pluriform, minder persoonlijkheid dan vroeger. Ze maken op mij althans die van buiten komt, een veel uniformere indruk. Ze hebben per slot twaalf jaar lang weinig invloeden van buiten ondergaan en die invloeden waren in hoge mate gecontroleerd. […]

Ik heb de indruk en hield die de hele eerste tijd: Ik ben een huis binnengegaan dat vol rook hangt—maar de bewoners merken er niets van. [333]

Is er nog die eerste reis naar Berlijn weer in 1948, de stad die zo lang zijn woonplaats was, en die nu grotendeels in puin ligt. Waar ook de Alexanderplatz er dan nogal anders bijligt.

Alfred Döblin, Fatale reis
385 pagina’s
De Arbeiderspers,1982
privé-domein nr. 72
vertaling door Tine Ausma van ‘Schicksalreise’, 1980

Keerpunt ~ Klaus Mann

Meest geraakt werd ik in deze autobiografie door een datum achterin. Klaus Mann rondde het manuscript van Der Wendepunkt af in april 1949, met een nawoord dat hij dus dateerde. De maand daarop maakte hij eind aan zijn leven.

Daarmee had dit boek makkelijk kunnen lezen als éen lange zelfmoordbrief. Toch deed het dat niet. De tekst eindigt weliswaar met een brief, in 1945. Maar voor mij houdt het boek op als Klaus Mann in mei dat jaar zijn ouderlijk huis bezoekt nabij München, en dan de inrichting niet herkent. Na de confiscatie door de Nazi’s in 1933 is de villa dan ook verbouwd, om later nog dienst te doen als ‘Lebensborn’; een plek waar edel-Germanen van de SS blonde kindjes fokten bij geronselde vrouwen.

Der Wendepunkt [Het keerpunt] is door zulke details opvallend genoeg verhalend het beste boek dat ik las van de kinderen Mann — in het leesserietje dat spontaan ontstond toen de autobiografie van Golo Mann ergens in 1937 bleek op te houden.

Tegelijk zijn er tal van voorbehouden te maken. Afstand tot wat er gebeurd is tussen 1914 en 1945 ontbreekt; anders dan in de veel beschouwender autobiografie van Golo Mann.

En had ik deze autobiografie apart van die andere boeken gelezen, dan was mijn reactie waarschijnlijk minder enthousiast geweest. Maar doordat zo veel details over het gezin Thomas Mann me nog zo bij stonden, verrijkte het mijn lezen nogal om vergelijkbare verhalen door verschillende stemmen te horen vertellen. Ook al omdat de gegeven details niet altijd overeenkwamen.

Details uit het ene boek kunnen zelfs beschrijvingen in een ander boek nog onverwacht aanvullen. Of eerder gelezen passages met terugwerkende kracht ineens begrijpelijk maken.

Was er ook nog het dagboek dat ik al las van Klaus Mann [1906 — 1949], met de kennis over zijn drugsgebruik die dat opleverde. Of hoe hij telkens verlossing zocht in vluchtige sex met mannen.

Die openheid ontbreekt in een boek uit 1949. Het taboe op de openlijk beleden homosexualiteit ten tijde van publicatie maakt dat Der Wendepunkt weleens vreemd leest. Bij iedere vriend waar Klaus Mann enthousiast over schreef, was er dat vraagteken.

Andere passages lezen evenwel verrassend open, met de ogen van nu — dus voor wie weet dat ook André Gide homosueel was.

Zo deed Gide voor mij, wat Freud, Nietzsche, Dostojevsski, X en Y, volgens zijn eigen uitspraak eens voor hem hadden gedaan: hij gaf mij de moed mij zelf te zijn. Ik doel daarbij niet op het erotische, zoals ik om ieder misverstand te voorkomen duidelijk wil benadrukken; juist op dat gebied had ik nauwelijks aanmoediging nodig… [252]

Waar ik van tevoren graag meer over had willen lezen in Der Wendepunkt viel wat tegen in het boek.

Klaus maakte met zijn oudere zus Erika Mann een wereldreis in de jaren 1927-1928. Daarbij ontbrak het hen telkens aan geld. Niet zelden duurde het daarom weken voor ze weer verder konden. Thomas Mann betaalde later ook met het geld dat hij voor de Nobelprijs kreeg de schulden af die zijn oudste kinderen hadden gemaakt op die reis.

Het hoofdstuk over die periode van zwerven, en wat die tijd hen gebracht had, was vlak. Nu goed, er bestaat ook een apart boek over de wereldreis; het werk van een lezer is nooit af.

Maar misschien kwam die vlakheid ook omdat er nog zo veel gezworven moest worden daarna. En dan niet om de lol. Toen de Nazi’s opkwamen, en Klaus Mann bij de eersten was die het Duitse staatsburgerschap werd ontnomen; vanwege zijn polemische geschriften.

Wat Mann schrijft over die exil-jaren en de tijd in de VS vond ik het interessantst. Mede om de tijdschriften die hij opzette — in Nederland en Amerika — de grote namen die daarin publiceerden, en het simpele gegeven dat de bladen toch al gauw ophielden te bestaan; omdat ze financieel nooit uit konden.

Toch is dit boek vooral sterk in de details en de terzijdes. Als Mann midden jaren dertig terloops opmerkt in tijden van zelfmoord te leven, bijvoorbeeld. En dan naar aanleiding van de zelfgekozen dood van een vriend even nagaat wie zich recent nog meer tekort hadden gedaan.

