Myth of Sisyphus ~ Albert Camus

Om de filosofische inzichten van Albert Camus te leren waarderen, kun je beter diens romans lezen dan zijn essays. Dit is zo’n uitspraak die ook ik weleens gedaan heb. Een cliché. Los intellectueel kleingeld, dat altijd voor het grijpen ligt, om een conversatie gaande te houden.

Maar had ik Camus’ filosofische essays weleens gelezen?

Van L’Homme revolte|De mens in opstand is dat zeker, want dat staat in de kast, en er zitten bladwijzers in mijn exemplaar.

Van De mythe van Sisyfus wist ik dat niet. Zelfs al is me de uitspraak bekend waarmee dat betoog opent:

Er is maar éen serieus probleem in de filosofie, en dat is de zelfmoord. Rekenschap geven of het leven de moeite van het leven waard is, of niet, komt overeen met antwoord geven op de fundamentele vraag van filosofie.[1]

Camus schrijft in dit essay over wat hij als het Absurde ziet, daartoe handig een paradox opstellend, waar volgens hem niet mee te leven valt:

Terwijl we ons leven en streven van grote waarde achten, weten we ook uiteindelijk te zullen gaan sterven, en daarmee dat al onze inspanningen uiteindelijk futiel zullen blijken te zijn. En tussen de gretigheid waarmee we aan het leven hangen, en het klare besef dat uiteindelijk niets zin zal hebben, schuurt het volgens Camus.

Tja.

Interessant aan zo’n essay als dit moet dan worden met welke visie Camus zelf kwam op dit probleem, en hoe hij die bereikte.

Camus’ antwoord staat al in de titel van het betoog. Zelfs Sisyfus, die door de Goden een onmogelijke straf kreeg, had iets om voor te leven. Zijn leven was zo absurd geworden dat het alleen al daarom levenskracht gaf. Telkens als hij die grote steen zinloos naar de bovenkant van de helling had gebracht, en deze daarop weer terugrolde naar het dal, kon Sisyfus er vreugde in scheppen om opnieuw te beginnen, en zo binnen alle beperkingen van dat bestaan de Goden nog altijd te tarten; door niet op te geven.

Optimisme is een plicht, in het leven. Maar er zijn aardig meer filosofen dan Camus die dat hebben gezegd.

Nu intrigeerde me Camus’ vraag al vrijwel niet. Die is me te religieus geïnspireerd; te zeer doordrenkt van een angst die mij niet is aangeleerd. Noch keek ik in het bijzonder op van hoe hij verschillende denkers en schrijvers, als Dostojevski en Kafka, behandelde in de loop van het betoog.

Waarop de conclusie wel luiden moet: om de filosofische inzichten van Albert Camus te leren waarderen, kun je beter diens romans lezen dan zijn essays. Dat is geen andere waarheid dan ik hier in het begin verkondigde, behalve dan dat ik nu iets beter kan onderbouwen waarom.

Albert Camus, The Myth of Sisyphus
134 pagina’s
Penguin Books, z.j.
vertaling van Le mythe de Sisyphe, 1942
  1. vrije eigen vertaling []

Letters ~ Ted Hughes

Uitgevers zijn cynisch genoeg om een zelfmoord te vieren. Vijftig jaar nadat Sylvia Hughes [1932 — 1963] zich vergaste — terwijl haar kinderen sliepen in de kamer daarnaast — verschijnt het ene boek na het andere dat dit feit memoreert.

Ik had dat tot dit weekend niet door.

Mij was slechts opgevallen dat het de De Arbeiderspers weer eens had behaagd een nieuw deeltje uit te geven in de sluimerende reeks privé-domein. Ik wil nooit vergeven worden heet dat boek. En heel aantrekkelijk kon ik deze uitgave niet vinden met de brieven van Ted Hughes.

Dat is weer eens zo’n bescheten bloemlezinkje uit een groter geheel. Het boek moet liefst € 45 kosten ook. Terwijl de originele brieven, in de eigen taal van Ted Hughes, online in een prachtuitgave voor ruim minder dan £10 zijn te krijgen.

Wist ik alleen niet dat ook de Letters van Ted Hughes een bloemlezing biedt. Volgens de samensteller is er vier keer meer aan correspondentie. Waarin telkens ook vele uitspraken zijn te vinden over schrijven, of poëzie.

Voornaamste reden om het boek te lezen, was dat nogal wat mensen online de taal prezen uit dat nieuwe deeltje privé-domein. Prachtige zinnen zouden er in de brieven staan.

Want, Ted Hughes is me tot nu toe voornamelijk een raadsel gebleken. Hij stelde éen van mijn favoriete poëziebundels ooit samen. Alleen staat daar vooral werk van anderen in. Zijn eigen dichtwerk liet me nooit echt binnen.

En door de brieven te lezen, lukt het me nu misschien wel eens te formuleren waarom. Zijn gedachteleven is me waarschijnlijk te vaag; of niet precies genoeg. Hughes had namelijk een tendens tot magisch denken. Zo hannest hij steeds met horoscopen.

Ook bestond hij het om Philip Larkin nog een wondergenezer aan te bevelen, terwijl deze met kanker in het ziekenhuis lag; kort voor diens dood. Al kan het vanzelfsprekend best zijn dat Hughes niet wist dat Larkin aan kanker leed.

Evenmin ben ik trouwens een groot liefhebber van het werk van Sylvia Hughes, dat gepubliceerd is onder haar meisjesnaam Sylvia Plath. Al kan het zijn dat ik afstand tot die teksten houd vanwege de hysterie die over haar gefnuikte genie losbarstte in de jaren ‘70.

Wat haar gedichten of die ene roman ook aan waarde mogen hebben, hun belang wordt door vele mensen al te zeer overdreven.

In de keuze van de samensteller uit de brieven van Ted Hughes zal onvermijdelijk enige nadruk hebben gelegen op dat huwelijk van amper zeven jaar en de nasleep; vanwege alle commerciële belang. De toelichting die Christopher Reid in het brievenboek gaf op de biografie van het echtpaar is alleen wat summier. Mij hielp het nogal om de brieven te kunnen plaatsen dat er nu even zo veel geschreven wordt over Plath, vanwege dat cynische jubileum.

Hughes ontmoette Plath in 1956, en ze trouwden vier maanden later. Sylvia Plath had nog een ander toen ze elkaar leerden kenden. Een relatie die gewoon voortduurde terwijl Hughes en Plath het bed al hadden gedeeld.

En Sylvia Plath heeft Ted Hughes voor het huwelijk nooit iets verteld over haar psychiatrische problemen — de zelfmoord in 1963 was niet de eerste poging om een eind aan haar leven te maken.