Klaus Mann, Het keerpunt
Een autobiografie
Met een nawoord van Frido Mann

603 pagina’s
De Arbeiderspers, 1985
privé-domein nr. 87
vertaling door van Willem van Toorn van: Der Wendepunkt, 1949

1945: biografie van een jaar ~ Ian Buruma

Toen de vader van Ian Buruma meteen na de oorlog rechten ging studeren, liet hij zich ontgroenen. Mee deed hij aan dat aloude ritueel waarin oudejaars de jongeren intimideren. En koeioneren. Opdat de juiste corpsgeest van hen bezit zal nemen.

Punt was alleen dat vader Buruma op dat moment al 22 was. En net een oorlog had overleeft, waarin hij zich als dwangarbeider staande had moeten houden in Berlijn; tijdens de driedubbele terreur van Nazi-baasjes, de bombardementen door de Britten en Amerikanen, en de aanval over land van de Russen.

Ian Buruma vond het daarom onbegrijpelijk dat zijn vader zich die ontgroening had laten aanleunen. Ook al omdat diens verklaring hem niet voldeed dat er bij iedereen zo’n groot verlangen was naar normaliteit. Dat alles liefst weer ging zoals het altijd was gegaan.

En uit dat onbegrip lijkt dit boek te zijn ontstaan.

Nog altijd is de Tweede Wereldoorlog niet helemaal afgelopen. Dat Noord- en Zuid-Korea gescheiden zijn, blijft een rechtstreeks gevolg.

En zelfs in het actuele nieuws over Oekraïne had aandacht kunnen worden besteed aan een paar volken zonder land, die in 1945 buiten de boot vielen toen de wereld op achternamiddag even politiek werd herverkaveld door de overwinnende partijen.

The Year Zero gaat over het einde van de Tweede Wereldoorlog, en wat vervolgens gebeurde. Het is de biografie van een jaar, zoals de ondertitel ook aangeeft, van toen er nog even miljoenen mensen sterven zouden, het op vele plaatsen vrede werd, en de overlevenden verder moesten met hun bestaan.

Door het verhaal van zijn vader terloops te gebruiken, komt ook de situatie in Nederland aan bod. Alleen was die vrij atypisch — behalve dan dat hier een opvallend groot deel van de joodse bevolking was weggevoerd, en dat grote delen van de beroepsbevolking daaraan hebben meegewerkt.

Maar werkelijk massale afrekeningen met collaborateurs, zoals elders wel plaatsvonden, waren hier niet. Buruma gebruikt zijn kennis van Japan om ook over de situatie daar te vertellen — en in het Oosten ging het echt anders.

Dit boek is daarom nogal gruwelijk — ook al stipt Buruma de talloze doden overal en andere misdaden amper aan. Gedetailleerde beschrijvingen ontbreken gelukkig. Ook al waren die niet echt nodig.

Wat het jaar 1945 verder kleurde, was de enorme levensdrang van hen die alles overleefd hadden. ‘Alles zoop en naaide’ schreef Remco Campert later, ‘heel Europa was een groot matras/ en de hemel het plafond/ van een derderangshotel.’

En wat The Year Zero voor mij daarmee bovenal tekende, waren de beschrijvingen van hoe de oorlog meehielp om de positie van de vrouw te normaliseren. In nogal wat Europese landen kregen zij wat later eindelijk stemrecht. Was er die sexuele bevrijding ook nog, in de landen die door de geallieerden werden ontzet, en de bevrijders helden waren, terwijl de oorlog de eigen mannen tot sukkels had gemaakt; en daarmee had ontmand.

Buruma’s boek vulde voor mij een leemte, waarvan ik op boeklog al eens had aangegeven dat die er was. Van de oorlog en de bezetting kon ik me namelijk wel zo ongeveer inbeelden hoe die was geweest. Over de periode van de vrede en het bijbehorende normale leven is me ook weinig nieuws te vertellen.

Alleen was niet het dadelijk vrede. Of normaal. Die normaliteit moest eerst veroverd worden. En dat ging met schokken.

Ian Buruma, 1945; Biografie van een jaar
400 pagina’s
Atlas Contact, 2013
vertaling door Arthur Wevers van The Year Zero, 2013

Parijs dagboek 1941-1943 ~ Ernst Jünger

Bij de herdenking van 70 jaar D-Day viel me op hoe veel mensen het alsnog nodig vonden het belang van de invasie in Normandië ‘te bewijzen’. Dat die heeft plaatsgevonden, volstaat blijkbaar niet. Want, als de Geallieerden geen tweede front hadden geopend in West-Europa …

‘Dan had de Tweede Wereldoorlog langer geduurd.’

‘Dan waren de Russen verder naar het westen opgerukt; en wat had dat niet betekend voor ons.’

‘Dan was er een atoombom op Berlijn gedropt.’

En van zulke retorische uitspraken waren er meer.

Toegegeven, onder historici is er een stroming die zich bezighoudt met geschiedenis die nooit plaats heeft gehad. Meestal gaat het daarbij overigens om economische ontwikkelingen. Deze school van geschiedschrijvers houdt zich bezig met ‘counterfactual analysis’. En als dan bijvoorbeeld onderzocht wordt wat de economische betekenis van de slavernij in het Zuiden van de VS precies was — door in een economisch model alle dwangarbeid ineens te schrappen — dan kan zo’n alternatieve geschiedenis ook best werken. Soms.

Daarbuiten vind ik het allereerst merkwaardig om er geen genoegen mee te nemen dat een historische gebeurtenis er was.

Gebeurd is gebeurd.

En wat er zo’n moment precies geschiedde, is al moeilijk genoeg om in woorden te vangen. Speculeren over alternatieven hoort niet tot mijn favoriete gezelschapspelen, zal nu wel duidelijk zijn. Want wie ook het toeval loslaat in zijn beschouwingen over het verleden, vergroot het aantal mogelijkheden nogal eindeloos.

Wat had kunnen gebeuren, gebeurde niet. Punt.

Ik herlas Ernst Jünger’s Parijse dagboeken om te zien wat hij ook weer aantekende op 6 juni 1944. Waarbij onder meer opviel dat de invasie al even verwacht werd. In mei van 1944 tekende hij al op een inval te verwachten, zoals in 1939 iedereen ook wist dat er oorlog zou komen.

De invasie in Normandië is verder niet eens de enige was dat hij notitiewaardig achtte deze dag. Al zag hij ook:

Het betreft ongetwijfeld het begin van de grote aanval, die deze dag tot een historische datum zal maken. Ik was toch verrast, juist omdat er zo veel over georakeld was. Waarom nu en hier? Dat zijn vragen waarover men nog in de verre toekomst zal praten. [253]

Daarop schreef Jünger nog een passage over een boek dat hij net gelezen had: Die Geschichte des Heiligen Ludwig.

En dat is niet vreemd. De dagboeken boden Jünger’s een retraite uit de wereld. Daar komt betrekkelijk weinig oorlog in voor — zodat de schaarse passages die er wel aan gewijd worden des te opvallender zijn.

In het begin van zijn Parijs dagboek 1941-1943 woonde Ernst Jünger bijvoorbeeld voor het eerst van zijn lange leven in het leger een executie bij, waarbij hij nogal wat moeite heeft genomen alle details weer te geven die hem daarbij opvielen.

Veel vaker gaat het evenwel over wat hij las, welke bekende Fransen hij ’s avonds ontmoette, wat zijn eigen schrijfplannen, en aan welke kwaaltjes hij leed.

Deze lezing bevestigde overigens dat ik toch echt Strahlungen lezen moet — de verzameling van al Jünger’s oorlogsdagboeken. Want de beide deeltjes privé-domein brengen zoals gewoonlijk enkel een stukje van een veel groter geheel.

[ is vervolgd ]

Ernst Jünger, Parijs dagboek 1941-1943
Vertaald door Tinke Davids
met een nawoord van Jan Ipema
280 pagina’s
De Arbeiderspers, 1986
privé-domein nr. 123

Parijs dagboek 1943-1944 ~ Ernst Jünger

Jünger werd plots weer actueel toen de iPhone op de markt verscheen, en hij in 1949 al voorspeld bleek te hebben dat iedereen met een smartphone op zak zou gaan lopen. Al heet dat apparaat de Phonophore bij hem, in de roman Heliopolis. Alles wat zo’n klein slim apparaatje kan — zoals het toegang bieden tot bijna alle informatie ooit door mensen geproduceerd — had Jünger al voorzien. Hoogstens schortte het nog aan wat details.

Voor Ernst Jünger was de phonophore het logische uitvloeisel van de kwaliteiten van radio en telefoon. Dat ook beeld, laat staan bewegend beeld, in zo’n zelfde apparaatje gevangen zou kunnen worden, was net éen stap te ver.

Sinds deze parallel opdook, wilde ik Heliopolis lezen. Al was het enkel om de vraag wat Jünger had gedaan met het gegeven dat zo’n handig apparaat tegelijk ook werkt als peilzender; waarmee een overheid op elk moment van elke onderdaan weet waar deze is, en hij of zij vandaan kwam. Jünger meldde al dat het bezit van de phonophore zou helpen om iemand te vinden in nood.

Ernst Jünger [1895 — 1998] hield er alleen een wat merkwaardig magisch wereldbeeld op na — dat voor mij zijn werk moeilijk leesbaar maakt.

In de Parijse dagboeken gaat het dan nog wel, met de voorafschaduwingen, en alle andere bewijzen dat alles met alles in verbinding staat.

Als hij in 1943 het gebombardeerde Hannover bezoekt — de stad van zijn jeugd — en daar ziet hoe er enkel herinneringen resten aan het huis van zijn grootmoeder, is er tegelijk een ander besef. In 1937 al heeft Jünger de steden van Europa in brand zien staan. Zo beschouwd viel het in Hannover dus nog wel mee.

Net zo wist hij voor de oorlog al wat er met de joden zou gebeuren. Hun lot lag vast.

Dagboeken als deze lees ik dan ook om andere redenen dan dat ik de auteur nu zo’n boeiend denker vind. Feit blijft simpelweg dat Ernst Jünger al een schrijver was, en daarmee een geschoold waarnemer. Zelfs in aantekeningen waarin hij zich eigenlijk verschuilt voor wat er in de werkelijkheid gebeurt, komen nog genoeg details uit die werkelijkheid terug om de Parijse dagboeken tot interessante lectuur te maken.