Uit het brievenboek komt vooral de overlast naar voren die de heiligverklaring opleverde van Sylvia Plath als feministisch icoon. Zo werd haar graf telkens geschonden. De naam die ze na haar huwelijk droeg — Hughes — werd bijvoorbeeld telkens van de steen gebikt. Maar zelfs dat Ted Hughes daarom vervolgens de autoriteiten verzocht de vindplaats van het graf niet al te duidelijk aan te geven, werd nog tegen hem gebruikt.

Over die andere relatie van Hughes, met Assia Wevill, bood het brievenboek minder dan ik hoopte. Want dat er die zelfmoord was Sylvia Plath in zijn leven is algemeen geweten. Minder bekend is dat zijn minnares Assia Wevill zich ook vergast heeft, in 1969, en daarbij het dochtertje doodde dat zij had met Ted Hughes.

Wevill was dan weer de vrouw waardoor Hughes en Plath gescheiden leefde op het moment van de zelfmoord.

Wat het brievenboek me vooral bood, bleken uitspraken te zijn over teksten, en over schrijven ook. Sommige brieven zijn spontane essays.

En prachtig is ook hoe hij zijn oudste dochter Frieda telkens met raad op weg helpt, als zij wil leren schrijven.

T.S. Eliot Said to me “There’s only one way a poet can develop his actual writing—apart from self-criticism & continual practice. And that is by reading other poetry aloud—and it doesn’t matter whether he understands it or not (i.e. even if it’s in another language.) What matters above all, is educating the ear.”
      What matters, is to connect your own voice with an infinite range of verbal cadences & sequences—and only endless actual experience of your ear can store all hat in your nervous system. The rest cab be left to your life & your character.

[17 May 1978]

Alleen. Het grootste plezier voor mij tijdens het lezen, is nadenken over wat de auteur beweert, en dan in discussie treden met hem of haar.

En op dit element scoorde het brievenboek niet hoog. Eén keer slechts had ik behoefte om Ted Hughes tegen te spreken. Op het moment dat hij stelt dat poëzie met een pen op papier moeten worden gezet, omdat alle regels die op een computer worden geschreven van een robot lijken te komen.

Maar goed, dit probleem kleeft nu net altijd aan lezen. Wat een te negeren of zelfs sympathiek trekje zal zijn als je iemand kent in persoon — zoals dat vage magische denken — is in boeken zo makkelijk te negeren niet.

Letters of Ted Hughes
selected and edited by Christopher Reid
784 pagina’s
Faber and Faber, 2009

Wrede god ~ A. Alvarez

Een oordeel zegt al gauw meer over de beoordelaar dan over het beoordeelde. Helemaal bij boeken. Dus dan mag bijvoorbeeld een Jeroen Brouwers De wrede god het meesterwerk hebben genoemd over zelfmoord in de literatuur. En dan betekent dit weinig.

Brouwers toonde zich later namelijk nogal gefrustreerd dat zijn eigen studie over schrijvers die zichzelf ombrachten, De laatste deur, niet spontaan had geleid tot reeksen aan eredoctoraten en ridderordes. En zo bijzonder is dat boek niet, als het Brouwers in het algemeen over zelfmoord schrijft — hoe geslaagd de schrijversportretten verder ook zijn die het biedt.

Meesterwerken met een blijvende waarde zijn er nu eenmaal weinig. Op welk gebied ook. En een boek kort na verschijning tot meesterwerk benoemen, blijft een hachelijke zaak. Ook voor De wrede god geldt dat een flink deel van de inhoud inmiddels in de tijd is achtergebleven — een bezwaar dat non-fictie nu eenmaal zo veel makkelijker heeft dan fictie. Kennis groeit. Belangstelling verschuift. Accenten verwisselen.

Van een eeuwige schoonheid zijn wel het openingshoofdstuk en het slotdeel van het boek. Alvarez kende Sylvia Plath van redelijk nabij — hij was poëziecriticus — en maakte haar mee in de jaren tot ze thuis in de keuken met haar hoofd in de gasoven ging liggen.

Alvarez meent dat die zelfmoord niet gepland was — ondanks dat Plath de kieren in de keukendeur had dichtgestopt, om te voorkomen dat haar kinderen ook bedwelmd zouden worden door het gas.

Voor Plath’s eerdere pogingen om een einde aan haar leven te maken waren namelijk betere redenen geweest. Juist nu leek ze haar leven weer op orde te krijgen.

En dan is er ook nog zijn eigen zelfmoordpoging, waarvan de fijne details in het midden blijven. Er was iets met een echtelijke ruzie en een te veel aan opgespaarde slaappillen. Het einde van dat huwelijk leek ook de redenen weg te nemen om dan maar helemaal uit het eigen leven te stappen. Alvarez’ korte bijna-dood-therapie maakte zijn bestaan na afloop beter. Zelfmoord kan een uitweg zijn, maar is dat niet voor hem.

Het middendeel van De wrede god biedt onder meer een cultuurhistorische beschouwing over zelfmoord.

En die is nog altijd nuttig als Alvarez toont hoe anders de oude Romeinen in het leven stonden, en hoe geaccepteerd de balanszelfmoord was bij hen. Vanzelfsprekend veranderde deze kijk op leven en dood door de christenen — oorspronkelijk een sekte van armen en verworpenen. Want deze lieden hadden nu eenmaal het idee dat het aardse leven helemaal niets voorstelde vergeleken met alle geweldigs dat daarna nog wachtte. Maar de komst van dat hemelrijk bespoedigen door zelfmoord te plegen, mocht van hen niet.

Helaas is veel in dit boek ontleend aan het eerdere werk van Erwin Stengel in diens standaardboek: Suicide and attempted suicide.

Helaas ook voert Alvarez vervolgens de oude Freud op als voornaamste verklaarder van waarom mensen zelfmoord plegen.

En hoe meer ik lees over Freud’s gewrongen verklaringen, hoe idioter het wordt dat diens denkbeelden ooit zo zeker als waarheid verkondigd zijn.

Vanzelfsprekend. Er zijn de laatste decennia bibliotheken vol geschreven over zelfmoord als fenomeen. Al zijn de meeste boeken over dit onderwerp van sociologen of auteurs met een medische achtergrond, dan wel éen in de psychologie. Een meer menselijke maat stellen tegenover boeken vol cijfers en statistieken is zeer gewenst, juist bij een onderwerp als de dood. Literair georiënteerde schrijvers kunnen dan zo’n menselijke maat geven.

Maar The Savage God [De wrede god] bleek allereerst een boek uit 1971 te zijn. En dat is in nogal wat opzichten al een tijd terug. Alvarez bevecht voor een deel nog demonen en taboes die geruisloos hun kracht verloren hebben.

A. Alvarez, De wrede god
Een studie over zelfmoord

330 pagina’s
De Arbeiderspers, 1974
vertaling van The Savage God, 1971

Hand aan zichzelf slaan ~ Jean Améry

Wie zichzelf doden wil, kan tegenwoordig gewoon een boek kopen met tips om dat een beetje handig aan te pakken thuis. Uitweg heet deze uitgave. Boudewijn Chabot en Stella Braam schreven het boek. En de auteurs bieden hun lezers sec informatie, zonder daarbij te oordelen.

Ik ben geneigd het bestaan van zo’n boek als een teken van beschaving te zien. Om nog te zwijgen over het gegeven dat de titel zonder discussie in vrijwel elke boekhandel te bestellen zal zijn. En ik besef ook dat dit een typisch Nederlandse kijk op zaken is.

Verpleeghuisarts Bert Keizer merkt in zijn werk een paar keer te vaak op dat in het buitenland helemaal nog niet over de dood gepraat kan worden zoals in Nederland gebeurt. En dan gaat het bij hem nog over een onderwerp als euthanasie. Waarbij er een ondraaglijk lijden spelen kan. Waarin het zo vaak over levens gaat die zonder dat zelfgekozen einde niet eens heel veel langer hadden geduurd. Waar het praten over de dood zo gauw eens gaat over een einde zonder nodeloos leed.

Uitweg zal ik niet snel lezen. Ik hoor niet tot de doelgroep van dit boek. Uitweg lezen, zou daarmee alleen interessant worden als dat direct te vergelijken is met buitenlandse uitgaven van eenzelfde aard. En die zullen er niet zijn. Legaal.

Wel heb ik in de richtingloze hamsterdrang waarmee ik ooit boeken kocht vele titels in huis gehaald die over zelfmoord blijken te gaan. Vrijwel al deze uitgaven staan ongelezen in de kast. Dus is het misschien goed om ze toch eens in serie te lezen — opdat helder wordt of ze weg kunnen of niet. Omdat serieel lezen altijd een hoop verduidelijkt over de kwaliteit van auteurs en hun werk.

Komt daar nog een andere onderzoeksvraag bij, die mijn leeskeuze het komende jaar kleuren kan. Opvallend veel boeken waarin zelfmoord een rol speelt, gaan over schrijvers die zichzelf het leven namen.

Ik begrijp die fascinatie voor leven en dood van schrijvers niet zo goed — omdat ik nu eenmaal besloot wel lievelingsboeken te hebben maar geen lievelingsauteurs. En tegelijk is zelfs vanuit dit elitaire standpunt onmogelijk te negeren dat in het medialandschap van nu juist wel die fixatie bestaat op de schrijver als persoon. Misschien wordt deze wel steeds groter ook. Wellicht heeft die zelfs gevolgen voor het type schrijvers dat primeert.

Vandaar dat zo veel mislukte acteurs momenteel zo leuk voor schrijver mogen spelen, aldus P.F. Thomése.

Wordt de mythe enkel groter als een auteur breekt in de knop. Als hij of zij weliswaar veel beloofde, maar al wegraakte, lang voor er verval kon zijn en neergang.

Een beetje zelfmoord kan de belangstelling voor een oeuvre nog behoorlijk lang levend houden.

De hand aan zichzelf slaan van Jean Améry [1912 — 1978] stond tot deze week al ruim vijftien jaar ongelezen in de kast. Ik had namelijk de fout gemaakt om me al voor het lezen te verdiepen in het leven van de auteur — een Joodse Oostenrijker die eigenlijk Hans Mayer heette.

Améry/Mayer is nogal wat gruwelijks overkomen in de Tweede Wereldoorlog. Zo werd hij gefolterd, door de SS, terwijl hij niets wist dat hen wijzer had kunnen maken over de verzetsactiviteiten waar hij bij betrokken was.

De periode na de oorlog bracht hem al evenmin veel troost.

En ondanks dat Améry die folteringen nooit vergeten zou, en ondanks dat hij ook oud worden erg vond, wist de schrijver heel lang éen ding zeker. Zelfmoord plegen zou hij nooit.

Tot er plots een omslag in zijn denken kwam, die uitgewerkt is in De hand aan zichzelf slaan. Waarin Améry ineens wel te vinden was voor het idee dat een mens het recht heeft om over het eigen bestaan te beslissen. Twee jaar later zou de schrijver een einde aan zijn leven maken met slaappillen.

Ik verwachtte daarom een boek te krijgen dat lezen zou als éen lange zelfmoordbrief. En dat was niet zo. Améry vindt zelfmoordenaars in zijn slotbetoog nog altijd stakkers. Maar dappere en bewonderenswaardige stakkers, dat wel.

Storender waren twee andere zaken. Jean Améry had Sartre als intellectueel leidsman, en verheelde dit niet. En basaler nog, decennia aan discussie over euthanasie in Nederland maakten voor mij dat Améry’s betoog een wel heel merkwaardig achterhoedegevecht leek.

De auteur had nog af te rekenen met een loden last aan Christelijke cultuur, en alles wat die bedacht had om zelfmoord tot de allergrootste schande denkbaar te maken — zonder dat hij dit aspect overigens zo benoemde.

Maar de discussie voor mij heeft heel andere accenten nu. Die kan er bijvoorbeeld over gaan of, zoals Chabot en Braam impliceren, dat degene die dood wil meer beslissingsmacht moet krijgen ten opzichte van de medische stand; die juist alles regelen wil en in protocollen stopt.

Dus is De hand aan zichzelf slaan inmiddels allereerst een boek geworden om de auteur beter te leren kennen, en welke demonen deze bevocht, in plaats van nu nog een informatieve beschouwing te zijn over een taboe-onderwerp.

Jean Améry, De hand aan zichzelf slaan
172 pagina’s
Atlas 1995, oorspronkelijk 1978
vertaling door Tine Pollmann-Vroom van Hand an sich legen, 1976

Zwarte zon ~ Jeroen Brouwers

Brouwers gaat waarschijnlijk een nieuwe versie maken van zijn boek over zelfmoord in de Nederlandstalige literatuur. De laatste deur, uit 1983. Zijn uitgever heeft hem dat tenminste gevraagd. Jeroen Brouwers moet alleen eerst nog een roman afmaken — die gaat over misbruik op een katholieke kostschool in de jaren vijftig en zestig.

Ik deed deze wijsheden op door een radio-interview dat de schrijver in november had met het inmiddels vermoorde programma De Avonden [mp3].

Die uitzending was op verschillende manieren verhelderend. Zo blijkt Jeroen Brouwers zichzelf toch allereerst te zien als schrijver van essays. Want die romans, ach ja die romans. Daar zitten goede boeken tussen. Maar heel enthousiast leek Brouwers niet meer te kunnen worden over de boeken waar hij soms jaren van zijn leven in heeft geïnvesteerd.

En van die essays is hij misschien het meest trots op zijn stukken over de schrijvers die zelfmoord pleegden — ook al gingen de stukken in De laatste deur achteraf gezien dan wel opvallend vaak over krabbelaars in de marge.

Polemieken waren vooral leuk om te schrijven — alleen kwam daar nu net nooit een inhoudelijke reactie op.