Helpt het soms ook als daar dan een oordeel bij wordt gevoegd.

In 1943 al lijkt de afloop van de oorlog voor Jünger bijvoorbeeld onvermijdelijk. Hitler — die bij hem Kniébolo heet, de dagboeken mochten eens gevonden worden — klinkt voor hem dan in dien toespraken als een bankroet man die zijn schuldeisers probeert te paaien door ze onmogelijk grote bedragen te beloven.

Het Tweede Parijse dagboek eindigt als de Wehrmacht de stad verlaat, bij de nadering van de Geallieerde troepen. Dan ook hebben Duitse officieren elders geprobeerd om Adolf Hitler om het leven te brengen. Jünger zag evenwel niets in die vorm van tirannicide — Der Führer was slechts éen kop van de Hydra — ondanks alle minachting die legerofficieren als hem altijd voor Hitler hadden gehad.

En daarmee wil ik nu eigenlijk weten hoe het verder ging met Jünger. Zoals wat er geworden is van de schrijfplannen die hij in zijn dagboeken ontvouwde.

Want de dagboeken tonen allereerst iemand die zijns ondanks meehelpt om een systeem draaiende te houden; zonder daar nu verder veel geloof aan te hechten. Bovendien is Jünger alle krijgshaftigheid kwijt, die zijn vroege romans — over de strijd in de Eerste Wereldoorlog — tot zulke merkwaardig ver in de tijd achtergebleven boeken maken.

Pas wie zijn illusies kwijt raakt, kan een eindje richting wijsheid opschuiven, lijkt me.

Ernst Jünger, Parijs dagboek 1943-1944
Vertaald door Tinke Davids
286 pagina’s
De Arbeiderspers, 1988
privé-domein nr. 149

Dubbelleven ~ Gottfried Benn

Twee delen bevat deze autobiografie die de dichter Gottfried Benn oorspronkelijk uitbracht in 1950. Het eerste boekdeel is een herdruk van essays die hij publiceerde in 1933, toen hij nog behoorlijk pro-Hitler was. Want er moest heel wat veranderen in Duitsland.

En het zou me niet verbazen als ik indertijd — het boek staat al twintig jaar bij mij in de kast — ben blijven hangen in dit vreselijke eerste stuk.

Tekstpassages daarin zijn namelijk bijna onleesbaar, om de gezwollen, haast negentiende-eeuwse stijl, en de menigte gillende uitroeptekens.

Komt daar de kwalijke inhoud nog eens bij; met al zijn dubieuze theorieën. Benn doet namelijk onder meer obsceen veel moeite om aan te tonen hoe Arisch hij is — en dat zijn moeders naam niet joods is, maar Zwitsers-Frans.

Al deze bezweringen blijken Benn vervolgens niet eens geholpen te hebben. Uit de apologie in het tweede deel van het boek blijkt dat hij bij de Nazi’s al snel uit de gratie was. Zijn gedichten werden te ontaard geacht. Waardoor de maker evenmin deugen kon als mens. Dus werd Gottfried Benn [1886 – 1956] al spoedig uit de Reichskulturkammer verbannen; wat onder meer betekende dat hem straf zou worden opgelegd als hij nog eens iets schreef.

En deze beoordeling van hem als auteur woog vervolgens nog weer mee op Benn’s werk als arts. Hem restte uiteindelijk weinig anders dan om dienst te nemen in het leger; om daar te beoordelen hoe ernstig het restletsel was van ooit gewonde soldaten. En zijn meerderen werden herhaald bestookt met bevelen van buiten om Benn het leven verder onmogelijk te maken — die zij verder tactisch negeerden.

Geloof ik Benn nu, na dit boek? Nee.

Voor mij liet Dubbelleven iets heel anders zien. Hoe het is om meegesleept te worden in de geschiedenis, door krachten en machten veel groter dan jou. En bijvoorbeeld ook hoe simpel het is om grote uitspraken te doen over zaken waar je nog nooit goed over lijkt te hebben nagedacht — zoals Gottfried Benn doet in die essays uit 1933.

Meest ontroerende tekst in die boek kwam ook niet van Benn, maar van Klaus Mann, die hem in een brief waarschuwde om toch vooral niet in alle politieke propaganda te geloven. Gottfried Benn antwoordde hem toen nogal hooghartig. Zoals hij ook zelf toe geeft.

Maar dat was later.

Net als dat Benn zich later ook verontschuldigd voor zijn houding pro-Hitler, omdat het hem leek dat deze volkomen democratisch aan de macht was gekomen. Wat daarmee een extra goed ding was.

Gottfried Benn, Dubbelleven
Vertaald door C. van Grafenberg
ingeleid en geannoteerd door K. Siegel

252 pagina’s
De Arbeiderspers, 1986
privé-domein nr. 126
vertaling van Doppelleben, 1950, 1966, 1977

Vergelding ~ Jan Brokken

Nogal wat ideeën over de Tweede Wereldoorlog zijn pas ruim na die oorlog ontstaan — en kregen daarbij dan bovendien allereerst een nationale kleur. De Britten spreken nog altijd over hun ‘finest hour’, Nederlanders voelen zich nog immer geslachtofferd; terwijl geen land ondertussen zo naarstig meehielp zijn joodse bevolking weg te voeren. En alle Fransen zaten achteraf in het verzet; hoewel hun regering collaboreerde, en een buitenstaander als De Gaulle tijdens de oorlog nauwelijks op enige steun rekenen kon van landgenoten.