En de trots van Brouwers over zijn inspanningen staat in contrast met wat ik beleefde aan de verzameling De zwarte zon. Dat is nu typisch zo’n bundel waarvan de delen elkaar niet versterken; ondanks het gemeenschappelijke onderwerp; dat de teksten over schrijvers gaan die voortijdig een einde aan hun leven maakten.

Al is dat bij Stig Dagerman bijvoorbeeld nog niet eens zeker.

In De zwarte zon werden onder meer essays verzameld die al eens apart als boek verschenen — zoals De levende stilte van Stig Dagerman — of in een andere bundel van Brouwers waren opgenomen. Zijn al eens los uitgebrachte portret van Jean Améry komt langs. Leven en dood wordt beschreven van schrijver uit heel verschillende culturen, als Hart Crane, Vsevolod Garsjin, Osamu Dazai. Een boek uit éen stuk kon de verzameling misschien alleen daarom al nooit worden.

De pest voor deze bundel is ook dat er éen essay in staat dat alle andere in de schaduw stelt. Het stuk dat ook in De laatste deur had gekund — waarin Brouwers zo veel vaker schrijft over mensen die hij persoonlijk gekend heeft.

Aan ‘Naakt in verblindend licht’ over Daniël Robberechts [1937 — 1992] is namelijk duidelijk dat Jeroen Brouwers in die schrijver een zielsverwant ziet. Al schrijven beide heel verschillende boeken. Brouwers legt ook uit waarom.

Robberechts was toen zevenentwintig jaar en had zich op die leeftijd al teruggetrokken in een stil huis in een afgelegen oord, waar hij zichzelf als ‘een gevangene’ zou gaan beschouwen. In zijn dagboek spreekt hij van ‘weergaloze verlatenheid’, ‘al te eenzaam’, ‘hoezeer heb ik me verwijderd van het leven en de wereld’. Werkelijkheidshalve kwam het ‘één enkele verhaal’ van Robberechts ten slotte neer op de afwezigheid van een levensverhaal: hij leefde daarginds in volstrekte gebeurtenisloosheid afgezien van zijn huwelijk, zijn gezin, zijn schrijverij, zijn huis, zijn tuin, de vogels, de wolken, de stilte.

Ik weet waar Robberechts het over had. Ikzelf heb, uit afkeer voor zo ongeveer alles buiten de muren van mijn huis, mijn leven op exact dezelfde manier ingericht als hij het heeft gedaan. Gevolg: wereldvreemdheid, mensenangst, introversie die snel en gemakkelijk leidt tot wat Robberechts ‘steriel gepieker’ noemde. Hij vond dat hij ‘straf!’ verdiende omdat hij door zijn levensinstelling het ‘risico (liep) om de voeling met de werkelijkheid te verliezen’. […]
[197-198]

Vergeleken met dit portret valt aan de andere essays in De zwarte zon op dat die geen enkel inzicht bieden over Brouwers. Te vermoeden is hoogstens dat hij iets zag in de veelal buitenlandse schrijvers. Maar waaruit die connectie bestond, wordt mij te zelden duidelijk. Zelfs wat Brouwers graag las van hen blijft ongenoemd. Laat staan waarom hij nu juist hen koos om over te schrijven.

En daardoor zijn die stukken ineens relatief brave journalistiek. Die weliswaar beter geschreven zal zijn dan de doorsnee journalistiek. De essays bieden alleen op het moment bijvoorbeeld nauwelijks een extra waarde boven de Wikipedia-lemma’s die inmiddels over zulke auteurs bestaan — anders dan op het moment van schrijven in de jaren tachtig en negentig zal hebben gegolden.

Dus waar ik onlangs Willem Frederik Hermans verweet dat hij vervelend werd als hij te veel Hermans in zijn stukken stopte, kan het omgekeerde dus ook. Dat essays niets nalaten, omdat er te weinig aan persoonlijkheid van de auteur, Jeroen Brouwers, in zit.

Al geldt voor De zwarte zon dus allereerst dat het wel doorleefde stuk over Daniël Robberechts de collectie uit balans trekt.

Jeroen Brouwers, De zwarte zon
280 pagina’s
Atlas, 1999

Door eigen hand ~ Joost Zwagerman

Is het erger om een naaste te verliezen door een ongeluk, een acute ziekte, of door zelfmoord?

Dat lijkt misschien een wat idiote retorische vraag. Maar het is wel een kwestie die bij mij rees tijdens het lezen van de bundel Door eigen hand van Joost Zwagerman. Want daar staan onder meer verschillende gesprekken in met nabestaanden van mensen die hun eigen leven namen. En deze gesprekspartners zijn dan toevallig ook nog schrijvers. Zwagerman praatte met Heleen van Royen, Jeroen Brouwers, Arthur Japin, Renate Dorrestein, en uitgever Wouter van Oorschot.

Maar plotseling dood is plotseling dood, lijkt me. Te jong weg blijft te jong weg. De vragen waarmee de achterblijvers zitten na de dood kunnen wellicht verschillen. De rouw zal niet heel anders zijn.

Zelfs al lijkt het logisch om in het geval van zelfmoord te praten met andere nabestaanden van zelfmoordenaars. En niet ook te onderzoeken of hun leed verschilt met de overblijvers na bijvoorbeeld een auto-ongeluk, een plotselinge hartaanval, of een andere schok.

Toch ware het verhelderender geweest om naar overeenkomsten te kijken; in plaats van zelfmoord te isoleren als een speciaal iets.

De essaybundel Door eigen hand lijkt namelijk allereerst bij de verwerking te moeten helpen van wat Zwagerman van nabij heeft meegemaakt. Zijn vader deed een poging om zichzelf om te brengen. Werd op het allerlaatst nog gevonden. En hij sprak in het ziekenhuis de woorden dat het niet de bedoeling was geweest dat hij weer levend bij zou komen.

Vervolgens illustreert het boek vooral dat we vrijwel niets weten over wat mensen die fuik in drijft waarin zelfmoord onvermijdelijk lijkt.

Aan de inhoud valt alleen al op dat in Nederland het begrip zelfmoord volgens Zwagerman alleen gebruikt wordt bij geestelijk lijden. Bij algehele aftakeling, of ouderdom, kunnen weliswaar heel goed dezelfde overwegingen spelen, maar dan heet een zelfgekozen einde ineens euthanasie — en dat is voor hem oninteressant.

En wat een merkwaardig hokjesdenken is dat toch.

Binnen het weinige dat er is aan kennis, toont Joost Zwagerman zich vervolgens geen bijzonder helder licht. Alvarez is bij hem nog evenzogoed een intellectueel leidsman, met zijn inzichten uit 1971, als de hedendaagse columnist en psychiater Bram Bakker.

Zwagerman klampt zich in het boek zelfs merkwaardig vast aan een uitspraak van Bakker dat 80% van de mensen die een mislukte zelfmoordpoging deden helemaal niet dood wilden.