Wie zich daar geen rekenschap van geeft; en als een schrijver denkt deze tijd wel even als decor te kunnen gebruiken voor een roman; vult zo’n boek al gauw met fouten en anachronismen. Als er al geen Kitsch geschapen werd, door de periode verregaand te romantiseren.

Dit acht ik een vrij simpele zaak. Maar enkel al door iemands onnozelheid in deze aan te wijzen, schijn ik een auteur hogelijk beledigd te hebben; want zeven jaar later zaten hem mijn woorden nog hoog. Al verzwijgt hij inmiddels wel hoe hij daarop meende wraak te moeten nemen door een Berufsverbot te eisen bij de autoriteiten.

Jan Brokken is wijzer. Halverwege De vergelding moest hij wel de vraag aan de orde stellen of het verzet misschien een rol had gespeeld bij de dood van een Duitse soldaat die hij probeerde te reconstrueren.

Hij schrijft dan:

Ook in de laatste twaalf oorlogsmaanden namen weinig vaderlanders actief deel aan het verzet en hielden de meeste de veilige kant. Dat wist ik. Wat ik niet wist is dat de ondergrondse met een bang oog werd bezien en tegen het einde van de oorlog zelfs met een boos.

Het verzet was niet populair in de oorlog. Het ontzag voor de acties van de ondergrondse ontstond pas in de jaren zestig toen iedereen veilig voor de televisie zat en naar de serie De bezetting keek. Tijdens de oorlog vreesden ze in een dorp als Rhoon de illegale heldendaden minstens even sterk als de Engelse bombardementen die bij vergissing werden uitgevoerd. Na een moedige verzetsactie volgde bijna altijd een laffe vergelding van de bezetter die onschuldige burgers het leven kostte. […][195]

Hem onthutste deze ontdekking.

Mij lijkt het een cruciaal gegeven. Een TV-serie als De bezetting, en het werk van historicus Lou de Jong in het algemeen, brachten een gekleurde geschiedenis. Waarin de oorlogsjaren bekeken werden in zwart-wit termen. Goed of fout. Terwijl er heel weinig echt goeden waren, netzo min als er heel weinig echt fouten waren.

Het grootste gedeelte van de bevolking stelde zich op de omstandigheden in, en bleef zo goed en kwaad als kon afzijdig; die accommodeerde, in de woorden van de historicus Kossmann.

In De vergelding onderzocht Jan Brokken een tragisch gegeven waarover in het dorp van zijn jeugd altijd gezwegen werd.

Op een buurtje vlakbij Rhoon, onder Rotterdam, kwam op een avond in oktober 1944 een Duitse soldaat om het leven. Hij bleef hangen aan een stroomdraad die er los over de dijkweg lag.

En het Duitse gezag nam daarop al improviserend wraak. Mannen uit het buurtje werden op een rij gezet om te worden doodgeschoten, en een omstander die protesteerde tegen deze gang van zaken, werd domweg naast de anderen gezet. Vervolgens werden er enkele huizen, van de gefussileerden, in brand gestoken.

Maar doordat deze represaillemaatregelen niet volgens de regels waren verlopen, werden ze een oorlogsmisdaad. En de verantwoordelijke officier is daar uiteindelijk voor vervolgd ook.

Het punt van dit boek is vervolgens dat van zo’n vervolging wegens oorlogsmisdaden wel sporen terug te vinden zijn in de archieven. Over de aanleiding tot de hele zaak is bijna alles duister — hoe kwam die stroomdraad daar los te liggen? En wat deed die Duitse soldaat daar in het donker op de dijk? — dus moest Jan Brokken nogal wat gissen; daarbij mede voortbordurend op de oral history die anderen lokaal al voor hem hadden opgetekend.

Dus werd dat schijnbaar afgebakende verhaal ook het grotere verhaal over een heel dorp in de oorlog. Wie er wat deed, en hoe de verhoudingen liepen.

Weegt bovendien mee dat Jan Brokken in zijn jeugd familieleden leerde kennen, van degenen die waren gefusilleerd; en daar dan toch verbazingwekkend normaal onder waren gebleven.

Brokken is schrijver genoeg om daar dan een helder boek over te kunnen maken — zij het dat ik De vergelding in het middendeel te lang vond.

Maar bovenal liet het boek me nadenken over het gegeven dat er honderden, zo niet duizenden verhalen zijn te schrijven, over wat er in ’40-’45 lokaal heeft plaatsgehad; en daar hoogstens de decennia daarop nog indruk zal hebben gemaakt. Wat dan weer de vraag oproept waarom mensen per se verhaaltjes willen gaan verzinnen die zich afspelen in de oorlogsperiode.

Hoe vaak kom ik op mijn fietstochtjes niet verwijzingen tegen naar verzetsmonumenten?

Jan Brokken, De vergelding
Een dorp in tijden van oorlog

383 pagina’s
Atlas Contact, 2013

Liever Holland dan heimwee ~ Hans Keilson

Vlak voor het einde van Hans Keilson’s lange leven [1909 — 2011] werd hij nog even een mediahype. The New York Times had hem een genie genoemd, om zijn hier al decennia vergeten romans Der Tod des Widersachers en Komödie in Moll. En pas als het buitenland het zegt, kan iets goed zijn. Dus verscheen Keilson zelfs nog als honderdjarig curiosum in het doorgaans zo nietserige TV-programma De Wereld Draait Door.

De bloemlezing Liever Holland dan heimwee zie ik, na lezing, als een verlengde van die mediahype.

Weliswaar nam de samensteller slechts een selectie op uit de essays en herinneringen die Keilson bij leven opschreef. Dan nog is de overlap tussen de teksten te groot. Het meeste opgenomen materiaal dateert uit de laatste decennia van Keilson’s leven, en bestaat dan vaak uit een lezing, of een herdenking; gelegenheden waarbij dezelfde anekdotes steeds weer langs komen.

Had de samensteller van het boek die gebeurtenissen trouwens ook al verwerkt in diens inleiding.

Dus las ik een paar keer te vaak dat zijn eerste vrouw, die grafoloog was, in het handschrift van Hitler zag dat deze man de wereld in brand wilde steken.

Interessant is Liever Holland dan heimwee om twee dingen, desalniettemin. Waarvan het eerste aspect vaker op boeklog langskomt. Het blijft fascinerend om Nederland te zien door de ogen van een nieuwe inwoner — zelfs als deze in de jaren dertig naar hier vlucht om de Nazi’s.

Typisch Hollands is bijvoorbeeld het gesprek dat Keilson voor de oorlog voerde met een Nederlandse autoriteit, om zijn Duitse artsenopleiding hier erkend te krijgen. Deze man legde beminnelijk uit dat de medische wetenschap hier van zulk een onmetelijk hoog niveau was dat Hans Keilson hoogstens de propedeuse van de studie medicijnen geschonken kon worden. De standaardreflex.

Keilson vroeg daarop hoeveel tijd de studie hem vervolgens nog kosten zou.

Vier, vijf jaar, was het antwoord.

O, dan is het toch allang oorlog, zei Keilson om aan te geven dat hij zo veel tijd niet had. Daarmee de Nederlander wel plots confronterend met een werkelijkheid die deze liever niet onder ogen zag.

Ook het derde gedeelte van deze bloemlezing is interessant. Hans Keilson bekommerde zich in de oorlog al om de geestelijke zorg van ondergedoken kinderen, en hielp nadertijd oorlogsslachtoffers om hun leven weer te normaliseren. Daar schrijft hij in dit boek met afstand over.

Heel lang heeft Keilson als psychoanalyticus gewerkt.

Betrapte ik mijzelf er toch wel op graag meer te hebben gelezen over wat Keilson zag in Freud; omdat deze al sinds zijn middelbare schooltijd een grote invloed had. Sigmund Freud is voor mij allereerst de Weense kwakzalver, die Karel van het Reve erin zag. Maar, zoals voor alle dwaalleren geldt in de zorg, als ze ondanks alle bezwaren positief uitwerken op patiënten, hoeft daar niet per se iets op tegen te zijn.

Hans Keilson, Liever Holland dan heimwee
Gedachten en herinneringen

264 pagina’s
Van Gennep, 2012
ingeleid en vertaald uit het Duits door Piet de Moor

Aantekeningen over de vijand ~ Armando

Eigenzinniger boeken dan dit zullen er niet veel in mijn kasten staan. Aantekeningen over de vijand van Armando [1929] onttrekt zich alleen al aan alle vaste genreaanduidingen.

Vanzelfsprekend, er staan aantekeningen in. Het boek biedt op elke pagina meestal vier à vijf losse passages, die soms zelfs niet langer zijn dan éen zin. Alleen blijft onduidelijk van wie deze opmerkingen komen. Het vertelperspectief kan namelijk wisselen van aantekening naar aantekening.

Zelfs de verteltijd is niets steeds dezelfde. Soms speelt de strijd tegen de vijand — wie of wat dat dan ook zijn mag — nog steeds, als de uitspraak gedaan wordt. Op andere momenten is er duidelijk sprake van een terugblik naar een eerdere periode, die door de afstand in tijd al wat onbegrijpelijk aan het worden is.

Sommige zinnen zouden daardoor bijvoorbeeld zo citaten van Nederlandse SS’ers kunnen zijn, die Armando ooit interviews afnam; tezamen met Hans Sleutelaar.

Weer andere opmerkingen lijken dan weer naar de schrijver zelf te verwijzen. Deze groeide op in de omgeving van waar in de oorlog Kamp Amersfoort was. Daar viel hem op dat nogal wat in daar onverschillig bleef onder de oorlog:

Ik noem het ‘schuldig landschap’. Ik kan ook zeggen ‘vijandig landschap’. Goede voornemens. Het landschap zal door mijn toedoen in z’n schulp kruipen, wees daar zeker van. Ik ga behoedzaam in de aanval. We gaan het landschap aanpakken. We gaan heersen. [83]

De bomen en struiken trokken zich niets aan van wat er in het Kamp voor ellendigs plaatsvond. Die liepen gewoon de normale cycli door van groei en bloei en bladafval.

Zelfs toen het Kamp verdwenen was, stonden de bomen eromheen er altijd nog wel. Als stomme getuigen. Schijnbaar onveranderd.