En dan hoop ik toch echt dat Bakker in eigen werk meer doet dan deze uitspraak alleen geven. Want zo los vind ik die vrij onnozel. Die zegt nu bijvoorbeeld niets over het tijdstip waarop die 80% dan oordeelden over hun mislukte zelfmoord.

Met alle kennis achteraf, het vreselijke cliché dat politici zo graag benutten om de onnozelheid in hun dadendrang weg te moffelen, valt nu eenmaal zo vaak op dat iets niet had gemoeten.

Enkel Jeroen Brouwers toont zich hierover prettig onsentimenteel. Dacht Joost Zwagerman nu echt dat dit statistiekje klopte? Nee hoor. Wie er dood wilde, wilde toch echt dood.

Brouwers verwijt Zwagerman ook allereerst egoïsme. En het was verfrissend om te lezen dat de beste kritiek op Door eigen hand eigenlijk al in het boek wordt gegeven.

scheiding

Waarom zou je je een oordeel aanmatigen over andermans beslissing er een eind aan te maken, zelfs al is het je vader, je broer of zus of je kind? Natuurlijk, ik ken de gevoelens en overwegingen van de nabestaanden: hun wrok, schrik en onbegrip. Maar zo gauw nabestaanden in hun rouw gaan zeggen dat die ander het recht niet had om het te doen, dan zeg ik: daar heb je niks mee te maken. We hebben alleen te maken met de daad van de persoon zelf. In die zin bedoel ik: oordeel niet. En jij hebt het geïnterpreteerd als: wat doet die persoon met zijn daad de ánder aan? In de kern vind ik ook dat een egoïstische gedachte. Nabestaanden moeten zich verplaatsen in de zelfmoordenaar, en zich pas daarna verdiepen in elkaar of zichzelf.

[Jeroen Brouwers, 117]
scheiding

[ is vervolgd ]

Joost Zwagerman, Door eigen hand
Zelfmoord en de nabestaanden

150 pagina’s
De Arbeiderspers, 2005

Suicide ~ Michael Cholbi

Reageer alleen op welk effect een boek op jou had, zo gaf ik mijn boeklog als motto mee. Want alleen over dat effect heb je alle recht van spreken.

En het is een mooi ideaal om alleen zo naar boeken te kijken. Alleen is me nu ook al even duidelijk dat het een onmogelijk ideaal is. Elke ervaren lezer kan namelijk behoorlijk goed inschatten wat de schrijver er voor eentje is. Die weet heel goed of een auteur zijn of haar materie in de macht heeft, of niet. Die doorziet wanneer er gebluft wordt. En daarover is lang niet altijd te zwijgen; waardoor kritiek wel degelijk persoonlijk kan worden.

Ik was kortom gisteren veel te vriendelijk over het zelfmoordboek van Joost Zwagerman. Want in vergelijking met bijvoorbeeld Suicide van Michael Cholbi is Zwagerman’s Door eigen hand het werkstukje van een wel heel matige eerstejaars student, die van overal wat kennis geleend heeft; zonder daarbij ooit enig overzicht te hebben gehad; laat staan iets van een nieuw inzicht te hebben kunnen formuleren.

Zwagerman’s vloek dat hij veel te jong al succes oogstte als schrijver, en daarom helaas is gaan geloven er eentje te zijn, had zich weer eens tegen hem gekeerd.

Suicide pretendeert niet meer dan een inleiding te zijn in de filosofische kanten van het onderwerp zelfmoord. Het boek lijkt zelfs op een leerboek, met zijn samenvattingen aan het eind van elk hoofdstuk. Toch vond ik dit een heel nuttige uitgave. Angelsaksische filosofie heeft dat effect wel vaker op mij. Een denker inventariseert dan gewoon eens wat er zoal bedacht is over een onderwerp, en weegt vervolgens zin tegen onzin af.

En juist aan een onderwerp als zelfmoord kleeft nogal wat overgeleverde en verkalkte moraal, door de Christenen vooral en hun stelling dat elk leven een geschenk van hun God is.

Cholbi begint zijn boek schijnbaar wetenschappelijk, door zich hardop af te vragen wanneer er eigenlijk sprake is van zelfmoord. Normaal irriteert zo’n poging om tot een definitie te komen mij altijd wat. Maar de denkexercities van Michael Cholbi bleken onverwacht nuttig, vanwege de vragen waar hij mij aankwam.

Als iemand kanker heeft in een vergevorderd stadium, en er vervolgens voor kiest om niet nogmaals het hele medische circus mee te maken, en dus niet verder behandeld wil worden. Om daarop na enkele maanden te sterven. Is dat dan zelfmoord?

En pleegt Jeroen Brouwers langzaamaan zelfmoord door, ondanks zijn hoorbare moeilijkheden bij het ademhalen, gewoon sigaretten door te blijven paffen? Zoals mijn gedachte was bij het luisteren naar dat interview met hem?

Het antwoord volgens Cholbi luidt dan in beide gevallen nee. Omdat in geen van beide voorbeelden er een bewuste handeling is om de directe komst van de dood te versnellen. Helemaal ben ik dat dan niet met hem eens. Net als de definitie waar Michael Cholbi mee komt me uiteindelijk niet helemaal tevreden stelt.

An adequate definition of suicide should be value neutral and at least capture the uncontroversial examples of acts that are (and are not) suicide. Defining suicide as intentional self-killing, regardless of its cause, appears to satisfy these requirments.

Tegelijk is het heel nuttig dat hij de tijd nam om al zijn overwegingen bij het opstellen van deze definitie te geven. Omdat die in het vervolg van het boek terugkomen, en dan bijvoorbeeld duidelijk maken dat alle christelijke bezwaren tegen zelfmoord vrijwel altijd onlogisch zijn.

Maar goed, religie en logica sluiten elkaar nu eenmaal uit.

Evenmin zijn er op een sluitende manier morele bezwaren te formuleren tegen de meeste zelfmoorden. Behalve dan dat Cholbi uiteindelijk toch ook de gedachte formuleert die de hele roman Catch 22 draagt; zonder dat de schrijver dit gegeven dan noemt.

Er is niets tegenin te brengen als iemand die bij zijn volle verstand is het eigen leven wil nemen. Alleen zijn de meeste zelfmoordenaars nu net niet bij hun verstand; want die handelen zo vaak in een opwelling; en zouden daarom tegen zichzelf beschermd moeten worden.

Naar het einde toe nadert dit boek steeds meer de debatten die al decennia in Nederland gevoerd worden, over hoe de hulp bij euthanasie er uit hoort te zien. En dat is het enige boekdeel dat me wat teleurstelde — waarschijnlijk omdat Cholbi me daarin niets nieuws vertelde.

Blijft alleen staan dat bijna overal in de wereld nog gedebatteerd moet worden over die subset aan zelfmoordpraktijken, en het recht om ook het levenseinde in eigen handen te mogen nemen, plus het gegeven dat individuen daar dan doorgaans hulp bij nodig hebben.