Het begrip ‘Schuldig landschap’ werd voor Armando een belangrijk motief in zijn schilderijen; die doorgaans nogal zwart zijn. Ik weet niet of hij dit boek nodig had om de frase te bedenken, of dat die er al eerder was. Het zou me alleen niet verbazen dat dit hem deze woordcombinatie opleverde. In Aantekeningen over de vijand worden namelijk ook andere formuleringen uitgeprobeerd:

Geen enkel landschap is te vertrouwen. Ik wantrouwde het allang, allang. Achterbaks landschap! [17]

scheiding

Gebieden waar hevig gevochten is. Lopen over een lange, smalle brug. Geen geluid. Dit landschap, dit zwaarmoedige landschap. [107]

Het boek opent met een motto van Nietzsche, die daaraan stelt dat we geen grotere vijand zullen ontmoeten dan onszelf.

En al lijkt deze uitgave dan door Armando’s biografie een uitgave over de Tweede Wereldoorlog te zijn. Tegelijk gaat dit boek daar nooit direct over. In de aantekeningen blijft ongenoemd wie die vijand precies zijn zou. Hoogstens worden diens eigenschappen geschetst. En zelfs die zijn niet altijd dezelfde.

Neenee, het gaat om ‘de vijand’. Een tegenstander is iets heel anders. Van een tegenstander kun je winnen of verliezen. Met een tegenstander kun je je meten. Met een vijand niet. Je moet je tot het uiterste blijven verzetten tegen de vijand, maar hìj zal overwinnen. Van de vijand valt niet te winnen. Hij is onaantastbaar. [152]

scheiding

Toch heeft de vijand iets kranigs. [68]

En daarom blijft het raadsel bestaan. Bij eerste lezing indertijd was Aantekeningen over de vijand een wonderbaarlijk krachtig boek. Terwijl een tweede kennismaking nu juist irritatie bracht; omdat de inhoud zo ongrijpbaar beknopt is, dat de lezer onder het lezen zijn eigen boek mag gaan bedenken.

Ook nu, bij de derde keer, kon ik niet helemaal de ergernis loslaten iets gelezen te hebben dat voor een groot deel ook een trucje is. Maar een hoogst intelligent trucje dan toch wel. Zeker.

Lang alle boeken niet zijn te herlezen, kortom.

Armando, Aantekeningen over de vijand
156 pagina’s
Em. Querido’s Uitgeverij 1985, oorspronkelijk 1981

Jongensuur ~ Andreas Burnier

Mijn grote vooroordeel tegen Nederlandse romans die in de Tweede Wereldoorlog spelen, heeft me weer eens weggehouden bij een klein meesterwerk. Marc van Oostendorp had gelijk onlangs met zijn lof voor Het jongensuur van Andreas Burnier [1931 — 2002].

Bijzonder aan dit boek is alleen al dat het klein en direct blijft in de beschrijvingen van wat er allemaal speelde in de periode 1940-1945 en direct daarna. De verstelstem in het boek is die van een meisje dat mettertijd tot jonge vrouw wordt. En deze stem laat veel ruimte aan de lezer over om eigen conclusies te trekken bij wat er wordt gezegd.

De roman begint ook met een hoofdstuk dat speelt na de bevrijding. Waarmee Andreas Burnier meteen al éen mogelijk verhaalelement heeft uitgebannen. Een boek dat in de oorlog speelt, met al zijn geweld, is automatisch spannend als de normale chronologie wordt aangehouden; omdat dan tot het einde een vraag blijft wie er overleeft. Burnier zocht deze spanning niet.

Bovendien rekende de auteur in dat beginhoofdstuk meteen al af met het algemene optimisme dat er was na de oorlog, dat nu alles anders worden zou. De hoofdpersoon kon alleen nog altijd niet zwemmen op een moment dat zij daar zin in had. Weggejaagd werd ze omdat enkel jongens dat uur in het bad mochten zijn. Uitsluiting op arbitraire gronden was gewoon blijven bestaan.

De volgende hoofdstukken tellen terug, tot en met het eerste oorlogsjaar, en bestaan dan telkens ook uit zedenschetsen. Want het joodse meisje Simone leeft al vroeg ondergedoken, gescheiden van haar ouders, op wel heel verschillende schuiladressen. Variërend van stadse Steiner-adepten tot bij boeren op het platteland.

En het is telkens vooral haar blik — en daarmee hoe ze vertelt over wat ze meemaakt, wat daarbij dan even het nieuwe normaal werd, en haar fantasieën om deze werkelijkheid aan te willen passen — die deze roman zo bijzonder maakt.

Er is ook slechts éen klein euvel waarom ik dit uiteindelijk net niet het geniale boek vind dat het had kunnen zijn; éen punt waarom de roman nu even niet het boekloglabel aanbevolen krijgt. Want, de auteur grijpt in de eerste hoofdstukken weleens in de gedachten in van het meisje dat het verhaal vertelt. Burnier kon het niet nalaten om haar hoofdpersoon — die zo op haarzelf zal hebben geleken — vanuit 1969 een enkele maal net iets wijzer te maken dan ze had kunnen zijn.

Vervalsinkjes vind ik dat, van het bijzondere geluid dat het boek draagt. Tonen die daar niet horen.

En dan zijn er waarschijnlijk lange discussies te voeren over de vraag of auteurs niet werkelijk alles mogen in hun teksten — en of dat daar niet toch grenzen bestaan daarin.

Voor mij was het ditmaal simpel. Mij vielen de ingrepen van buiten op, want ik werd daardoor uit het eigenlijke verhaal geworpen. De ‘willing suspension of disbelief’ was daarmee voor even opgeheven. Ik wist weer een boek aan het lezen te zijn. En altijd als een auteur dat bewerkstelligt, deugt er toch ook iets niet aan zijn of haar werk.

Andreas Burnier, Het jongensuur
104 pagina’s
Em. Querido’s Uitgeverij 1979, oorspronkelijk 1969

Bernhard ~ Annejet van der Zijl

Eerder schreef ik al eens dat de biografie als genre voortkomt uit de traditionele heiligenlevens en de portretten van grote mannen. Die geschreven werden opdat wij van hun deugden zouden leren. En dat biografen daarom misschien tegenwoordig weleens naar het andere uiterste doorschieten — waardoor het kan lijken of het hen in hun boek allereerst te doen is om de betekenis van de geportretteerde sterk te relativeren. Ook die was slechts een mens, met vaak behoorlijk menselijke fouten.

Alleen kon Bernhard van Annejet van der Zijl vooraf al niet naar een van beide uitersten doorschieten. Want wijlen prins Bernhard [1911 — 2004] was bij leven al te vaak kritiekloos geportretteerd als een schalkse charmeur, enorm geliefd bij de veteranen. En andersom hadden tegenstanders van het koningshuis hem al te vaak afgeschilderd als de baarlijke duivel.

Wat deze biografie daarom allereerst in de tijd lijkt aan te brengen is een betere maat. Simpelweg door de feiten te laten spreken.

Want wat Bernhard over zijn eigen leven verteld heeft, was zelden de hele waarheid; hoogstens nog net een fel dramatisch ingekleurde versie daarvan.

En dat zo veel anderen kritiekloos geloofden bijvoorbeeld dat hij model zou hebben gestaan voor James Bond zegt toch ook allereerst iets over hen.

Maar hem zaken in de schoenen schuiven als de Stadhoudersbrief, of het verraad van de Slag om Arnhem in de Tweede Wereldoorlog, is al evenzeer niet zo zinnig. Van zo veel betekenis is de man helemaal niet geweest in die tijd. Zo belangrijk was hij nooit. Bernhard werd indertijd rustig overal buitengehouden — wat hij nadien alleen natuurlijk moeilijk kon beamen, omdat zo velen hem zo graag als hun oorlogsheld wilden zien.

De biografie Bernhard is daarom allereerst een boek over een verstandshuwelijk. Over hoe in de jaren dertig de hele Nederlandse diplomatieke dienst op zoek was naar een echtgenoot voor het enigste kind van koningin Wilhelmina. Een wat plompe ongracieuze dochter was dat, die een weinig aantrekkelijk Hof representeerde, in een ook al niet bijster interessant land.

Dook er vanuit de horden machteloos geworden prinsen in de Weimarer Republik zowaar eentje op die zowel de koningin als haar dochter wel beviel — ook al viel het aan anderen op dat deze jongeman zich heel wat beter voordeed dan hij was.

Juliana bloeide zelfs duidelijk op in de eerste jaren van haar relatie met Bernhard. En hij had voortaan alle snelle auto’s in zijn leven die hij wilde, want de Oranjes zijn nu eenmaal rijk.

Bleef Bernhard de rest van zijn leven overigens opvallend geldbeluste trekjes hebben. Nooit had hij genoeg .

En met die wat oeverloos overkomende inhaligheid lijkt het egoïsme van dat leven mij ook het best getekend. Annejet van der Zijl heeft voor dit boek bijvoorbeeld keurig uitgezocht dat hij voor de oorlog lid was van de SA, zonder dat daar enige dwingende reden voor was. Terwijl hij altijd beweerd heeft dat hij zonder lidmaatschap geen tentamens had kunnen doen op de universiteit. Wat dus onzin blijkt te zijn; zoals iedereen had kunnen weten die zich even in de materie verdiept had.

De SA had alleen wel een heel aantrekkelijke motordivisie, met leuke auto’s waarin het fijn rondscheuren was. En Bernhard had als student geen eigen auto.

Altijd als het om de geschiedenis van Juliana en Bernhard gaat, speelt die na-oorlogse periode een grote rol. Wat logisch lijkt, omdat Juliana in 1948 haar moeder opvolgde als koningin der Nederlanden. En alleen daarom al was het prettig om een boek te lezen over dat koningshuis waarin nu eens niet de Hofmans-affaire of de Lockheed-affaire van enorme betekenis worden gemaakt; sterker nog, waarin zulke gebeurtenissen in een luttel tal alinea’s zijn afgedaan. In deze biografie telt de hele periode na 1945 nog net éen hoofdstuk.

Vond ik de levensgeschiedenis van Bernhard overigens pas interessant worden vanaf het moment dat hij zijn eigen keuzes maken ging, dus op de universiteit. Hoeveel werk Annejet van der Zijl er ook aan gehad zal hebben om bijvoorbeeld de positie in de tijd vast te stellen die het prinsdom had van waaruit hij stamde.

En toegegeven, had een ander dan Annejet van der Zijl dit boek geschreven, dan had het hele onderwerp me waarschijnlijk niet eens geïnteresseerd.

Annejet van der Zijl, Bernhard
Een verborgen geschiedenis

458 pagina’s
Em. Querido’s Uitgeverij, 2010