Suicide is er heel goed in om een heleboel emotie uit zulke discussies bij voorbaat al verdacht te maken.

Michael Cholbi, Suicide
The Philosophical Dimensions

191 pagina’s
Broadview guides to philosophy, 2011

Intuition Pumps ~ Daniel C. Dennett

Filosofen denken anders over wat denken is dan ik. Dat maakt het lezen van filosofen altijd een wat merkwaardige ervaring. Zelfs als het om een leerboek gaat in de filosofie.

En Intuition Pumps van Daniel C. Dennett is zelfs op twee manieren een leerboek.

De Amerikaanse filosoof had deze teksten allereerst bedoeld als een introductie voor zijn eigen studenten in de methoden om kritisch te denken. Vervolgens kwam er dus ook een versie voor het brede publiek.

Daarnaast biedt het boek terloops een degelijke introductie tot Dennett’s eigen kritische werk.

Nu lees ik Dennett al zeker dertig jaar — al sinds The Minds I dat hij samen schreef met Douglas Hofstadter. En ondanks dat er daarbij altijd iets schuurt tussen ons, houdt Daniel C. Dennett zich wel telkens bezig met onderwerpen die mij aanspreken. Dus bleek ik een diepere kennis te hebben van dat oeuvre dan gedacht. Waardoor Intuition Pumps me op éen niveau al wat tegenviel. Het bood mij te weinig nieuwe ideeën.

Veel van wat er nuttig is aan Dennett’s gedachten was me blijkbaar toch eigen geworden.

Goed aan hem blijft dat hij eeuwig de pretenties van de filosofie aanvalt — Daniel C. Dennett lijkt ook éen van de weinige filosofen te zijn die zijn denkbeelden af en toe bijstelt door wat harde wetenschap aan kennis heeft opgeleverd.

Meest duidelijk is die aanval in Boekdeel IX, aan het eind van het boek, als hij ingaat op de vraag hoe het is om een wijsgeer te zijn. Want Daniel C. Dennett had iets opvallends ontdekt.

Daartoe had hij aan mensen gevraagd hoe ze wilden voortleven:

(A) Je lost een belangrijk (filosofisch) probleem van jouw keuze op zo’n manier op dat er daarna niets meer over te zeggen is. (Dankzij jou kan dit onderzoeksveld worden afgesloten, en je wordt een voetnoot in de geschiedenis);

(B) Je schrijft een controversieel boek van een zo grote ingewikkeldheid dat het nog voor eeuwen op de verplichte leeslijst blijft staan.

Daarop bleek dat echte wetenschappers zonder een tel aarzeling voor optie (A) kozen. Nogal wat filosofen daarentegen kozen (B).

En het was alsof me de schellen van de ogen vielen. Nu ja, toen uit de biografie van Walter Benjamin bleek dat hij nogal geraaskald had in zijn werk, en gebluft, verbaasde dat me weer niet. Het trof me nu vooral pijnlijk dat sommige filosofen dus gewoon toegaven dat zij doelbewust voor imponeergebazel zouden kiezen.

Intuition Pumps is ook allereerst een boek tegen het holle imponeergebazel in dat vakgebied.

En daarmee is het nut voor mij uiteindelijk nogal beperkt; zelfs als leerboek. Want, zoals Willem Frederik Hermans ooit schreef:

Filosofische problemen zijn nutteloos, verwarrend, neerdrukkend en bloeduitzuigend voor wie niet van plan is zelf een filosoof te zijn, door zijn voorgangers te verkrachten of te vermoorden.

Hiermee worden de denkmethoden om de redeneerfouten en de bluf bij andere filosofen te ontkrachten ook een gereedschap met een beperkte inzetbaarheid.

En dan ben ik nog niet eens een wetenschapper, die in bovenstaand dilemma meteen voor optie (A) gekozen had. Ik ben veel meer van het ingenieurstype. Voor mij is veel interessanter dat iets werkt, en als het niet werkt om het dan werkend te krijgen, dan om in detail te willen verklaren wáarom iets werkt.

Voor waarom-vragen schiet onze kennis zo makkelijk tekort. Dennett ziet daar een uitdaging in, ik juist een reden om nogal wat waarom-vragen naast me neer te leggen; om mijn energie op andere zaken te kunnen richten.

Een groot deel van Intuition Pumps gaat bijvoorbeeld over die twee eeuwige strijdpunten voor filosofen en inmiddels ook anderen. Wat is het bewustzijn? En: hebben mensen een vrije wil? Er nog van afgezien dat de auteur daar niets anders over schrijft dan hij eerder al deed, in boeken apart gewijd aan deze vragen, interesseren deze kwesties me hoegenaamd niet.

Mijn lopende onderzoek naar ‘De geschiedenis van het ik’ leerde me bijvoorbeeld dat door de eeuwen verandert wie dat ‘ik’ is. En daarmee dus wie ‘wij’ zijn en ‘zij’; plus hoe de verhoudingen tussen al deze groepen liggen.

En groepsdruk bepaalt nu eenmaal nogal wat gedrag.

Bovendien is ons gedrag ook vrij makkelijk te ontregelen met roesmiddelen, als pillen, of drank, door ziekten als koorts, of desnoods een hersentumor.

Zeg ik daarmee dat er geen vrije wil zou zijn? Nee, ik wijs er enkel op dat er altijd voorbeelden zijn te verzinnen waarin iemand niet uit eigen wil lijkt te hebben gehandeld. Maar ook dat er tegenvoorbeelden genoeg te bedenken zijn – het ultieme voorbeeld is altijd weer zelfmoord – waaruit blijkt dat er wel degelijk zelfbeschikking lijkt te bestaan.

Vandaar dat de hele kwestie mij lauw laat. Er is niets te falsificeren aan de vraag of er een vrije wil bestaat, of niet. En daarmee wordt het hele probleem onoplosbaar.

Dennett wijst er overigens terecht op dat het strafrecht van een vrije wil uitgaat — en zulk een pragmatisme lijkt ook mij in deze zaken het meest nuttig. Er bestaat een vrije wil, tenzij die er niet is door omstandigheden. Punt. En de wetenschap moet dan de kennis maar aandragen over wanneer iemand ontoerekeningsvatbaar was, of handelde onder dwang.

Tot de filosofie horen al deze overwegingen alleen amper.

En zelfs al lijkt Daniel C. Dennett nog zo streng voor zijn vakgenoten, hij zou nog meer afstand moeten nemen tot de Wijsbegeerte om mij helemaal tevreden te kunnen stellen.

Zoals uit het leesprojectje blijkt dat ik aan Intuition Pumps wijdde, bleek de korte opsomming van denkmethoden aan het begin van het boek het nuttigst. Helaas daarom dat Dennett nauwelijks op deze technieken inging; omdat hij ze bekend veronderstelde.

  1. Maak fouten. Wie bang is om fouten te maken, komt nergens in het leven;
  2. Trek vergelijkingen door tot in hun uiterste consequenties. De kracht of zwakte van een idee blijkt doorgaans pas in de extremen;
  3. Ga in kritieken uit van de beste bedoelingen van de ander. Cabaret bedrijven door een valse voorstelling van zaken te geven, zegt nog het meest over jou;
  4. Sturgeon’s Law. 90% van alles is korstig opgedroogd sperma. Richt je op de 10% die wel de moeite van het onderzoeken waard is;
  5. Occam’s scheermes. Zoek het niet in extravagante verklaringen, als er simpeler mogelijkheden voorhanden zijn;
  6. Occam’s bezem. Veeg de feiten die in je betoog niet van pas komen niet onder het tapijt;
  7. Zoek gericht kritiek op van niveau. Je moeder en je vrienden zullen het namelijk zonder meer met je voorstelling van zaken eens zijn. Een lekenpubliek is al gauw onder de indruk;
  8. Spring eens uit het systeem. Hoe onmogelijk dat ook is. Maar herken hierdoor wat het systeem inhoudt;
  9. Bezondig je niet aan Stephen Jay Gould’s favoriete stijlfiguren. Gould had volgens Dennett de neiging om in tegenstellingen te schrijven die op de keper beschouwd geen complete tegenstellingen waren;
  10. Vanzelfsprekend is het gebruik van woorden als ‘vanzelfsprekend’ verboden. Bij anderen zijn ze gauw eens een waarschuwing dat er iets komt dat die ander waarschijnlijk niet bewijzen kon;
  11. Denk er eens over na, hebben retorische vragen nut?
  12. Leer schijnbaar diepe uitspraken herkennen, die zo vaag zijn dat ze helemaal niets zeggen.

Het gegeven dat je uit het systeem moet durven stappen om te kunnen zien wat het systeem inhoudt, is misschien ook wel de grootste waarheid in het boek. Want heel weinigen voelen zich geroepen.

En dan nog: daarop treedt zo makkelijk concisie op. Wie zegt dat iets niet deugt, omdat iedereen er altijd verkeerd naar kijkt, moet zich vervolgens altijd verdedigen. Hoe groot zijn of haar gelijk ook is.

Daniel C. Dennett, Intuition Pumps
And Other Tools for Thinking

496 pagina’s
Allen Lane, 2013

Man dy’t himsels tekoart die ~ Nikolai Erdman

Erdman maakte de opvoering niet meer mee van zijn toneelstuk over de man die zelfmoord zou plegen. Hij was éen van de vele Russen die na de Revolutie van 1917 een tijd kon profiteren van de artistieke ruimte die er kwam. Om vervolgens, onder Stalin, toch weer te stuiten op nieuwe censuur, en oude verboden.

Punt wordt dan, heeft zo’n stuk uit het einde van de jaren twintig mij nu nog iets te vertellen? Is wat Nikolai Erdman [1900 – 1970] had op te merken universeel genoeg om de culturele kloof en de afstand in tijd te overbruggen?

Zijn stuk blijkt ondertussen in de toneelwereld een klassieker te zijn geworden — het wordt gerekend tot het beste dat uit de Sovjet-Russische tijd is overgeleverd. Een brug heet het zelfs te bieden tussen de humor van Gogol en de Absurdistische kunst van na de Tweede Wereldoorlog.

Ik vond alles wat weinig subtiel alleen. Wat het vervolgens wel weer logisch maakt dat er ook een Friese bewerking van het stuk bestaat. Hoe vetter het toneelspel kan worden aangezet, hoe meer plezier de acteurs erin lijken te krijgen, en hoe liever het publiek in de provincie het vaak heeft.

Hoofdpersoon in het toneelstuk is de werkloze Semjon. Deze man is helemaal niets zonder werk. Hij overweegt daarom hardop om zelfmoord te plegen.

Even is er nog uitstel, omdat er een nieuw doel opduikt in zijn leven. Semjon zal de tuba leren spelen.

En het lijkt me niet heel moeilijk om te zien hoe een beetje schmierende acteur daar een heel nummer van kan maken. Want vanzelfsprekend is dat tubaspelen zo simpel nog niet.

Maar doordat breder bekend is geraakt dat Semjon zichzelf tekort wil doen, denkt zijn omgeving daar van te kunnen profiteren. Want zelfmoord is een statement. Dus komt de buurman langs, die de intelligentia verbeeldt, om het zo te draaien dat Semjon’s aangekondigde dood zijn zaak zal dienen.

Dat voorbeeld wordt gevolgd door een hele rij andere archetypen.

Heeft het toneelstuk nog een clou ook. Want, zoals het vaker gaat met mensen die uitgebreid dreigen zelfmoord te gaan plegen, zij doen dat dan vervolgens niet. Alleen kon Semjon er toch ook niet meer onderuit om te verdwijnen.

Nikolai Erdman, De man dy’t himsels tekoart die
bewurking: Hans Brans
oersetting: Sytske de Boer

86 pagina’s
z.u., 1995,
oorspronkelijk: eind jaren ’20

 


On Suicide ~ Émile Durkheim

Voor fictie ligt de grens voor mij gevoelsmatig ergens in de buurt van 1930. Vrijwel alle boeken die voordien verschenen, eisen een duidelijke vertaalslag; daar is waarschijnlijk niet zonder meer leesgenot aan te beleven. Schrijvers hadden tot dan bijvoorbeeld nogal wat meer woorden nodig dan hun latere collega’s. Al zijn er altijd uitzonderingen.

Maar bij non-fictie is er voor mij niet zo’n duidelijke cesuur in de tijd. In nogal wat vakgebieden wordt nog steeds volslagen onzin gepubliceerd, en geëerbiedigd. En slechts zelden komt het in de eigen tijd al tot een ontmaskering dan.

Oude non-fictie lezen, is daarmee al gauw wetenschapsgeschiedenis bedrijven. En in zo’n inspanning moet je als lezer net zin hebben.

Toch las ik Durkheim’s Le suicide, uit 1897 — terwijl de bezwaren tegen dat boek me vooraf al bekend waren. De auteur had namelijk te stellige conclusies getrokken uit een te beperkte hoeveelheid statistisch materiaal. Hij had daarom onder meer niet mogen concluderen dat protestanten makkelijker zelfmoord plegen dan katholieken — omdat de moederkerk zijn kudde tot grotere sociale controle zou dwingen, terwijl dat protestantisme los zand was.

Émile Durkheim [1858 — 1917] wordt tegenwoordig gezien als een vader van de sociologie en de antropologie. Weliswaar was hij ook filosoof, Durkheim probeerde tegelijk uit of er methoden te vinden waren die bewijzen konden wat hij vermoedde.

In dit boek worden daarom dus nogal wat statistieken ingezet. Die hij ontleend had aan het werk van anderen — zonder dit cijfermateriaal even behoedzaam te gebruiken als de oorspronkelijke onderzoekers hadden gedaan. Wat tegenwoordig niet meer zo kan, onder wetenschappers tenminste. Mijn voorbehoud tegenover cijfers als bewijsmateriaal is ook automatisch enorm, als me niet verteld wordt hoe die gegevens werden verkregen.

En daarnaast was Durkheim van het indelen en rubriceren. Zo maakte hij in het boek onderscheid tussen vier typen zelfmoord:

  • Egoïstische suicide: zoals gepleegd door een individu dat meent buiten de normale gemeenschap te staan;
  • Altruïstische suicide: waarin het individu zijn of haar leven eindigt voor het grotere goed van de samenleving. Volgens Durkheim kwam dit haast niet voor. Ik leef evenwel in een tijd van zelfmoordterroristen — nog steeds geen heel grote groep mensen, alleen wel éen die nogal wat media-aandacht weet te creëeren;
  • Amnestische suicide: gepleegd vanuit permanente teleurstelling, en het onvermogen een plaats te vinden in de maatschappij;
  • Fatalistische suicide: waarin iemand liever dood gaat dan te moeten voortgaan onder de omstandigheden waarin hij of zij moet leven;

Een probleem bij het lezen van dit boek was dat veel van wat Durkheim zaaide door navolgers inmiddels opgekweekt is en verbeterd werd. Wat dan weer de blik op zo’n oertekst vertroebelt. Mij moest door anderen verteld worden wat er nieuw en goed was aan deze studie. Ik vond de auteur vooral erg lang van stof, en ook gauw merkwaardig zeker van zijn zaak. Zijn sociologie was nog wel erg een dochter van de filosofie, waarin waarheden over de werkelijkheid geprojecteerd worden.

Durkheim was alleen ook éen van de eersten die oordeelde dat zelfmoord niet alleen per se de zelfmoordenaar verweten moest worden. Niemand leeft in zijn eentje ergens in complete autarchie. Dus kan het een probleem voor individuen worden als hun samenleving verandert op een manier die hen raakt — bijvoorbeeld omdat de betekenis van religie afneemt.

En een moeilijkheid om de grootsheid van zulke ideeën te beoordelen lijkt me alleen al dat de gedachte volstrekt logisch lijkt eenmaal die gedacht is. Maar ooit bestond zo’n waarheid dus nog niet.

Émile Durkheim, On Suicide
480 pagina’s
Penguin Classics, 2006
vertaling van Le suicide, 1897

Grunt ~ Mary Roach

Oorlog is goed voor de wetenschap. Nu ja, sommige wetenschap. Al zijn er altijd onverwachte doorsijpeleffecten. En daardoor is zelfs te beargumenteren dat oorlog de mensheid vooruit helpt. Al vind ik deze gedachte dan weer te vreselijk om ooit zelf te gebruiken.

Door oorlog komt er namelijk ineens veel geld vrij om acute problemen op te lossen. En zo’n injectie, met de bijbehorende prestatiedruk, kan de wetenschap plots behoorlijk vooruit helpen. Tot de oorlog uiteindelijk afloopt, en de gulle geldstroom ineens opdroogt, en alles weer stagneert.

Meest cynische voorbeeld dat ik ken, is dat er in de jaren zestig plots heel veel geld ging naar het onderzoek tegen malaria; omdat de Amerikanen indertijd meenden in de Vietnamese jungle te moeten vechten. Die research leverde het middel op dat uiteindelijk Lariam ging heten. Daarna zou het decennia duren voor er nieuwe geneesmiddelen werden bedacht tegen de ziekte. Terwijl toch hele werelddelen onder malaria lijden.

Het welzijn van Amerikaanse soldaten was voor de farmaceutische industrie alleen een stuk belangrijker dan dat van die talloze veel miljarden mensen elders. Want die soldaten hadden tenminste een regering die even geld in hun welzijn investeerde.

In Grunt van Mary Roach ontbreekt het grote verhaal over oorlog en vindingrijkheid helaas. Roach koos voor een praktische blik.

Van oorlog slijten je mensen nogal. En de econoom Joseph Stiglitz heeft daarom vrij overtuigend becijfers hoe duur en onnozel het daarom is om oorlog te voeren. Maar Mary Roach negeert in haar boek nu net ook dat oud-soldaten met enorme geestelijke problemen te kampen kunnen krijgen.

Online worden nogal eens staatjes gebruikt, waarin het tal tijdens hun dienst gesneuvelde Amerikaanse soldaten is afgezet tegen het veel grotere tal veteranen dat later zelfmoord zal plegen. En daaruit blijkt dan op zijn minst dat soldaat zijn niet vreselijk goed is voor de geestelijke gezondheid.

Negeert Mary Roach ook nog de ontwikkeling van wapentuig in haar boek — en van de weeromstuit wordt een uitgave als Grunt dan dus relatief onschuldig en daarmee bij tijden zelfs grappig.

Ze hield het klein. En keek daarom onder meer wat de legerautoriteiten hebben gedaan tegen gehoorbeschadiging. Geweren gaan nogal van boem. Of welke ontwikkeling de kleding van soldaten zoal heeft doorgemaakt. Want ook de uniformen zijn tegenwoordig high-tec. Of hoe militairen tegen de hitte strijden.

Over penisreconstructies gaat het, want die hele plastisch chirurgie komt voort uit de wens beschadigde soldaten weer wat toonbaarder te maken.

En de laatste hoofdstukken van dit boek behandelen de specifieke problemen van het bestaan in een onderzeeër. Hoe slaap je daar?

Vanzelfsprekend bevat dit boek dan hilarische hoogtepunten, want Mary Roach schrijft nu eenmaal altijd luchtig tussen alle informatie door. Grunt heeft bijvoorbeeld een heerlijk gesprek met een stoer bebaarde superman van ‘special ops’, die niet goed begrijpt waarom de vrouw die hem interviewt het per se over diarree wil hebben. En wat die dan met je doet ver weg in vijandelijk gebied.

Dus heb ik me zeker vermaakt met dit boek. Behalve dan dat er altijd de wetenschap was dat er nog zo veel meer onderwerpen waren geweest om over te schrijven, die nu zo tergend buiten deze uitgave zijn gebleven.

Heroïne bijvoorbeeld, kijk naar de naam, of speed, zijn toch middelen ooit bedacht om mensen tot betere soldaten te maken. Daar had ik ook graag over willen lezen. De externe skeletten die op het moment ontwikkeld worden om mensen meer te laten tillen, of langer te laten lopen… Etc., etc..

En die Terahertz-scanners waarmee de Letterenfaculteiten straks oude papyri kunnen lezen, of boeken zonder die te openen, kwamen er toch allereerst omdat met zulke scanners snel te bekijken was of mensen een wapen op zich droegen. Het onderwerp wetenschap en oorlog, of wetenschap en veiligheid, is domweg erg groot.

Mary Roach, Grunt
The Curious Science of Humans at War

285 pagina’s
W.W. Norton & Company, 2016